1608 Weergaven
9 Downloads
Lees verder
Participatie kan vele betekenissen hebben. Letterlijk betekent het gewoonweg ‘deelname’: in een bedrijf (aandelenparticipatie), aan concerten of voorstellingen (culturele participatie), aan een fietstocht (sportparticipatie). In deze bijdrage kijken we naar de manier waarop burgers, in al hun maatschappelijke rollen, proberen mee vorm te geven aan hun leefomgeving of – breder – aan de samenleving. We spreken dan over burgerparticipatie, over samen vorm geven aan de ‘polis’.

Vraag naar ander beleid

Het begrip participatie heeft in deze context dus ook vaak, maar niet uitsluitend, een stevige band met de politieke sfeer. Vaak gaat het over een vraag naar een ander beleid. Een ouderenadviesraad vraagt meer zit- en rustbanken in de gemeente. Grootouders voor het klimaat sluiten zich aan bij de stakende schooljongeren en versterken zo het burgerinitiatief voor meer duurzaamheid. De woorden ‘burgerparticipatie’ en ‘beleidsparticipatie’ vormen op zich ook nog containerbegrippen die doorheen de jaren een andere, ruimere, invulling kregen. In de literatuur over participatie onderscheidt men bijvoorbeeld vaak drie verschillende generaties van burgerparticipatie, waarbij het contact tussen burger en overheid meer en meer intensief wordt van de eerste naar de derde generatie burgerparticipatie.

Op zoek naar inspraak

Een eerste generatie burgerparticipatie zag het daglicht in de jaren ’70 van de vorige eeuw. Tot dan was er amper sprake dat burgers nauw betrokken werden bij het ontwikkelen van het beleid. Er bestonden wel bezwaarprocedures bij bijvoorbeeld bouwwerken. Bij de aanleg van de eerste spoorlijnen en bijhorende stationsgebouwen, dus al onmiddellijk na de Belgische onafhankelijkheid van 1830, konden de omliggende eigenaren hun bemerkingen al kwijt via officiële weg. Maar verder bestonden er tot de opkomst van de ‘inspraakdemocratie’ in feite geen participatiekanalen en -procedures. De politieke partijen en de zuilorganisaties, inclusief de ouderenverenigingen, bepaalden wat de mensen moesten denken en zij mobiliseerden hun achterban wanneer zij dat zinvol achtten, concludeerde socioloog Luc Huyse in zijn boek ‘De afwezige staatsburger’ (1969). De burger als volgzame kiezer dus.

Die hiërarchische logica kwam in de jaren ‘60-‘70 meer en meer onder druk te staan. Onder meer door het stijgende opleidingsniveau stelden burgers zich kritischer en autonomer op en plaatsten nieuwe thema’s op de politieke agenda. Denken we maar aan de milieu- en de emancipatiebeweging. Tevens weerklonk een roep voor meer inspraak en democratie.

Advies op vraag

De opkomst van de eerste lokale adviesraden is daarvan een duidelijk voorbeeld. In een aantal steden en gemeenten sloegen lokale actoren de handen in elkaar om nieuwe impulsen te geven aan het lokale cultuur- en verenigingsleven. De eerste cultuurraden waren geboren, later gevolgd door sportraden, jeugdraden, milieuraden en ook seniorenraden, die ook vandaag nog steeds actief zijn in meer dan 9 op de 10 gemeenten.

De term adviesraad schetst ook mooi de toenmalige kijk op inspraak en participatie. De burger kreeg de kans om zijn mening te geven wanneer de beleidsmakers een plan of besluit wilden voorleggen. Het beleid bepaalde het ritme en de onderwerpen bij de inspraak. Het beleid bepaalde zelfs de krijtlijnen waarbinnen de burger zijn zegje kon doen. En dat was typisch voor die eerste generatie van burgerparticipatie: het initiatief ligt bij de beleidsmakers, de burger mag nogal vrijblijvend zijn mening geven voor of tegen een bijna volledig afgewerkt plan of besluit.

‘Eenvoudige’ maatschappelijke uitdagingen

Bovendien, zo noteren Filip De Rynck en Stef Steyaert in hun interessante boek ‘De participatieve omslag’ (2019), was beleid maken in die tijd eenvoudiger dan vandaag: “In die periode heerste er een vrij grote consensus over hoe de samenleving functioneerde en in welke richting we – vooral economisch – moesten groeien. De agenda’s van politici, organisaties en instellingen waren vrij eenduidig, ook al waren de eerste waarschuwende geluiden te horen dat er misschien ooit wel een einde aan een bepaalde soort groei moest komen. Beleidsproblematieken waren nog vrij eenvoudig: vergelijk hoe we in de jaren ’70 over milieuzorg of veiligheid praatten en welke complexe agenda’s en problemen nu onder die noemers schuilgaan”. Kwesties waar de samenleving vandaag ook veel minder eensgezind naar kijkt. Kijk maar naar de klimaatproblematiek en de maatschappelijke discussie over zowel de ideale oplossing, als over de ideale manier om die oplossing te bereiken; bijvoorbeeld met of zonder kernenergie.

Interactief beleid

Een tweede generatie van burgerparticipatie ontstond in de jaren ’90. Die liet zich nog het best omschrijven als ‘interactieve beleidsvorming’. Het initiatief blijft bij het bestuur, maar de burger mag vooraf meedenken. Voorbeelden daarvan zijn de participatieprocessen bij de opmaak van ruimtelijke structuurplannen of de betrokkenheid van ouderen bij beleidsplannen voor het lokale sociale beleid. Sommige besturen gingen daarbij actief de behoeften van ouderen onderzoeken of bespraken het toekomstige beleid op participatievergaderingen waarvoor men, naast de leden van de ouderenadviesraad, ook het brede ouderenpubliek uitnodigde rond vragen als ‘welke dienstverlening kan nog beter’, of ‘wat kan het gemeentebestuur doen zodat u zo lang mogelijk in het eigen huis kan blijven wonen’.

Op die manier kon een lokaal bestuur initiatieven nemen die beter aansloten bij de wensen van de ouderenbevolking. Dat kwam de inhoudelijke kwaliteit van de beslissingen ongetwijfeld ten goede. En het verminderde het politieke risico op oppositie tegen de uiteindelijke beslissing. Maar toch bleef ook bij deze tweede generatie het initiatief vooral in handen van de beleidsmakers.

Burgers aan zet

Een derde generatie van burgerparticipatie ontstond na de eeuwwisseling. En die zet de bestaande hiërarchie als het ware op zijn kop. In essentie komt het er op neer dat burgers zelf initiatieven nemen en het beleid deze acties faciliteert. Men noemt deze omgedraaide rollen ook wel eens ‘overheidsparticipatie’, omdat het beleid in feite deelneemt aan bottom-up initiatieven.

Vandaag stellen waarnemers inderdaad een forse stijging vast van allerlei spontane initiatieven die  iets willen verbeteren in de directe leefomgeving, de buurt, de gemeente… tot de wereld toe. Deze burgerinitiatieven vormen een rijkgeschakeerd landschap. Sommige initiatieven zijn tijdelijk, andere meer duurzaam. Sommige initiatieven willen invloed op het beleid, andere houden bewust afstand van de politiek. Wat hen bijna allemaal typeert is de focus op concrete actie in plaats van praten en overleggen. Een ‘doe-het-zelf-democratie’ noemt men dat soms: door dingen te doen, mikken ze op een betere wereld en een ander beleid.

Een voetnoot bij dit alles: in de praktijk zijn deze drie generaties natuurlijk niet zo strikt te scheiden. Ze bestaan ook naast elkaar en kunnen elkaar ook mooi aanvullen. Maar soms is er ook wrijving. Verschillende adviesraden, ook die voor ouderen, sluiten zich af van de nieuwe verenigingsvormen en staan niet open voor een (tijdelijk) lidmaatschap voor burgerinitiatieven of actieve individuen. Terwijl ze met meer flexibele structuren, bijvoorbeeld open werkgroepen, ook nieuwe energie en kennis kunnen binnenhalen.

Van keukengerei tot deelwagens

De voorbeelden van burgerinitiatieven vandaag zijn erg divers. In ‘geefwinkels’ kunnen mensen die iets wat ze op overschot hebben – kleding, speelgoed, keukengerei – weggeven aan mensen die het financieel wat moeilijker hebben.  In ‘repair-cafés’ helpen vrijwilligers, bijvoorbeeld gepensioneerde technici, huishoudmateriaal aan een tweede leven én beperken ze meteen ook de afvalberg. Een straatcomité zet zich in voor het beheer van een braakliggend lapje grond dat ze tijdelijk als park- en speelzone willen inrichten. Gepensioneerde inwoners benutten hun vrije tijd voor taallessen aan nieuwkomers, buurtbewoners werken samen aan een stadstuintje en ouderenverenigingen naaien coronamaskers. Maar er bestaan ook ‘grotere’ burgerinitiatieven. ‘Partago’ is bijvoorbeeld een burgercoöperatie die elektrische deelwagens aanbiedt. Dit project rond duurzame mobiliteit is oorspronkelijk ontstaan uit een kleiner initiatief rond een Gentse leefstraat. ‘Ecopower’ is een energiecoöperatie, ontstaan uit een samenhuisproject in Rotselaar, die vandaag burgerkapitaal investeert in de productie van hernieuwbare stroom.

Alternatieve plannen formuleren

Andere burgerinitiatieven blijven toch mikken op invloed op het beleid. Bekende voorbeelden zijn de Antwerpse actiecomités rond het Oosterweeldossier. ‘StRaten-Generaal’ en ‘Ademloos’ stelden alternatieve oplossingen voor om de Antwerpse mobiliteitsknoop te ontwarren. Ze toonden aan dat deze kwestie meer was dan louter een mobiliteitsdossier, maar dat ook zaken als de luchtkwaliteit en de leefbaarheid van wijken in het geding waren. Later kwam ook ‘Ringland’ in de aandacht met zelfbedachte plannen voor een overkapping van de Antwerpse ring. Interessant daarbij is dat het succes van dit initiatief op een studiedag ooit werd verbonden met het intergenerationele karakter van Ringland met bijvoorbeeld enkele jonggepensioneerde leden die heel wat technische en politieke kennis hadden, naast jonge bevlogen leden die vlot alle mogelijkheden benutten van de moderne communicatiekanalen.

Tussen overheid, markt en burger

Nog een voetnoot: helemaal nieuw is het burgerinitiatief natuurlijk niet. De verre wortels van onze hedendaagse ziekenfondsen zijn negentiende-eeuwse voorbeelden van burgers die de handen in elkaar sloegen om – bottom-up – onderlinge bijstand te voorzien nog voor er sprake was van een uitgebouwde sociale zekerheid.

“Het lijkt wel te gaan om een herwaardering van weggedeemsterde gedachten, na decennia waarin vooral eerst de overheid en later de markt aan zet was”, stellen De Rynck en Steyaert in ‘De participatieve omslag’. De revival van het burgerinitiatief lijkt zich te laten verklaren als een reactie tegen een steeds zwakkere overheid, een afbouw van de verzorgingsstaat en een doorgeschoten neoliberale logica.

Naar een faciliterende overheid

Alleszins moet de overheid zich verhouden tot deze nieuwe golf van actief burgerschap. Overheden kunnen de regelgeving aanpassen zodat burgerinitiatief minder gehinderd wordt. Ze kunnen activiteiten mogelijk maken door faciliteiten te voorzien. Denken we maar aan een ruimte waar de geefwinkel zijn voorraad kleding of speelgoed kan opslaan en verdelen. Of een leegstaand pand tijdelijk openstellen als ruimte voor bijeenkomsten of optredens. Vaak staan burgerinitiatieven niet volledig los van de overheid, maar worden ze gesteund door ambtenaren.

Een aantal lokale besturen zetten precies ook nieuwe participatievormen in om dat bottom-up initiatief kansen te geven; bijvoorbeeld via burgerbegrotingen of wijkbudgetten waarbij burgers aan middelen kunnen raken voor hun maatschappelijke projecten. Leden van de klassieke adviesraden voelen zich dan soms gepasseerd,nu wijkbudgetten en gelote burgerpanels meer aandacht krijgen. Maar waarom zou een ouderadviesraad een burgerpanel niet kunnen informeren over het perspectief van ouderen tegenover de kwestie die op tafel ligt.

Recht om uit te dagen

Ook de vermelding van het zogenaamde ‘right to challenge’ in het huidige Vlaamse regeerakkoord past in de logica van die ‘doe-het-zelf-democratie’. Dat recht creëert, eens ingevoerd, de mogelijkheid om als burger taken van de overheid over te nemen wanneer zij denken die beter of goedkoper te kunnen uitvoeren. In Nederland bestaat dat ‘uitdaagrecht’ al op verschillende plaatsen. Daar beheren burgers of verenigingen vandaag stadsparkjes, zwembaden, wijkcentra en nemen zelfs zorg- en welzijnstaken op zich.

Zijn burgerinitiatieven, bijvoorbeeld binnen dat Nederlandse zorgbeleid, misschien ook een symptoom van een terugtredende overheid? Schieten sommige burgers niet gewoon in actie omdat de overheid (en de markt) faalt om een goed antwoord te bieden op soms complexe maatschappelijke uitdagingen? Voor welke dienstverlening moeten we kunnen rekenen op de publieke sector en niet op de toevallige aanwezigheid van een burgerinitiatief? Zeker op het vlak van bijvoorbeeld zorg en kinderopvang moeten burgers toch kunnen rekenen op voldoende overheidsaanbod. Iemand moet toch de kwaliteit in de gaten houden. Of inspringen op plaatsen waar een burgerinitiatief uitdooft of waar de voedingsbodem voor burgerinitiatieven amper aanwezig is. Kwetsbare wijken of doelgroepen zouden anders dubbel pech hebben: veel behoeftes en vaak minder veerkracht om zelf initiatief te ondernemen. Zo zou die doe-het-zelf-democratie in feite meer ongelijkheid voortbrengen.

Gelijke democratische stem?

We moeten we het gebrek aan representativiteit van burgercomités nu ook weer niet als dooddoener gebruiken om het kind met het badwater weg te gieten. Wanneer enkele bevlogen, hoogopgeleide buurtbewoners – al dan niet met bakfiets – actie ondernemen tegen verkeersonveiligheid of fijnstof in de straat, genieten alle minder activistische buren natuurlijk ook van het resultaat.

Uiteindelijk zal de overheid in onze democratie ook finaal bepalen welke richting we uit willen met onze samenleving. Op het eerste zicht lijkt al die inzet van burgerenergie – ook bij ouderen – een toe te juichen evolutie. Vooral omdat de eerder geciteerde initiatieven vaak sympathieke doelstellingen hebben: voor een goede luchtkwaliteit, voor solidariteit met sociaal zwakkere groepen, voor een duurzame mobiliteit… Maar wat als er morgen een comité zou opstaan dat ijvert voor onbeperkt autorijden ongeacht de mate van vervuiling? Of zich verzet tegen de inplanting van een vluchtelingencentrum?  Dat zijn geen neutrale keuzes, maar ideologisch beladen kwesties waarin we allen best een gelijke, democratische stem hebben.

Literatuurlijst

  1. Filip De Rynck, Stef Steyaert. De participatieve omslag. Onze democratie in transitie. Uitgeverij Acco, Leuven, 2019
  2. Tine Hens. Het klein verzet. Uitgeverij EPO, Brussel, 2015.
  3. Wetenschappelijk Raad voor het regeringsbeleid. Vertrouwen in burgers. Amsterdam University Press, Amsterdam, 2012 (https://www.wrr.nl/publicaties/rapporten/2012/05/22/vertrouwen-in-burgers)