109 Weergaven
6 Downloads
Lees verder
Leeftijd vormt een bron van een van de meest doordrongen vormen van discriminatie: agisme. Geen onschuldig fenomeen, zo stelt ook de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Het is alomtegenwoordig: institutioneel, in onze relaties én in onze gedachtegang. De impact op de gezondheid en het welzijn is enorm. Hoog tijd voor sensibilisering en voor de erkenning van ieder persoon, ongeacht leeftijd.

Agisme (Engels: ageism) is in onze samenleving één van de meest wijdverspreide, maatschappelijk aanvaarde en gelijktijdig onderkende vormen van discriminatie. Maar wat houdt dit precies in?

Agisme staat voor leeftijdsdiscriminatie. We stereotyperen, discrimineren en hebben vooroordelen rond mensen, niet op basis van gender (seksisme), afkomst, huidskleur of cultuur (racisme), maar op basis van leeftijd. Dat valt toch mee, denkt u? Toch niet. Net deze invraagstelling – die trouwens zeer vaak voorkomt – toont aan hoe ingebakken agisme is en hoe weinig we ons hiervan bewust zijn als samenleving en individu. Agisme wordt van generatie op generatie overgedragen en wordt van kinds-af-aan gevoed.

Hoewel leeftijdsdiscriminatie zich op zowel jong (denk maar aan ‘de jeugd van tegenwoordig’ of jongeren die om hun leeftijd minder serieuss worden genomen) als oud kan richten, focust dit artikel zich verder op discriminatie van ouderen.

Wat is oud?

Verouderen is een biologisch, universeel en levenslang proces. Rond oud zijn, zijn er daarentegen best wat tegenstrijdigheden. Hoewel de platitudes rond oud-zijn alomtegenwoordig zijn, woedt gelijktijdig de discussie rond wat of wie oud is. Hier kan niet onmiddellijk de vinger op worden gelegd. Is men oud vanaf een bepaalde leeftijd? Vanaf bepaalde kwetsbaarheden? Vanaf het verdwijnen van bepaalde rollen? Leeftijd als criterium is alvast te betwijfelen, hoewel in het regelgevende kader 65 jaar als leeftijdsgrens voor ouderen wordt gebruikt. Leeftijd is namelijk zeer context-specifiek; in de topsport kan men al ‘oud’ zijn op 25, laat staan 35. In de arbeidsmarkt zijn (te) oude werknemers vaak nog geen 65, maar voor geriaters zijn deze 65-jarigen nog veel te jong om tot hun doelgroep te horen. Kortom, ‘oud zijn’ is een zeer fluïde begrip en vooral zeer relatief, zoals ook blijkt uit het artikel ‘Ageism, een plaat die oit grijsgedraaid  zal zijn’ (Duppen & Baert, 2022). Het is vooral een ‘label’, dat vanwege het doorwinterde agisme niemand wil dragen. Het strookt niet met hoe men zich voelt of zichzelf ziet.  

Vanaf men ‘ouder oogt’ is men zeer vatbaar voor leeftijdsdiscriminatie en wordt men vaak vanuit een minderwaardig oogpunt benaderd en toegesproken. Ouderen worden in het hele zijn herleid tot ‘oud zijn’ of ‘kwetsbaarheid’, hetgeen ten koste gaat van hun gezondheid en welzijn. Want de gevolgen van leeftijdsdiscriminatie zijn op geen enkele wijze te onderschatten.

Agisme in de aandacht

Het is dan ook van enorm belang dat de WHO in 2021 een internationaal rapport heeft geschreven rond agisme. Dit rapport is vitaal, omdat het de omvang en de impact van dit universele probleem op scherp zet. Ook formuleert het acties hoe dit probleem verder tegen te gaan.

Agisme kenmerkt zich door zowel stereotypes, vooroordelen als discriminatie. Voorbeelden rond stereotypes zijn hoe we in bepaalde patronen denken rond ouderen. Men koppelt beelden rond bijvoorbeeld cognitie, kwetsbaarheid, activiteiten en religie aan een hoge leeftijd. Deze eenzijdige beelden kunnen ouderen echter schade berokkenen.
Kijkend naar vooroordelen, zal men vaak aan ouderen gevoelens koppelen van medeleven, sympathie. Een voorbeeld hiervan is dat men personen op hoge leeftijd en hun prestaties bijvoorbeeld ‘schattig’ zal noemen. Deze vooroordelen impliceren haast voortdurend een hogere hiërarchische status tegenover de oudere.
Discriminatie is de meest zichtbare vorm van agisme en heeft ondermeer betrekking op uitsluiting, zoals op de arbeidsmarkt, in de zorg, op de woningmarkt, uitsluiting van onderwijs en ga zo maar door. De WHO stelt aanvullend dat agisme zich voordoet op drie niveaus: institutioneel, interpersoonlijk en zelfgestuurd.
Institutioneel agisme heeft betrekking op beleid, sociale normen, wetgeving en praktijken die personen benadelen. In Vlaanderen zien we bijvoorbeeld in de zorgwetgeving dat men zich soms schuldig maakt aan deze vorm van discriminatie. Men incorporeert leeftijdsgrenzen die personen enkel op basis van leeftijd uitsluiten van bepaalde zorg of tussenkomsten. Een persoon jonger dan 65 kan bijvoorbeeld bij het oplopen van een beperking een erkenning krijgen als persoon met een handicap en van bepaalde tegemoetkomingen genieten. Als men eenzelfde beperking oploopt op de leeftijd van 65 jaar of ouder, heeft men dit recht niet meer. Ook Covid-19 heeft uiteraard op jammere wijze aangetoond dat rechten van ouderen minder waarde hadden dan die van jongere generaties. Maar ook buiten de zorg zijn er gebruiken en beleid die niet leeftijdsonafhankelijk zijn. Voorbeelden zijn verplichte pensioenleeftijden of uitsluiting van het aangaan van bepaalde leningen. Ook de media hebben een belangrijk mediërende rol in agisme. Nog dagelijks worden ouderen op een onjuiste wijze voorgesteld op vele media-kanalen. Ouderen krijgen op deze platformen letterlijk weinig tot geen stem. De meeste media-aandacht gaat naar de kwetsbare oudere in het woonzorgcentrum die beschermd moet worden, maar daar blijft het jammer genoeg vaak bij. Men bevestigt echter zo de stereotypen en versterkt verder de maatschappelijke agistische kijk.

Interpersoonlijk agisme doet zich voor in de interacties tussen mensen. Denk aan een paternalistische houding, het aangaan van een kinderlijke toon ten aanzien van ouderen of het infantiliseren en het onderwaarderen. Zonder dat we dit goed beseffen, zullen we ons hier allemaal al eens of vaker schuldig aan hebben gemaakt, niet noodzakelijk vanuit enige slechte intentie.

Een derde niveau betreft het zelfgestuurd agisme. Dit houdt in dat we ons het agistische gedachtegoed zo sterk eigen hebben gemaakt, dat we dit op oudere leeftijd op onszelf projecteren: ‘Ik ben minder waard’, ‘Ik ben te oud om nog hiermee te starten’. Dit leidt tot een zichzelf waarmakende voorspelling. Men is er zich als oudere niet eens meer van bewust dat eigen rechten worden geschonden, wat uiteraard zeer betreurenswaardig is.

Betreurenswaardig, vooral omdat de impact van agisme op de oudere niet kan worden onderschat. De WHO toont de wijdverspreide gevolgen voor het welzijn van ouderen. Agisme heeft een direct negatieve impact op het fysieke en medische welzijn van mensen (inclusief hogere mortaliteit), maar ook op hun psychisch en sociale welzijn (zie onder andere Lamont e.a. 2015; Meisner, 2012). Het is bepalend voor eenzaamheid en isolatie. De levenskwaliteit kan sterk worden geschaad. Ook is men vatbaarder voor verscheidene vormen van ouderenmis(be)handeling. Uiteraard heeft agisme ook financiële gevolgen voor ouderen, zoals de reeds genomede verplichte pensioenleeftijd en de verminderde mogelijkheid tot het aangaan leningen.

De kijk van de samenleving op ouderen bepaalt jammergenoeg ook de kijk op de zorg voor ouderen. Kijken we alvast naar het Vlaamse medialandschap, dan zien we parallellen door een voortdurend eenzijdig negatieve kijk op de ouderenzorg. Deze negativiteit heeft uiteraard ook opnieuw directe en indirecte gevolgen voor het welzijn van ouderen.

Tijd voor actie

Gelukkig willen de WHO, en ook de Verenigde Naties (VN), agisme bovenaan op de politieke agenda plaatsen, zowel op internationaal niveau als op nationale niveaus. De VN heeft 2021-2030 uitgeroepen tot “the United Nations Decade of Healthy Ageing”, waarbij de strijd tegen agisme als één van dé vier pijlers wordt beschouwd.

In het globale rapport rond agisme geeft de WHO alvast enkele acties en strategieën. In de eerste plaats houdt het rapport een sterk pleidooi om beleid en wetgeving structureel te vrijwaren van discriminatie en niet gevoelig te maken voor agisme. Een beleid dat erkenning geeft voor dit probleem en dit bestrijdt (door expliciete anti-discriminatie wetgeving), sensibiliseert een samenleving om hetzelfde te doen. Opleiding is een tweede strategie. Onderwijs (zelfs hoger onderwijs voor zorgberoepen) is vaak zelf nog doorspekt van het typische gedachtegoed uit de samenleving. Het heeft echter een belangrijke opdracht om mensen gevoelig te maken rond verouderen en rond kennis en vaardigheden die agisme tegengaan. Het sensibiliseren van onderwijsinstellingen staat hoog in het vaandel. De derde strategie betreft intergenerationele contacten. Een strategie die we allen kunnen omarmen en toepassen. ‘Unknown is unloved’ wordt vaak gezegd. Zolang men over de anderen praat, praat men niet met hen. Intergenerationele contacten kunnen ertoe bijdragen dat stereotiepe gedachten of vooroordelen smelten als sneeuw voor de zon (of toch dat de dooi wordt ingezet). Het is uiteraard belangrijk dat deze contacten starten vanuit gelijkwaardigheid en dat ze kwaliteitsvol zijn. Elkaar als persoon leren kennen, is wat ertoe doet.

Erkenning van onze eigen toekomst

Kortom, sensibilisering op alle fronten is noodzakelijk. De sterke, internationale erkenning van deze problematiek is een eerste stap. Er zullen uiteraard nog vele verdere stappen nodig zijn, ondermeer op nationale en regionale niveaus. Net zoals bij andere -isme’s, is ook het bestrijden van agisme een traject van lange adem, maar eentje die het zonder meer waard is. Niet enkel omdat ouderen een steeds groter deel zullen uitmaken van onze samenleving en de ‘nieuwe generatie ouderen’ hopelijk meer voor eigen recht en belang zal opkomen. Maar ook omdat agisme een bijzondere discriminatievorm is die niet gericht is naar ‘de ander’, maar naar ons toekomstige ‘zelf’. Willen we allen deel uitmaken van een samenleving waar we ook zelf tot het einde van onze dagen in waardigheid kunnen leven én als volwaardige burger benaderd worden, dan moeten we van dag één hier werk van maken om deze vorm van discriminatie, uitsluiting en stereotypering tegen te gaan.

Literatuurlijst

  1. Duppen, D. & Baert, V. (2022). Ageism: een plaat die ooit grijsgedraaid zal zijn. Geron, 24 (1).
  2. Lamont R.A, Swift, H.J. & Abrams, D. (2015). A review and meta-analysis of age-based stereotype threat: negative stereotypes, not facts, do the damage. Psychological Aging, 30(1):180–193.
  3. Meisner B.A. (2012). A meta-analysis of positive and negative age stereotype priming effects on behavior among older adults. Journal Gerontology B. Psychological Sciences, Social Sciences, 67(1):13–17.
  4. World Health Organization – Global report on ageism. Geneva: World Health Organization; 2021. Licence: CC BY-NC-SA 3.0 IGO.
  5. World Health Organization – UN Decade of Healthy Ageing – https://www.who.int/initiatives/decade-of-healthy-ageing#:~:text=The%20United%20Nations%20Decade%20of,improve%20the%20lives%20of%20older
  6. Van Malderen, L. (2021). Onze biologische evolutie verhoudt zich omgekeerd evenredig met de psychologische aanvaarding ervan. Zorgwijzer, 97. https://www.zorgneticuro.be/artikel/ouderenzorg/onze-biologische-evolutie-verhoudt-zich-omgekeerd-evenredig-met-de-psychologische-aanvaarding-ervan