Lees verder
Gemiddeld genomen zijn de gezondheid en het functioneren van ouderen met een lage sociaal-economische positie minder gunstig dan bij ouderen met een hoge sociaal-economische positie. Maar sommige ouderen worden wél succesvol oud ondanks een lage sociaal-economische positie. Wat kunnen we van hen leren over veerkracht?

Succesvol oud worden ondanks tegenslag

Honderden studies laten zien dat lagere sociaal-economische groepen slechter af zijn dan hogere sociaal-economische groepen op tal van (gezondheids-)uitkomsten. Zulke bevindingen zijn belangrijk voor het sturen van beleid gericht op het verkleinen van deze ongelijkheden in de bevolking. Ze leiden echter ook tot de misvatting dat iedereen met een lage sociaal-economische positie per definitie kwetsbaar is. Dat beeld klopt niet: met name binnen lage sociaal-economische groepen bestaat een grote variatie in gezondheid (Ferrer & Palmer, 2004).

Het concept veerkracht belicht de positieve uitschieters. Onderzoek naar veerkracht identificeert ‘beschermende factoren’ die verklaren waarom sommige mensen ondanks een tegenslag of nadelige situatie positieve uitkomsten hebben. Deze factoren kunnen zowel individueel zijn (bijvoorbeeld persoonlijkheidskenmerken) als sociaal (bijvoorbeeld steun van familie).

In deze kwalitatieve studie onderzoeken wij de veerkracht van ouderen met een lage sociaal-economische positie. Wij definiëren veerkracht als “succesvol ouder worden ondanks een levenslang lage sociaal-economische positie”. Vervolgens stellen we de vraag welke elementen hieraan bijgedragen hebben vanuit het perspectief van ouderen die wij op basis van longitudinale kwantatieve gegevens hebben geïdentificeerd als veerkrachtig.

Longitudinale data als indicatie voor veerkracht

We hebben de respondenten voor deze studie geworven uit de groep ouderen die sinds 1992 deelnam aan de Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA). LASA heeft tot doel veranderingen in het fysieke, mentale en sociale functioneren van ouderen in Nederland in kaart te brengen. In 1992 deden ruim drieduizend 55-84-jarigen mee aan de studie, en zij zijn sindsdien elke drie jaar benaderd voor vervolgmetingen.

We hebben respondenten benaderd die a) een lage sociaal-economische positie hadden; én b) een hoger dan gemiddelde score hadden op een eerder ontwikkelde ‘Successful Aging Index’ (Kok, Aartsen, Deeg, & Huisman, 2017). Deze index is gebaseerd op negen indicatoren van fysiek, mentaal en sociaal functioneren, die gedurende de periode 1992 tot 2008 herhaaldelijk zijn gemeten.

Van degenen die in 2016 nog deelnamen aan LASA voldeden 35 respondenten aan zowel criterium a) als b). Bij elf van hen (tabel 1) hebben we een semi-gestructureerd interview gehouden.

 

tabel 1 kok

 

 

De interviews duurden tussen de één en twee uur. Er werden audio-opnames van gemaakt en deze werden letterlijk getranscribeerd. We codeerden de transcripten in opeenvolgende rondes, volgens Grounded Theory-principes. We destilleerden hieruit zes thema’s die samenvatten welke elementen in de ogen van betrokkenen bijdroegen aan veerkracht.

Zes elementen van veerkracht

1. Steun ontlenen aan sociale contacten

Steun van anderen was belangrijk in relatie tot de vaak beperkte financiële middelen van de respondenten. Zo noemde één van de respondenten dat haar huisarts soms geen rekening stuurde, want “die wist goed dat er niet veel aan zat”. En bij werkloosheid sprongen buren of vrienden bij. De zelfstandig ondernemers noemden de toewijding van hun partner als belangrijk voor het succes van hun bedrijf en als bron van emotionele steun. Daarnaast leek er een cultuur te bestaan waarin armoede stilzwijgend erkend werd en men daarnaar handelde:

“Als [de kinderen] nieuwe kleren moesten hebben ja, dan (…) schrijfde [de winkelier dat] op totdat ik weer kinderbijslag had. (…) En dat ben ik niet alleen geweest, het zijn d’r veel mensen geweest die dat moesten hebben.” (Mevrouw M.)

2. Investeren in toekomstige generaties

Dit thema kwam voor vrouwen en mannen op verschillende manieren tot uiting. De vrouwen benadrukten dat ze geen mogelijkheden kregen tot het volgen van een opleiding. Voor enkelen leek dit een reden om hun eigen kinderen sterk te stimuleren om “door te leren”. Enkele mannen benadrukten het overdragen van specifieke beroepskennis of hun eigen onderneming aan de jongere generatie als een bron van trots en tevredenheid.

3. Acties ondernemen gericht op het omgaan met of verbeteren van sociaal-economische omstandigheden

Respondenten noemden verschillende manieren waarop zij actief omgingen met hun beperkte financiële middelen en waarop zij hun sociaal-economische positie gedurende hun leven iets wisten te verbeteren. Voorbeelden van het eerste zijn het maken van eigen kleren en het jarenlang opzij zetten van kleine beetjes geld om uiteindelijk een huis te kunnen bekostigen. Een voorbeeld van het laatste is het zelf bekostigen van een cursus om een betere baan te vinden:

“Ik had die cursussen. Uitbenen. En zo. Vlees afsnijden. (…) Dat werd ook niet betaald. Maar ja, je had toch een vak. Je kende toch iets. Je kende toch íets.” (Meneer van G.)

4. Het belang van sociale status in perspectief zetten

De meeste respondenten zeiden dat ze het niet breed hadden en hard en lang moesten werken. Desondanks gaven ze blijk van plezier in hun werk en trots op hun vaardigheden. Meneer E. zei over zijn werk als schoenmaker:

“Ik had meer in de vingers als in de kop. Ja, en daardoor geloof ik dat ik ook ontzettend veel plezier in ‘t werk heb gehad.” Een andere manier om het belang van een hoge sociale status in perspectief te zetten was het benadrukken dat andere aspecten van het leven belangrijker zijn dan het hebben van een hoge sociale status. Dit wordt kernachtig verwoord door Mevrouw D.: “Ik heb geen rijk leven gehad. Wel een rijk leven in de gezondheid”.

Verschillende respondenten gaven ook aan dat hun levensstandaard verbeterd was door de jaren heen. Deze verbeteringen schreven ze toe aan algemene maatschappelijke veranderingen, zoals de kinderbijslag en WW-uitkeringen.

5. Doorzetten

Het omgaan met zware tijden was voor sommige respondenten ook een kwestie van doorzetten. Dit kwam tot uiting in uitspraken als “geestelijk vechten” en  “je moet jezelf aanpakken”. Treffend is ook Meneer B’s definitie van veerkracht:

“[Veerkracht is] doorzettingsvermogen. (…) De wil om te doen. (…) Dat wij niet zeggen: ‘Laat maar zitten’”

Daarnaast vormde het geloof voor sommigen een belangrijke bron voor hun doorzettingsvermogen. Bidden bracht respondenten tot rust en religieuze leefregels boden sommige respondenten structuur in het dagelijks leven. Enkelen geloofden ook dat bidden een daadwerkelijke gunstige invloed had op de gebeurtenissen in hun leven.

6. Je neerleggen bij tegenslag

Tot slot gaven enkele respondenten aan dat ze zich hadden neergelegd bij tegenslagen. Met name in de context van sociale normen die destijds het opbouwen van een carrière voor vrouwen bemoeilijkten kwam dit thema tot uiting. Het zich kunnen neerleggen bij deze situatie leek er voor te zorgen dat onvervulde ambities geen bron van ontevredenheid meer waren:

“Ik heb me er bij neergelegd [dat ik geen talen kon studeren en kon reizen]. Je kunt er wel tegenin gaan en je kunt wel kwaad worden, maar daar heb je niks aan. Dus ik heb gedacht ja die mensen [mijn ouders] hebben niet meer geld” (Mevrouw R.)

“Ik had gewoon door willen leren en dan kijken hoe ver ik gekomen was. (…) Voor mij [was op kantoor werken een ambitie]. Maar misschien was dat helemaal niet voor mij geschikt geweest. De hele dag stilzitten. Ik bedoel. (…) Ik heb er later geen belemmering van gehad.” (Mevrouw K.)

Een totaalplaatje

De thema’s laten zien dat er zowel mentale als sociale hulpbronnen voor nodig zijn om veerkrachtig te zijn met een lage sociaal-economische positie. Ten opzichte van eerdere studies naar veerkracht is het investeren in jongere generaties – ook wel aangeduid met ‘generativiteit’ – een nieuwe bevinding. Daarnaast bevestigen onze bevindingen eerdere studies waarin kenmerken als zelfvertrouwen en optimisme met veerkracht in verband zijn gebracht. Onze studie nuanceert echter ook het heroïsche beeld van veerkracht dat vaak naar voren komt uit studies die persoonlijkheidskenmerken centraal stellen.

Veerkracht met een lage sociaal-economische positie lijkt een ‘totaalplaatje’ te vereisen; de aanwezigheid van sociale en individuele hulpbronnen, ingebed in een maatschappelijke context die groepen met een lage sociaal-economische positie ondersteunt. Het versterken van zulke hulpbronnen en het beter waarderen van de vaardigheden van mensen met een lage sociaal-economische positie zouden kunnen bijdragen aan het verkleinen van ongelijkheden in de gezondheid en het functioneren van ouderen.

 

Foto cover Geron 2019-1: Claudia Kamergorodski in: ‘100 % leven. Levenslessen van honderdplussers’ (2018) van Yvonne Witter. Amsterdam: Uitgeverij SWP.

Literatuurlijst

  1. Ferrer, R. L., & Palmer, R. (2004). Variations in health status within and between socioeconomic strata. Journal of Epidemiology and Community Health, 58(5), 381–387.
  2. Kok, A., Aartsen, M., Deeg, D., & Huisman, M. (2017). Sociaal-economische ongelijkheden in “succesvol ouder worden.” Mens En Maatschappij, 92(3).