De buurt en zorgrelaties
De afgelopen decennia is ingezet op langer thuis wonen. Het overgrote deel, maar liefst 95%, van de ouderen (65+) in Nederland woont zelfstandig thuis. Het aantal 80-plussers onder deze zelfstandig wonende ouderen neemt snel toe, en daarmee stijgt ook de kans op zorgbehoeften. Algemeen wordt daarom gedacht dat de vraag naar zorg in de buurt[1] toeneemt. Eerdere studies laten zien dat er een groeiend beroep wordt gedaan op directe naasten (Molema e.a., 2020). Allereerst op de partner, daarnaast op de kinderen (de Boer e.a., 2020). Door verschillende factoren, zoals de groeiende diversiteit in samenlevingsvormen, de verwachte toenemende vraag naar zorg en veranderingen in familierelaties en lagere geboortecijfers, wordt er, in ieder geval vanuit beleid, ook steeds meer verwacht van buurtgenoten. In deze context wordt er dan ook veel ingezet op zorgconcepten die (meer) inspelen op lokale relaties. Er zijn talrijke voorbeelden hiervan, zoals het ontwikkelen van Zorgzame buurten, het opzetten van Voorzorgcirkels, het organiseren van Lief & leed straten en het implementeren van Maatschappelijke zorg. Al deze voorbeelden trachten lokaal laagdrempelige ondersteuning te organiseren onder buurtgenoten en veelal doen ze dit door in eerste instantie de relaties in de buurt te versterken. In dit artikel gaan we in op informele zorg door buren in Nederland, hoe er wordt ingezet op het versterken van sociale relaties in de buurt om deze informele zorg onder buren te vergroten en hoe de fysieke leefomgeving hierin een rol kan spelen. We sluiten af met enkele korte reflecties over de vraag of het versterken van sociale relaties ook kan leiden tot het vergroten van onderlinge zorg tussen buren.
Zorg door buren in Nederland: valse hoop?
Het inzetten op het versterken van lokale relaties, zodat mensen elkaar in de toekomst als de nood zich aandient kunnen helpen, lijkt een logische gedachte. Of dit een realistisch scenario is hangt echter af van drie onderliggende vragen. Allereerst is het de vraag wie we eigenlijk willen benaderen voor hulp en ondersteuning. Ten tweede is het de vraag wat we voor elkaar willen doen en in hoeverre dit past bij de verwachting dat we voor elkaar zorgen. Veel van deze benaderingen hebben het in de context van zorg toch vooral over zorg die gegeven wordt als iemands fysieke gezondheid achteruitgaat. Ten derde is het de vraag of het inzetten op het vergroten van sociaal contact in de buurt voldoende is om voor elkaar te gaan zorgen. Ter beantwoording van de eerste vraag komen uit diverse onderzoeken redelijk eenduidige patronen naar voren. Van alle typen contacten in ons dagelijks leven verwachten we de minste hulp van buren en zijn we ook het minst geneigd hen om hulp te vragen. Deze verwachtingen en wensen zijn de afgelopen decennia vrij stabiel gebleven (de Boer e.a., 2021).
Als we dan kijken naar de tweede vraag, wat we voor elkaar willen doen, dan blijkt uit verschillende studies dat de verwachtingen en wensen rondom burenhulp veelal overeenstemmen. Buren geven en vragen elkaar gemiddeld genomen vooral ondersteuning bij afgebakende, kortdurende taken zoals boodschappen doen en de hond uitlaten. In veel mindere mate willen we buren vragen om persoonlijke verzorgingstaken, zoals douchen (de Boer e.a., 2020; Seifert & König, 2019). Bovendien wordt er ook onderscheid gemaakt in de normativiteit van burenhulp. Terwijl informele zorg van familieleden meestal vanzelfsprekend wordt verwacht, is dit bij buren in sterke mate afhankelijk van de persoonlijke relatie (Waverijn e.a., 2021; Blonk e.a., 2022).
De antwoorden op deze twee eerste vragen hangen samen met de derde vraag, die gaat namelijk over de aard en verwachtingen van burencontact. Hoewel er geen eenduidige definitie is van buren – immers een buurtgenoot kan ook een vriend zijn, en wat is het verschil tussen directe, naaste buren en iemand die verderop in de buurt woont? – lijken Nederlanders gemiddeld genomen het er wel over eens hoe ze het contact met buren wensen. Gevraagd naar deze verwachtingen en wensen blijkt dat zij het fijn vinden buren te kennen, maar ook enige mate van afstand en anonimiteit belangrijk vinden. Het is prettig om goed contact te hebben met de buren en elkaar te kennen, maar het liefst houden we deze relaties wel wat vrijblijvend (Blonk e.a., 2022).
In onderzoek wordt deze laatste vorm van relationele vertrouwdheid ‘publieke familiariteit’ genoemd. Buren komen elkaar regelmatig tegen in de openbare ruimte, herkennen elkaar, maken een praatje en dit geeft een gevoel van herkenning en vertrouwen. Er lijken hierbij verschillen te bestaan tussen plattelandse en stedelijke contexten: in meer rurale gebieden vormt deze publieke familiariteit vaak het beginpunt van burencontact, terwijl zij in stedelijke buurten eerder het eindpunt van burenrelaties is (Vermeij, 2008; cf. voor Vlaanderen: Volkaert e.a., 2021). Bekend is verder dat we eerder geneigd zijn tot het vragen en het aanbieden van hulp aan buren die we kennen. Dit betekent echter ook dat de mensen in meer kwetsbare situaties, die veelal minder contacten hebben in de buurt, juist buiten de boot dreigen te vallen (Linders, 2010b). Volgens Linders (2010a) heeft onze schroom om buren om hulp te vragen te maken met drie aspecten van het vragen en aanbieden van ondersteuning. Zij stelt dat mensen vaak liever geen hulp vragen (vraagverlegenheid), dat mensen het lastig vinden om hulp aan te bieden omdat ze zich niet willen opdringen (handelingsverlegenheid) en dat mensen het ook moeilijk vinden om hulp te aanvaarden, (acceptatieschroom). Wanneer burenhulp formeel wordt georganiseerd, bijvoorbeeld in een Voorzorgcirkel of buurtorganisatie, lijken deze vormen van ‘hulpverlegenheid’ te verminderen en neemt de kans toe om buren in kwetsbare situaties te bereiken met deze hulp.
Wat betekent dit voor onze verwachtingen dat buren voor elkaar zorgen? Allereerst dat dit dus niet vanzelfsprekend is en ook niet helemaal past bij wat we, tot nu toe, willen en verwachten van buren. Ten tweede dat als we toe willen naar een buurt waarin meer voor elkaar gezorgd wordt, dat er dan werk aan de winkel is. Gedacht wordt dat als buren af en toe wat voor elkaar doen, dit de sociale cohesie én de intentie tot vaker en intensiever voor elkaar zorgen versterkt. Tegelijkertijd wordt sociale cohesie niet alleen als middel, maar ook als randvoorwaarde gezien voor burenhulp. Dit laatste heeft zich in de afgelopen jaren vertaald in allerlei initiatieven die de sociale cohesie in buurten versterken, zoals bijvoorbeeld het verstevigen van sociale netwerken door buurtactiviteiten (Hoogenraad & van Kampen, 2025), of zoals het inzetten op ‘alledaagse attentheid’, waardoor sociale verbinding vergroot en versterkt wordt (Kremer, Parys & Verplanke, 2019).[2] De onderliggende redenering is dat laagdrempelig contact de relaties met buren kan versterken, waardoor uiteindelijk persoonlijke verbindingen ontstaan die passen bij de observatie dat we vooral zorgen voor buren met wie we persoonlijk contact hebben (Waverijn e.a., 2017).
Fysieke leefomgeving en zorgen voor elkaar
Sociale verbindingen in de buurt worden vaak sterker doordat bewoners meer of vaker met elkaar in contact komen. Wat nog vaak onderbelicht blijft, is hoe de fysieke leefomgeving dit contact kan ondersteunen. Met de fysieke leefomgeving bedoelen we, het RIVM volgende, de omgeving waarin wij wonen en leven, dat wil zeggen: de materiële en natuurlijke omgeving. De fysieke leefomgeving betreft onder andere: de gebouwde omgeving, de infrastructuur, de natuurlijke omgeving zoals water en groen, en de openbare ruimtes.
Dat de fysieke leefomgeving een belangrijke rol kan spelen in het ontmoeten van anderen is een weinig verrassend noch vernieuwend inzicht. Toch krijgt dit ruimtelijke aspect pas recent wat meer aandacht in de debatten over zorgen voor elkaar. Een recent voorbeeld is het rapport van de Raad van ouderen ‘Ruimte voor ouderen’, dat mobiliteit een sleutelrol geeft, en het subsidieprogramma Wijkscan gezonde leefomgeving: bewegen en ontmoeten voor ouderen. In dit subsidieprogramma werden gemeenten ondersteund bij het inzetten van een wijkscan die hen aanknopingspunten geeft om een leefomgeving te creëren voor ouderen die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten. Er zijn diverse methodieken voor dergelijke wijkscans. Zo zijn er naast de tool Positieve gezondheid op de tekentafel (IPH), de BVO wijkscan (Kenniscentrum Sport en Bewegen) en de GO!-methode (RIVM) nog heel veel andere methodieken en tools.[3]
In dit artikel gaan we dieper in op de rol van de leefomgeving in zorgen voor elkaar op basis van de analyse van de bevindingen uit één van deze wijkscan-methodieken: de ‘Zorg voor de buurtvisite’ (zie https://www.zorgsaamwonen.nl/thema/buurtvisites). Deze buurtvisites, uitgevoerd door stichting Thuis Voelen, bestaan uit het bestuderen van bestaande informatie over de buurt (bijv. openbare cijfers, eerdere rapporten) en een bezoek aan de buurt. Tijdens de visites staat centraal hoe deze buurten het mogelijk maken om langer thuis te blijven wonen met een zorgvraag. Veelal worden de bezoeken afgelegd door twee personen van Thuis Voelen, soms aangevuld door betrokkenen uit de buurt zoals professionals uit zorg en welzijn, het sociaal domein, buurtbewoners en gemeentelijke betrokkenen. Ze kijken daarbij nadrukkelijk naar de leefomgeving en hoe sociale- en ontmoetingsmogelijkheden bijdragen aan prettig ouder worden in de buurt. Ook kijken ze naar preventieve elementen in de buurt die zorg helpen te voorkomen of uit te stellen. Inmiddels zijn er meer dan dertig Zorg voor de buurtvisites uitgevoerd. Aan de hand van een inhoudsanalyse van 25 verslagen van Zorg voor de buurtvisites gaan we in op drie aspecten van de leefomgeving die relevant blijken voor sociale relaties in de buurt en mogelijk kunnen bijdragen aan het versterken van zorgen voor elkaar in de buurt.
Uit de verslagen blijkt dat de ruimte voor ontmoeting in de fysieke leefomgeving een belangrijk bijdrage kan hebben aan de sociale relaties in de buurt. Dit gaat verder dan een centrale plek voor ontmoeting, zoals een buurthuis of een plein, maar ook over hoe breed de stoepen zijn. Is er dan de mogelijkheid tot een praatje? Ook hoe die fysieke ruimte is ingericht is van belang, dat wil zeggen: er zijn niet alleen bankjes aanwezig, maar ze zijn zo neergezet dat ze ontmoeting mogelijk maken. Staan de bankjes op de autoweg gericht, of zijn ze in een cirkel gezet zodat buurtbewoners zich uitgenodigd voelen om elkaar te leren kennen? Fysieke grenzen interacteren met sociale grenzen, ze maken sociaal contact mogelijk, of juist lastiger, bijvoorbeeld als er een drukke weg ligt tussen het buurthuis en een grote flat. Bovendien vallen fysieke grenzen vaak samen met bestaande sociale patronen, waardoor deze benadrukt kunnen worden. Denk bijvoorbeeld aan een sloot, weg of grasveld tussen twee verschillende huizenblokken gericht op verschillende sociaaleconomische groepen. Zulke fysieke barrières kunnen dagelijks, laagdrempelig contact bemoeilijken of juist faciliteren. Het grasveld kan saai en onaantrekkelijk zijn, vol hondenpoep, waar je liever niet oversteekt, maar als er bijvoorbeeld op dat grasveld een buurttuin is kan het juist samenbrengen in plaats van contact belemmeren.

Een tweede aspect is dat er kansen moeten zijn voor ontmoeten. In de geanalyseerde verslagen is nadrukkelijk aandacht voor de infrastructuur van de leefomgeving. Zijn er bijvoorbeeld looppaden en bewegwijzering met afstandsduiding die het, ook op latere leeftijd, eenvoudig maken om er op uit te gaan en elkaar te zien? In hoeverre nodigt dit ook uit tot het daadwerkelijk gebruik maken van deze inrichting? De herkenbaarheid van voorzieningen is hierin van belang. In hoeverre weten de bewoners überhaupt wat er qua aanbod is in hun buurt? Kunnen omwonenden, maar ook andere mensen, voorzieningen vinden en er vervolgens gebruik van maken? Het gaat dan dus niet alleen om de aanwezigheid van voorzieningen, maar juist ook om de ontsluiting van deze voorzieningen, zodat deze toegankelijk en uitnodigend zijn voor buurtbewoners. Nadrukkelijk wordt daarbij gekeken naar multifunctionele voorzieningen die verschillende generaties, achtergronden en mensen in diverse levensfases samenbrengen, zoals een speeltuin met een fijne koffieplek met zitbanken en beweegruimte voor volwassenen erbij.

Ten derde blijkt uit deze verslagen dat het belangrijk is dat buurtgenoten het gevoel hebben bij elkaar te horen en zich thuis te voelen in de buurt. Wanneer mensen het gevoel hebben dat de buurt van hen is, en zij onderdeel uitmaken van de buurt, raakt dat aan de betrokkenheid van bewoners bij hun buurt en bij de voorzieningen die daar deel van uitmaken. Bewoners die zich onderdeel voelen van hun buurt zijn eerder geneigd zich in de buurt te begeven, er met aandacht mee om te gaan en willen uiteindelijk ook bijdragen aan de leefbaarheid. Het inspelen op en vergroten van een buurtidentiteit kan daarmee een belangrijke bijdrage leveren aan de leefbaarheid van de buurt. Juist op latere leeftijd kan dit belangrijk zijn, want een sterke buurtidentiteit kan de sociale relaties onderling verstevigen. Er zijn verschillende manieren waarop de inrichting van de leefomgeving kan helpen de identiteit van een buurt te versterken, bijvoorbeeld door het vergroten van herkenbaarheid door unieke bordjes, straatnamen, markeringen of het benadrukken van onderscheidende oriëntatiepunten zoals markante gebouwen of natuur in de buurt. Ook culturele elementen, zoals kunst en de buurtgeschiedenis kunnen een rol spelen in het ondersteunen van een buurtidentiteit. Hoewel de invloed van buurtidentiteit op de bereidheid om voor elkaar te zorgen nog niet zo eenduidig is (Linders, 2010a), is er wel redelijk wat bewijs dat het thuis voelen in de buurt van belang is voor een prettige leefomgeving voor ouderen en de tijd die mensen doorbrengen in de buurt (Muis e.a., 2021; Buffel e.a., 2011). Dit zou mogelijk ook kunnen bijdragen aan publieke familiariteit en alledaagse attentheid die dan wellicht weer ondersteunend kan zijn aan sociale relaties in de buurt, het versterken van buurtnetwerken en uiteindelijk de bereidheid tot zorgen voor elkaar.
Een goede buur is beter dan een verre vriend?
Uit bovenstaande blijkt dat de fysieke leefomgeving een belangrijke rol kan spelen in de mogelijkheden tot ontmoeten in de buurt. Kleine ingrepen in de leefomgeving dragen mogelijk bij aan publieke familiariteit en uiteindelijk aan alledaagse attentheid, sociale relaties en zorgen voor elkaar. Het is echter nog een open vraag hoe we de kennis bij de gemeenten en andere betrokken publieke organisaties krijgen, zodat zij deze inzichten meenemen in hun benaderingswijzen en dagelijkse praktijk.
Dit artikel gaat ook niet in op een essentiële, onderliggende vraag die een belangrijke kanttekening is bij onze bevindingen: willen we dit wel? In hoeverre willen we dat buren zorg verlenen aan ons? Zeker in situaties dat er sprake is van persoonlijke verzorging lijken Nederlanders slechts beperkt open te staan voor zorgen voor elkaar. Ook wat betreft instrumentele ondersteuning, bijvoorbeeld in dagelijkse activiteiten, hebben buren in Nederland een voorkeur voor afgebakende en liefst kortdurende inzet, zelfs als ze elkaar kennen. Daarbij valt ook op dat burenhulp ongelijk verdeeld is. Juist mensen in meer kwetsbare situaties hebben gemiddeld genomen een beperkter sociaal netwerk in hun buurt, minder sociaal kapitaal en ontvangen minder burenhulp (Linders, 2010b; Kremer, Parys & Verplanke, 2019; Muis e.a., 2021).
De verwachtingen en wensen die we hebben over contact met buren veranderen we niet zomaar. Dus gaan we als buren vaker en langdurig voor elkaar zorgen? Dat is nogal onzeker. Gelukkig is een buur niet altijd alleen een buur. Buren en vrienden lopen nogal eens door elkaar, en soms zijn familieleden ook buurtgenoten (c.a. 5-7% van de Nederlanders, Mollenhorst, Völkers & Schutjens, 2009). Wat dat betreft kan elkaar ontmoeten in de buurt toch een belangrijke ondersteunende rol spelen in het vergroten van de bereidheid om voor elkaar te zorgen. Immers, mogelijkheden tot ontmoeting door inrichting van de fysieke omgeving of het mogelijk maken van sociale activiteiten kunnen ervoor zorgen dat er overlappende, – ook wel multiplexe – relaties ontstaan en buren vrienden worden. Is een goede buur(t) beter dan een verre vriend zoals het welbekende gezegde stelt? Ja, maar vooralsnog vooral in tijden van kortdurende ondersteuning. Voor nu is het wellicht het beste om in te zetten op een goede buur die ook een vriend of familielid is.
Dankwoord
We danken Hetti Willemse en Ad van Elzakker van stichting Thuis Voelen voor het beschikbare stellen van hun expertise, tijd en de verslagen van de Zorg voor de buurtvisite. Voor meer informatie over stichting Thuis Voelen: https://www.zorgsaamwonen.nl/stichtingthuisvoelen. De Zorg voor de buurtvisites en het onderzoek hiernaar zijn tot stand gekomen met steun van het Jo Visser fonds en het Hofje Codde en Van Beresteyn.
[1] De buurt wordt gezien als het laagste regionale niveau. We volgen hierin de CBS definitie: “Een buurt is een onderdeel van een gemeente, dat op basis van historische dan wel stedenbouwkundige kenmerken homogeen is afgebakend. Homogeen wil zeggen dat één functie dominant is, bijvoorbeeld woonfunctie (woongebied), werkfunctie (industriegebied) of recreatieve functie (natuurgebied). Functies kunnen echter ook gemengd voorkomen.”
[2] “Alledaagse attentheid houdt in dat mensen signaleren of een ander een helpende hand nodig heeft, en die dan ook bieden of ten minste zorgen dat iemand anders die biedt. Alledaagse attentheid is vaak incidenteel. Het gaat niet om grote gebaren maar om aardigheid en betrokkenheid die het dagelijks leven verlichten en veraangenamen[.]” (Kremer, Parys & Verplanke, 2019, p. 53)
[3] Zie voor een overzicht CROW-KpVV: https://www.crow.nl/kennisproducten/wijkscans-voor-ouderen/