Volgens onderzoekers van de universiteit van Tilburg is specifiek aan de huidige polycrisis dat de verschillende deelcrises elkaar steeds sneller opvolgen en dat verschillende typen crises door globalisering sterker met elkaar samenhangen (Tilburg University, 2025; Parnell, Van Hout, & Del Fante, 2024). Denk aan de ‘Grote Recessie’ van 2007, de ‘Migratiecrisis’ in Europa die groeiende aandacht kreeg vanaf 2015, de coronapandemie in 2020, de oorlogen in Oekraïne (2022), Gaza (2023) en Iran (2026), problemen op de woningmarkt en, tegen de achtergrond van dit alles, de globale klimaatcrisis. De onderzoekers stellen dat mensen de neiging hebben zich te focussen op losstaande problemen, terwijl de verwevenheid van de wereld is gegroeid en crises zich voordoen op grotere schaal. Wat een oplossing voor dergelijke crises verder ondermijnt, is een ‘kenniscrisis’ – alweer een crisis dus. Een afnemend vertrouwen in de wetenschap en polarisering van het publieke debat staan overeenstemming over de problemen en de oplossingen daarvoor in de weg. Toch moeten wetenschappers zich niet uit het veld laten slaan en de complexiteit van de polycrisis proberen te begrijpen om daarmee maatschappelijke impact te maken, aldus de onderzoekers; “Wat helpt is als we die verschillende crises als evoluties zien die in elkaars verlengde liggen en niet geïsoleerd staan” (Tilburg University, 2025).
En een gebrek aan kennis over deze complexiteit is er, zeker als het gaat om ouderen. Over afzonderlijke crises is in Geron eerder geschreven, zoals over het nationaal Hitteplan (Hagens & Zwakhals, 2022), attitudes en gedrag van jongeren en ouderen rondom klimaatverandering (Kloosterman & Akkermans, 2022), en over de woonuitdagingen van ouderen. Maar over de gezamenlijke impact van zulke ontwikkelingen op de mentale gezondheid van ouderen, en over de hulpbronnen die zij kunnen aanwenden om die gezondheid goed te houden is nog weinig bekend. Als we de huidige tijd inderdaad zien als een tijd van polycrisis, dan is kennis daarover uit eerdere crises dus het eerste waar we mogelijk waardevolle inzichten uit kunnen halen; we zullen in eerste instantie moeten “sturen vanuit de achteruitkijkspiegel”, zoals de Nederlandse voormalige minister van volksgezondheid, welzijn en sport, Hugo de Jonge, eerder zei tijdens de coronapandemie. Die pandemie is dan ook een mogelijk waardevolle recente bron van kennis over de mentale veerkracht van ouderen tijdens maatschappelijke crises.
In het onderstaande beschrijven wij daarom ons eerdere onderzoek naar mentale veerkracht na depressie en tijdens de coronapandemie bij ouderen (Klokgieters et al., 2024). Hierin gingen wij op zoek naar de bestendigheid van veerkracht zodra ouderen meerdere ‘crises’ na elkaar doormaken. Eerst een depressie, en later, na succesvol herstel hiervan, de coronapandemie. Na deze beschrijving reflecteren we op de resultaten in het licht van de huidige polycrisis.
Leidt succes tot succes?
Voor de studie Leidt succes tot succes? Bestendigheid van mentale veerkracht van ouderen tijdens de coronapandemie analyseerden we kwantitatieve gegevens van 465 respondenten ouder dan 60 jaar uit twee grootschalige psychiatrische cohortstudies; de Nederlandse Studie naar Depressie bij Ouderen (NESDO) en de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA). Daarnaast hielden we met 10 mannen en 15 vrouwen tussen de 73 en 81 jaar oud in 2020 uit NESDO, die zelf depressief waren geweest, een diepte-interview en deden we een vervolginterview bij 19 van hen tijdens de coronapandemie. In de interviews richtten wij ons op de vraag welke hulpbronnen deze respondenten aanwendden om hun mentale gezondheid gedurende deze opeenvolgende persoonlijke en maatschappelijke crises te behouden of herstellen.
Veerkracht na depressie blijkt niet voorspellend voor veerkracht tijdens de pandemie
In het eerste deel van het onderzoek richtten wij ons op de vraag in hoeverre (oudere) volwassenen die eerder veerkrachtig waren na depressie ook veerkrachtig bleven tijdens de coronapandemie. Veerkracht na depressie werd gedefinieerd als binnen twee jaar herstellen van Major Depressive Disorder. Veerkracht tijdens de coronapandemie werd gedefinieerd als het vermijden van een statistisch significante individuele toename aan depressieve symptomen tijdens de pandemie ten opzichte van de laatst beschikbare meting vóór de pandemie.
We vonden dat zowel vóór als tijdens de pandemie iets meer dan de helft van de respondenten ‘veerkrachtig’ was volgens onze definities (56-57%) (Figuur 1). Maar van degenen die vóór de pandemie veerkrachtig waren, had maar liefst 44% toch op enig moment een significante stijging van depressieve symptomen tijdens de pandemie. Dit percentage lag gelijk bij respondenten die vóór de pandemie niet-veerkrachtig waren. Daarmee concluderen we dat – gemiddeld genomen – eerdere veerkracht na depressie niet voorspellend was voor veerkracht tijdens de pandemie.

Verschillen in het belang van hulpbronnen tussen beide crises
In het tweede deel van het onderzoek richtten wij ons op de vraagin hoeverre de hulpbronnen die bijdroegen aan veerkracht na depressie ook bijdroegen aan veerkracht tijdens de coronapandemie. Dit onderzochten we weer in beide crisismomenten (na depressie en tijdens de coronapandemie), en maakten hierbij gebruik van zowel kwantitatieve als kwalitatieve gegevens.
We vonden dat in beide situaties zowel sociaal-demografische als lichamelijke en psychologische hulpbronnen van belang waren (Figuur 2). De precieze hulpbronnen verschilden echter tussen de situaties. Voor veerkracht na depressie waren het hebben van een groot sociaal netwerk en bepaalde persoonlijkheidskenmerken van belang, te weten een hogere emotionele stabiliteit (lager neuroticisme), hogere nauwgezetheid (conscientieusheid) en hogere extraversie. Tijdens de coronapandemie waren juist het hebben van een partner, vrij zijn van somatische ziekten, een grotere meegaandheid (agreeableness) en het ervaren van meer regie over het leven van belang.

In het kwalitatieve gedeelte onderzochten we of de geïnterviewde respondenten dezelfde beschermende hulpbronnen ter beschikking hadden na hun depressie als ten tijde van de coronapandemie, en of ze nieuwe hulpbronnen of strategieën hadden om een goede mentale gezondheid te behouden. We structureren de resultaten naar de hulpbronnen die naar voren kwamen uit de thematische analyse van veerkracht na depressie, en bespreken vervolgens in hoeverre die ook van toepassing waren tijdens de coronapandemie.
Hulpbron 1 na depressie: Eigenaarschap nemen
Over hun herstel na depressie vertelden de respondenten dat het besef dat “je het zelf moet doen” een eerste stap is richting blijvend herstel. Eigenaarschap ging volgens hen over eigen regie voeren en eigen beslissingen kunnen maken, en over het behouden van een goede balans tussen rust en activiteit.
Tijdens de pandemie was deze hulpbron net zo beschikbaar en beschermend als na de eerdere depressie. Tijdens de pandemie uitte dit zich bijvoorbeeld in het zelf bepalen hoe strikt je omgaat met de overheidsmaatregelen. Het behouden van een goede balans tussen rust en activiteit was zelfs makkelijker tijdens de pandemie dan daarvoor. Een respondent zegt hier bijvoorbeeld over:
“En ik ging gewoon om met mijn vriendinnen, gewoon met mijn kinderen. Zonder heel moeilijk te doen over een kusje niet of een kusje wel, mijn dochter zei gewoon ‘kom op mam, jij bent gezond, ik ben gezond, en ik wil u gewoon een kus geven’. En dat deden we.”
Hulpbron 2 na depressie: Sociale activiteit en steun
Bij het herstel van depressie hielp het om “onder de mensen te zijn” en “gezien te worden door anderen”. Hierbij was het van belang dat anderen echt luisterden naar hun verhaal of soortgelijke ervaringen met depressie konden delen.
Tijdens de pandemie was het moeilijker om sociale activiteiten vol te houden:
“Het zangclubje heeft zich zo’n beetje opgeheven. Maar dat zijn dingen die uh… ja, die je echt wel nodig hebt. (…) Dus ik kan geen dingen doen die ik leuk vind… Nou, dan houdt het voor mij wel een beetje op moet ik heel eerlijk zeggen.”
Soms ontstond er een conflict met anderen over het naleven van de overheidsmaatregelen. Men ervaarde aan het begin van de pandemie meer verbondenheid met de samenleving als geheel, wat beschermend leek voor de mentale gezondheid. Het gevoel “dat we er samen in zitten” was heel anders dan bij een depressie, waar men het gevoel had er alleen voor te staan.
Hulpbron 3 na depressie: Individuele activiteiten
Bij hun eerdere depressie hielp het respondenten om lichamelijk actief te blijven en zich vast te houden aan kleine, terugkerende activiteiten die zij als nuttig ervaarden, zoals hobby’s en zorg voor de kleinkinderen. Soms stond lichamelijke veroudering deze activiteiten in de weg.
Zulke individuele activiteiten waren soms moeilijk te realiseren tijdens de pandemie. Om dit te compenseren hielp het om de betekenis van activiteiten die eerder weinig bijzonder waren, te veranderen, zoals boodschappen doen – dat tijdens de pandemie ineens een bijzonder uitje werd:
“Want ik zal nooit weer vergeten dat ik de eerste keer naar de supermarkt ging. Ik had het gevoel dat ik naar een pretpark ging, haha!”
Hulpbron 4 na depressie: Gedachtenpatronen herkennen en beheersen
Veerkracht na depressie werd volgens de respondenten gestimuleerd door het vinden van een evenwicht tussen enerzijds “jezelf motiveren” en anderzijds “niet te hard zijn voor jezelf” als je even sombere gedachten kreeg. De meeste respondenten leerden van hun depressie om hun gedachten beter te monitoren en daar tijdig op te reageren, op een vergevingsgezinde manier.
Tijdens de pandemie was het voor veel respondenten regelmatig moeilijk om negatieve gedachten van zich af te schuiven. Angst voor vereenzaming en terugval in depressie lagen op de loer:
“Nou ja, eigenlijk heb ik er alleen maar van geleerd en dat is negatief. Dat ik niet zo optimistisch meer ben, en dat ik helemaal niet zo optimistisch kan zijn [in een situatie zoals de pandemie].”
Maar sommige respondenten herkenden doordat ze eerder depressief waren geweest opkomende klachten vroegtijdig en zochten hulp. Ook hielp het om de intensieve berichtgeving in de media over de pandemie te vermijden en zich vast te houden aan het idee dat deze tijdelijk zou zijn.
Succes leidt niet noodzakelijk tot succes
Veerkracht na depressie was lang niet bij iedereen bestendig tijdens de coronapandemie. Van de respondenten die eerder binnen twee jaar herstelden van een depressie, ervaarde bijna de helft tijdens de coronapandemie opnieuw een significante toename van depressieve symptomen. Een belangrijke verklaring hiervoor ligt in het verschil in beleving tussen het doormaken van een depressie en het ervaren van de coronapandemie. Depressie heeft een sterk intern en naar binnen gericht karakter, terwijl de pandemie juist een externe stressor was waarmee de hele samenleving werd geconfronteerd. Dit fundamentele verschil beïnvloedde hoe mensen met beide situaties omgingen. Hoewel de specifieke hulpbronnen verschilden, bleken zowel sociale als somatische en psychologische factoren een rol te spelen. Uit de ervaringen van ouderen kwam bovendien naar voren dat het nemen van eigenaarschap en het herkennen en reguleren van eigen gedachtenpatronen tijdens beide situaties effectief waren.
Lessen uit het onderzoek
De voornaamste bevinding uit het project Leidt succes tot succes? is dat de bestendigheid van veerkracht door verschillende crises heen vraagt om flexibiliteit van hulpbronnen. Mensen die in meerdere situaties veerkrachtig zijn spreken verschillende hulpbronnen aan, afhankelijk van de aard van de crisis, en gebruiken bestaande hulpbronnen op een andere manier. Onder de bestendigheid van veerkracht ligt dus een dynamisch aanpassingsproces.
De vergelijking van de verschillende situaties in ons onderzoek (depressie en coronapandemie) laat zien dat het allerminst zeker is dat mensen zich in verschillende typen situaties staande kunnen houden. Als elk type crisis vraagt om andere hulpbronnen, zal het aantal mensen dat over al die bronnen beschikt, of dat de flexibiliteit heeft om nieuwe hulpbronnen te vinden, afnemen.
De vraag is wat dit impliceert voor de huidige ‘polycrisis’. Allereerst moeten we kritisch zijn over de vraag of een dergelijke crisis inderdaad gaande is, of dat wij tegenwoordig een maatschappelijk probleem sneller als crisis bestempelen. Toch is het aannemelijk dat door de globalisering maatschappelijke problemen sneller dan vroeger een internationaal karakter krijgen en sterker met elkaar zijn gaan samenhangen.
Als we aannemen dat er inderdaad sprake is van een polycrisis, dan valt op dat over de respons van de ouderen hierop nog nauwelijks iets bekend is, evenals over de hulpbronnen die ouderen gebruiken om zich te beschermen tegen deze crises. Ons onderzoek laat zien dat bij dergelijke crises zowel sociale als psychologische coping strategieën een rol spelen: een gevoel van verbondenheid (‘iedereen zit in hetzelfde schuitje’) kan beschermend zijn, evenals het vinden van manieren om regie te houden op kleine dingen binnen de eigen directe omgeving. Van belang is ook om vast te stellen dat de respons op externe stressoren zoals een polycrisis om andere hulpbronnen vraagt dan bij interne stressoren, met de kanttekening dat we de ervaringen van de coronapandemie in dit onderzoek als enkelvoudige stressor beschouwen en extrapoleren naar een poly-stressor situatie. Sturen we dus ‘vanuit de achteruitkijkspiegel’, dan concluderen we dat in tijden van polycrisis het stimuleren van maatschappelijke verbondenheid op grote schaal en eigen regievoering op kleine schaal wellicht cruciale factoren voor ouderen zijn om over te beschikken.
Verklaring gebruik generatieve AI
Er is geen gebruik gemaakt van generatieve AI in de totstandkoming van dit artikel.