153 Weergaven
0 Downloads
Lees verder
Via een aantal startpunten voor een ‘holisme-in-actie’ en met burgerinitiatieven als leerschool en laboratorium, op weg naar een ideaal van samenwerken tussen overheid, professionals en burgers.

Vragen rond burgerinitiatieven

Het “ideaal van samenwerken tussen overheid, professionals en burgers” roept tal van interessante vragen op: welke actoren ontbreken er in die samenwerking of zijn nog relevant voor een goed beleid; wat met de rol van bijvoorbeeld ondernemers en onderzoekers en over welke ‘overheid’, ‘professional’ en ‘burger’ hebben we het eigenlijk? Wat is dat precies zo’n ‘ideaal samenwerken’? Welke maatstaf en wiens ijkpunten hanteren we bij het beoordelen van dat ideale? In welke verschijningsvormen kan samenwerken en welke randvoorwaarden zijn nodig om dat samen écht te laten werken?

Die vragen illustreren boven alles de expliciete en impliciete rijkdom aan variaties, fluctuaties en interacties die burgerinitiatieven met zich meebrengen. In die uitgesproken heterogeniteit zitten tegelijk ook de impact van politieke kleuren, humeuren en voorkeuren, de aandacht voor lokale eigenheden en eigenaardigheden, de realiteit van posities en positionering, het debat over machten en krachten en de consequenties van participatiekansen en inspraakvaardigheden vervat. Het maakt van burgerinitiatieven complexe, netelige, rommelige uitdagingen en ondernemingen. En precies die eigenschappen maken een systeembenadering – meer dan ooit – ideaal én cruciaal om te komen tot dat ‘goed beleid’.

Systeembenadering

Een systeembenadering dient niet om de complexiteit te vergroten of te accentueren of om er suboptimale keuzes, gefragmenteerd beleid, gelatenheid of immobilisme mee te vergoelijken. Systeemdenken gaat over het erkennen van, en vervolgens constructief benutten van de eerder vermelde complexe, netelige en rommelige realiteit. Het is een expliciet kiezen voor interconnectiviteit en complementariteit (geen enkele partij functioneert alleen of kan het nog alleen) en voor openheid en een brede blik (om het ganse systeem in kaart te krijgen). Op die manier worden blinde vlekken scherp gesteld en krijgen we zicht op ongekende subsystemen, onverwachte interacties en onderschatte drijfveren. Het helpt ons bij het decoderen en begrijpen van de mogelijk paradoxale resultaten of nivellerende effecten van (beleids)keuzes en interventies (Vandenbroeck, 2012).

Finaal moet zo’n systeembenadering (van in dit geval ‘burgerinitiatieven’) resulteren in een solide en gedeeld draagvlak van waaruit doordacht in goed samenwerken en samenleven kan worden geïnvesteerd. Of met een voor zorg en welzijn meer vertrouwd beeld en denkkader: het is een holisme-in-actie.

Het is vanuit die holistische- en systeemlogica dat ik het onderwerp burgerinitiatieven tegen het licht wil houden, met het formuleren van enkele elementaire startpunten om die invalshoek te illustreren en concreet te maken.

Holisme-in-actie: zeven startpunten

1. Een burgerinitiatief is of wordt per definitie een meerpartijensamenwerking

Zo’n meerpartijensamenwerking is een proces waarbij actoren (in de ruimste zin van het woord) verschillende aspecten van eenzelfde probleem of nood anders ervaren, invullen of inschatten. Die verschillen moeten ze exploreren om vervolgens samen op zoek te gaan naar oplossingen die hun eigen beperkte kijk op de mogelijkheden overtreffen. Het illustreert allereerst het belang van het overstijgen van semantische verschillen en van het erkennen en verkennen van elkaars verschillende wereldbeelden en denkkaders (Braes, 2019).

2. Wereldbeelden zijn dominanter en meer impactvol dan ze lijken

Dat is een aandachtspunt voor elk van de betrokken actoren en partijen. Woorden creëren werelden. Jargon selecteert en discrimineert. Verhaal en taal verbindt en distantieert. Om een meerpartijensamenwerking écht mogelijk te maken of zelfs aan te vatten, is het willen en kunnen verstaan van elkaars jargon, taal en wereldbeeld (inclusief de bijhorende belangen en associaties) essentieel. Het onuitgesproken laten en niet verkennen ervan zal wederzijds begrip, initiatief en complementariteit vertragen of verhinderen. Het expliciteren ervan helpt dan weer om agenda’s, belangen, noden, onzekerheden, potentieel conflict én waardevolle gemeenschappelijkheid vroegtijdig naar boven te brengen.

Dat verhelderen van wereldbeelden of denkkaders blijft best vrij van ‘bekeringsdrang’. Het is contraproductief om te willen overtuigen of om te hopen op een volledig nieuw, gemeenschappelijk consensusbeeld. Op termijn kunnen de eventuele toegiften gaan wringen, steken gerelativeerde fricties sterker de kop op of kalft de unanimiteit af. De betrachting is een samenwerken ondanks, door(heen) en met erkenning van verschillen, een streven naar sensitiviteit als basis voor collectiviteit en connectiviteit.

3. Met een diversiteit aan wereldbeelden komt een diversiteit aan vermogens, in alle betekenissen van het woord

Het kan helpen om over die diversiteit te denken in termen van ‘vermogende’ en ‘onmachtige’ actoren of partijen. Een vermogende partij krijgt ruimte om op te komen voor zijn eigen belang, kan dat belang verwoorden, weet zich gehoord (te maken), krijgt ruimte en mandaat om zich een oordeel te vormen en is in staat om af te kunnen wegen wat voor haar/hem goed is om te doen. Een partij die onvoldoende ruimte krijgt om op te komen voor zijn eigen belang, is een onmachtige actor (de Lint e.a., 2017). Die opdeling lijkt erg bruikbaar met betrekking tot (burgerinitiatieven in) zorg en welzijn. Het is het verschil tussen de wel en niet geleerde, geletterde (denk aan digitale en zorggeletterdheid), gehoorde of gekende burgers, cliënten en actoren. De opdeling dient een groot streefdoel: het realiseren van gelijkwaardigheid tussen alle betrokkenen. Geen gelijkwaardigheid in termen van rollen, posities of macht. Die verschillen zijn immers vaak onvermijdelijk en realiteit. Hier gaat het om gelijkwaardigheid in het kunnen en mogen uiten van verschillen, standpunten en belangen. Die gelijkwaardigheid is idealiter de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemers, waarvan verwacht kan worden dat ze dialoog initiëren en investeren in het exploreren van de aanwezige wereldbeelden. Het is de initiatiefnemer die inspanningen doet om betrokken partijen te faciliteren en te ondersteunen bij het opkomen voor hun visie, belangen en noden. Het rendement van dat soort investeringen komt later; onder de vorm van opgebouwde bereidheid en wederkerigheid, te activeren op de cruciale kantel- en scharniermomenten in het traject van elk burger- of samenwerkingsinitiatief.

De invulling van het begrip ‘initiatiefnemer’ laat ik bewust generiek. Zo kan de veelheid aan actoren in een burgerinitiatief zich aangesproken voelen. Niemand hoeft immers a priori van die ‘gelijkwaardigheidsinvesteringen’ ontzien te worden. De ene actor of partij mag zich uiteraard wel extra, sterker of strenger aangesproken voelen dan de andere. Het lijkt hoe dan ook een goed universeel principe voor tal van samenwerkingsvormen en -vormingen: diegene die initieert is tevens diegene die allereerst in de essentiële gelijkwaardigheid investeert.

4. Burgerinitiatieven moeten professionals en beleid doen nadenken over de wijze waarop ze naar toevalligheden kijken

Vaak zit de kiem van een initiatief in een ongeplande ontmoeting, een onverwachte gebeurtenis, een onvoorziene wending of indirect opgevangen signaal. Zelden start het met een groots plan of met een waterdicht businessmodel. Gelukkig maar. Het illustreert het fundamentele verschil in logica en denken én – wederom – het belang van het exploreren van elkaars wereldbeeld.

Sterk vereenvoudigd: professionals en beleidsmakers denken vaak nog in ‘structuren en systemen’ en zitten – willen of niet – gevat in domeinen, lijnen en kaders. Het is een wereldbeeld waarin toevalligheden wat ongemakkelijker liggen: ze lokken er standaardisatie en optimalisatie uit. Om ze weg te werken of te beperken, om ze in een pad of een keurslijf te krijgen, eerder dan ze te erkennen en hun eventuele potentieel te benutten of te versterken.

Cliënten, burgerinitiatieven en gemeenschappen vertegenwoordigen dan weer de ervarings- en leefwereld. Daar gaat het om grillige lijnen, vaak geïnitieerd en gebaseerd op toevalligheden en informele contacten ‘onder de radar’. Die toevalligheden zijn er katalysator van initiatief en verandering. Op basis van toevalligheden krijgen mensen kansen en ontstaan er contacten en relaties.

Wanneer professionals en beleidsmakers willen werken met cliënten en gemeenschappen, dan komen ze sowieso in dat grillige en gevarieerde parcours terecht. Passende oplossingen en benaderingen worden de ene keer gevonden door de systemen en structuren aan te passen aan de leefwereld en de realiteit van cliënten; de andere keer door cliënten en hun leefwereld in een stramien van systemen, structuren en rechte lijnen (trachten) te dwingen. Beide werken niet, niet altijd of niet voor iedereen.

Om te schakelen tussen verschillende samenwerkings- en oplossingsmodi, is er nood aan beleids- en interventieportfolio’s met voldoende spanwijdte, met variabele intensiteit, gradaties van creativiteit en snelheid, genoeg wendbaarheid, een (hoog)gevoeligheid voor signalen, boodschappen en hiaten en met voldoende tolerantie voor toevalligheden en ogenschijnlijk suboptimale oplossingen (Braes, 2018).

5. De tweedeling systeemwereld versus leefwereld is slechts startpunt; we moeten er vooral concreet en anders mee aan de slag

De classificatie in systeemwereld en leefwereld, (gepopulariseerd door de filosoof Habermas) is volgens Mensink (2015) een “nastrevenswaardige filosofische bespiegeling op de dagelijkse praktijk”. We doen er volgens hem vooral goed aan om “op te houden er zoveel over te praten”. We moeten praktisch aan de slag. We moeten observeren, onderzoeken, beschrijven en ontleden: hoe verhouden beleidsmakers, ambtenaren, professionals en burgers zich tot elkaar; waar spreken ze elkaar; zijn er plekken waar ze regelmatig samenkomen; wat voor afspraken maken ze, en hoe leggen ze die vast etc. Het wordt een andere manier van in dialoog treden en connecteren: goed gedocumenteerd, proactief, tijdig, minder chronologisch en lineair en geenszins top-down. McGuinness & Slaughter (2019) hebben het over een “new practice of public solving”, wanneer ze pleiten voor zo’n ander stramien van betrokkenheid en beleidsontwikkeling.

In beide visies gaat het finaal om ‘veldwerk’. Veldwerk als alternatief voor een klassiek traject waarin beleidsmakers signalen opvangen of doorgegeven krijgen (vaak met de nodige ruis en vertraging), ze vanuit een systeemwereld verder onderzoeken, er een beleid voor uitschrijven, dat implementeren om vervolgens (al dan niet onzacht) in aanraking te komen met de complexe, netelige en rommelige leefwereld. Het is de evolutie van (ivoren) toren naar veld, van een beleid via decreten en besluiten, van op afstand, afstandelijk en met lange doorlooptijd naar interactief, nabij en gelijkwaardig. Of met nog een ander frame: minder academisch, meer startup.

Dat beeld brengt ons ook handig bij de rol van data, digitalisering en technologie in deze evolutie: het geeft veldwerk een nieuw elan en een substantiële duw in de rug.

6. Digitalisering zal in het geval van veldwerk en burgerinitiatieven zorgen voor een “compressie van tijd en ruimte” (McGuinness & Slaughter, 2019)

Klassieke patronen, verwachtingen, stramienen en – vooral – tempo’s geraken er onherroepelijk door achterhaald en ingehaald. Digitale en technologische ontwikkelingen kunnen actoren in eenzelfde informatie- en interactiecyclus verenigen en connecteren: er kan meer geïnformeerd en meer nabij worden gerapporteerd; signalen, noden, verwachtingen en oplossingen kunnen meer continu, inclusief en op permanente basis worden gedocumenteerd, uitgezonden, ontvangen, aangepast en gedetecteerd. Het is de idee van veldwerk als organisme, als levend laboratorium (om de enigszins uitgeholde term ‘ecosysteem’ niet te gebruiken).

Dat vergt andere attitudes, nieuwe rollen, vaardigen en verantwoordelijkheden, van álle betrokken actoren. Het doet denken aan ambtenaren en beleidmakers die fungeren als verkenners (scouts), over burgers met een rol als boundary spanner of aan professionals als ‘grenswerkers’.

7. Met de idee van veldwerk komt de nood aan en opportuniteit voor nieuwe fysieke en virtuele ontmoetings- en werkplaatsen

De gebruikelijke publieke fora, electorale stressmomenten en democratische rituelen volstaan niet langer. Noch naar reactiesnelheid en tijd, noch naar format en engagement, noch naar wendbaarheid en signaalgevoeligheid. Het moet persoonlijker, responsiever, inclusiever en informeler. Geen veldwerk vanuit een toren. Digitalisering en technologie zullen het ontstaan van dit soort fysieke en virtuele ateliers, fora, dialoogmomenten en ontmoetingsplaatsen faciliteren.

Burgerinitiatieven als leerschool

Op basis van bovenstaande reflecties en mogelijke evoluties, kunnen we niet anders dan concluderen dat verschillen zullen en moeten vervagen. Burgers, professionals en beleid groeien idealiter meer naar elkaar toe. Rollen en verantwoordelijkheden worden gedeeld, overgedragen of ze vervagen. Het onderscheid tussen actoren, sectoren, domeinen, instituten en werelden wordt flou en fluïde. Dat dat bij momenten een complexe, netelige en rommelige onderneming zal zijn staat vast. Maar dat is eigen aan veldwerk. Het gaat boven alles over initiatief, met welk label of vanuit welke initiërende richting of actor dan ook, als connector, aanstoker en initiator van gelijkwaardige dialoog, empathie en nabije interactie.

Misschien zit hierin nog de grootste kracht en het sterkste potentieel van burgerinitiatieven; ze kunnen leerschool en laboratorium zijn voor al de integrerende en netwerkende bewegingen die volop vorm en uitwerking krijgen op diverse niveaus van zorg en welzijn.

Literatuurlijst

  1. Braes, T. (2018). Burgerinitiatieven in zorg: volwaardig en evenwaardig onderdeel van een zorg- en welzijnsecosysteem? Sociologos, 39(1), 60-64.
  2. Braes, T. (2019). Toekomstbestendige ouderenzorg. praktijkgerichte roadmap voor organisaties. Oud-Turnhout: Gompel & Svacina.
  3. de Lint, J., Kraassenberg, T. & Benthem, R. (2017). Canvas omgevingsmanagement. Amsterdam: Boom Uitgevers.
  4. McGuinness, T. & Slaughter, A.M. (2019). The New Practice of Public Problem Solving. Geraadpleegd via https://ssir.org/articles/entry/the_new_practice_of_public_problem_solving
  5. Mensink, W. (2015). Systeem- en leefwereld: hoe de kloof te dichten? [blogpost]. Geraadpleegd via https://www.socialevraagstukken.nl/systeem-en-leefwereld-hoe-de-kloof-te-dichten/
  6. Vandenbroeck P. (2012). Working with wicked problems. Koning Boudewijnstichting. Geraadpleegd via https://www.kbs-frb.be/en/Virtual-Library/2012/303257