184 Weergaven
10 Downloads
Lees verder
Vanuit een gepercipieerd tekort aan professionele en niet-professionele zorgverstrekkers én een ouder wordende bevolking, worden er steeds nieuwe manieren gezocht om de huidige golf van technologische gezondheidsinnovatie in de gezondheidszorg ook in te passen in de ouderenzorg. Voorbeelden hiervan zijn zorgrobots, zoals Pepper, Nao of de Care-O-Bot.

Zorgrobots – zorgende machines?

Zorgrobots zijn belichaamde technologieën die zo worden ontwikkeld en geprogrammeerd dat zij een bepaalde onafhankelijkheid hebben waardoor deze ouderen alsook hun zorgverstrekkers zowel fysiek als sociaal kunnen ondersteunen (Vandemeulebroucke, 2019). Onderzoek toont aan dat er tenminste vier redenen zijn waarom zorgrobots een plaats kunnen hebben in de ouderenzorg:

  1. De technologische vooruitgang met betrekking tot artificiële intelligentie leidt tot zorgrobots die beter kunnen communiceren met hun gebruikers (Jecker, 2020).
  2. Een klein aantal studies toont aan dat ouderen geen aanstoot nemen om met zorgrobots om te gaan (Jecker, 2020).
  3. Zorgrobots zijn gemakkelijk schoon te maken wat deze veilig maken voor interactie (Jecker, 2020).
  4. Zorgrobots kunnen ook een aanwezigheid in het leven van ouderen zijn waardoor er tegemoet kan worden gekomen aan mogelijke gevoelens van eenzaamheid. Of zoals een oudere deelnemer tijdens een focusgroepstudie georganiseerd door mezelf en mijn collega’s zei “Het [de zorgrobot] is iemand die er is en waartegen je kan praten. En misschien antwoordt het of misschien niet, maar… je hebt het tenminste gezegd […] en dat is ook al iets goeds.” (Vandemeulebroucke, 2019, p. 101).

Een literatuurstudie van alle kwalitatieve empirische studies met ouderen (bijvoorbeeld interviews of focusgroepen) tot en met het jaar 2016 die ik samen met collega’s heb ontwikkeld, toonde aan dat volgens ouderen zorgrobots een vijftal functies kunnen vervullen in de ouderenzorg (Vandemeulebroucke, 2019):

  1. Net omdat zij belichaamde technologieën zijn, worden zorgrobots beschouwd als mogelijke ondersteuning bij fysiek belastende taken zoals het heffen en rondbrengen van objecten of bij taken in het algemene huishouden.
  2. Zorgrobots worden ook beschouwd als middelen die kunnen helpen bij cognitieve ondersteuning. Vooral ouderen helpen bij het ophalen van herinneringen en bij het herinneren van afspraken, van het uitvoeren van fysieke oefeningen, van medicatie-inname worden hierbij aangehaald.
  3. Ouderen zien zorgrobots als een mogelijk veiligheidssysteem. Deze bewegen zich dynamisch in de leefomgeving van de oudere, zij het een woonzorgcentrum of een particuliere woning. Door de aanwezigheid van sensoren kan bijvoorbeeld worden vastgesteld dat een oudere is gevallen en niet meer kan opstaan, hetgeen kan worden gesignaleerd aan een derde partij, bijvoorbeeld een familielid, een nabijgelegen woonzorgcentrum of een ziekenhuis.
  4. Zorgrobots worden ook beschouwd als een vorm van vermaak. Ouderen gingen ervan uit dat zorgrobots muziek zouden kunnen afspelen of dat er spelletjes zouden op kunnen worden gespeeld. Hierbij werd benadrukt dat vermaakfuncties moeten aansluiten bij de leefwereld van ouderen.
  5. Tot slot werd duidelijk dat zorgrobots ook een vriendschapsfunctie voor ouderen kunnen vervullen. Volgens sommige ouderen die deelnamen aan de geanalyseerde studies zouden zorgrobots tegemoet kunnen komen aan gevoelens van eenzaamheid. Anderen bekeken deze mogelijke vriendschapsfunctie dan weer met veel scepsis, vanuit het idee dat zorgrobots machines zijn die per definitie niet over gevoelens of empathie beschikken.

Het lijkt er dus op dat zorgrobots, alvast vanuit het perspectief van ouderen, een mogelijke toekomst hebben in de ouderenzorg. Niettemin, naast deze functies kan het gebruik van zorgrobots ook ethische spanningen veroorzaken die in acht moeten worden genomen.

We kunnen zorgrobots opvatten als “medicijnen” (Vandemeulebroucke e.a., 2022). Wat kenmerkend is aan medicijnen is dat zij simultaan zowel curatieve als negatieve gevolgen kunnen hebben. Het volgen van de voorschriften van medicijnen heeft als doel de mogelijkheid van curatieve gevolgen te vergroten en de mogelijkheid van negatieve te verkleinen. Dit geldt ook voor zorgrobots en hun ethische impact. Ethische analyse en beleid kunnen hier dan worden opgevat als een “voorschrift” bij het ontwerp, de ontwikkeling, en het gebruik van zorgrobots in de ouderenzorg. Zo wordt de mogelijkheid dat het gebruik van zorgrobots leidt tot een positieve impact groter en de mogelijkheid dat het gebruik leidt tot ethische spanningen kleiner (Vandemeulebroucke e.a., 2022).

Zorgrobots – van directe tot indirecte ethische spanningen

Om dit “ethische voorschrift” te ontwikkelen is het een goed idee om zorgrobots voor te stellen als wereldobjecten. Hiermee geef ik aan dat technologische objecten zoals zorgrobots een impact hebben op de wereld als een geheel en niet enkel op specifieke locaties (Feenberg, 2017). Inderdaad, zorgrobots die bedoeld zijn om op één specifieke locatie te worden gebruikt, zij het een particuliere woonst of een woonzorgcentrum in een bepaalde regio of land, belichamen verschillende relaties en processen die de gehele wereld bestrijken. Omgezet in een ethische taal betekent het idee van zorgrobots als wereldobjecten dat er tenminste vier intergerelateerde niveaus van mogelijke ethische spanningen worden onderscheiden (zie figuur 1): het individueel-relationeel niveau, het organisatorisch niveau, het maatschappelijk niveau, en het globaal niveau. Afhankelijk van het niveau kunnen we spreken van ethische spanningen die direct of indirect waarneembaar zijn.

Figuur 1. Overzicht niveaus van mogelijke ethische spanningen bij het gebruik van zorgrobots in de ouderenzorg

In het huidige debat over zorgrobots in de ouderenzorg wordt momenteel gefocust op het individueel-relationeel niveau en wordt er nagegaan wat de impact kan zijn van het gebruik van zorgrobots op de individuele oudere en haar/zijn/hen nabije sociale netwerk. Ethische spanningen die op dit niveau worden behandeld hebben veelal betrekking op de autonomie en de waardigheid van ouderen en de hiervan afgeleide thema’s, zoals privacy of het bedriegen van ouderen door hen te laten geloven dat de zorgrobot iets is wat het niet is, namelijk een levend wezen. De ethische principes die meestal worden gebruikt om met deze spanningen om te gaan zijn ‘respect voor autonomie’, ‘goed doen’, ‘schade vermijden’, en ‘rechtvaardigheid’.

Op het organisatorisch niveau verlegt de focus zich naar de organisatorische structuur die ouderen en hun sociale netwerk omvat. Deze structuur verwijst zowel naar de institutionele ouderenzorg (bijvoorbeeld woonzorgcentra) als naar de niet-institutionele ouderenzorg (bijvoorbeeld de familie). Hier worden veelal vragen gesteld over de motivatie achter het mogelijke gebruik van zorgrobots en hoe dit gebruik te rijmen valt met de identiteit van een zorgorganisatie. Bijvoorbeeld: wordt het mogelijke gebruik van zorgrobots gestuwd door een bepaald ideaal van goede zorg of is het eerder vanuit socio-economische criteria dat het gebruik wordt overwogen? Beide motivaties zullen een verschillende impact hebben op de ethische dimensie van het gebruik van zorgrobots. Ook moet er worden stilgestaan bij de technische infrastructuur die nodig is om een goed gebruik te garanderen. Als de infrastructuur niet of onvoldoende is uitgebouwd om goed gebruik te garanderen, dan zal dit uiteindelijk leiden tot ethische spanningen. Men kan hier bijvoorbeeld denken aan het gebrek aan goed beveiligde dataservers waardoor de privacy van ouderen en hun sociaal netwerk in het gedrang komt.

Het maatschappelijk niveau van de ethische analyse leidt tot kritische reflectievragen over de plaats van technologie, de zorg en ouderen in onze maatschappij. Wat wil het gebruik van zorgrobots in de ouderenzorg ons zeggen over onze opvattingen over ouderen en hun zorg en de plaats van technologie hierin? Is deze praktijk een uitdrukking van een nieuwe opvatting over de zorg voor ouderen? Of is deze praktijk eerder een gevolg van een bepaalde automatisering van de ouderenzorg nog voordat de machine haar intrede deed door de nadruk te leggen op kwantificeerbare criteria? Horen we namelijk niet vaak dat zorggevers zich soms net als robots voelen in het huidige zorglandschap? Zullen zorggevers nieuwe technische eigenschappen moeten ontwikkelen om zorg te garanderen? En als dit zo is, spreken we dan nog wel over zorggevers en over zorg? Of hebben we dan eerder te maken met een technische praktijk die lijkt op het geven van zorg? Wat zegt het over onze opvatting over ouderen als we terug moeten vallen op zorgrobots om de zorg voor ouderen te kunnen garanderen? Zal de inbreng van zorgrobots ook de inbreng betekenen van nieuwe private bedrijven, met hun eigen belangen, en hoe zal dit de machtsrelaties in de ouderenzorg beïnvloeden? Tot slot kunnen we ons ook de vraag stellen welke soort zorg we willen nalaten voor de generaties ouderen van de toekomst. Is het gebruik van zorgrobots een zorgpraktijk die we willen nalaten voor de oude dag van onze kinderen en hun kinderen? Als maatschappij stellen we ons te weinig deze en andere vragen waardoor het gebruik van zorgrobots als een soort natuurlijke kracht over ons komt en waaraan wij ons moeten aanpassen. Deze opvatting over zorgrobots leidt veelal opnieuw tot ethische spanningen en tot een attitude van moedeloosheid, namelijk dat er geen andere keuze is dan om deze technologische evolutie te aanvaarden (Vandemeulebroucke, 2019).

Tot slot, met het globale niveau verwijderen we ons het meest van de directheid van onze lokale ouderenzorg en beschouwen we deze in relatie tot de globale wereld. Dit wil zeggen dat er wordt stilgestaan bij hoe onze lokale ouderenzorg zich verhoudt tot andere zorgsystemen in de wereld, tot andere mensen in de wereld, tot de globale natuurlijke omgeving enzovoort. Door deze lens wordt de aandacht gevestigd op wat de mogelijke menselijke en natuurlijke kost is om zorgrobots te ontwikkelen en te gebruiken. In 2019 werd bijvoorbeeld ongeveer 53,6 miljoen ton elektronisch afval geproduceerd, waarvan slechts 17,4% duurzaam gerecycleerd werd. Het niet duurzaam recycleren van elektronisch afval leidt tot een grote destructieve natuurlijke impact en verhoogt het risico op bepaalde ziektes (bijvoorbeeld bepaalde kankers, respiratoire ziektes) in landen en gemeenschappen met veelal een minder uitgebreid zorgsysteem (WHO, 2021). Soortgelijke risico’s vinden ook plaats in de ontwikkeling van zorgrobots, bijvoorbeeld bij het delven van natuurlijke mineralen om de nodige technische materialen te vervaardigen. Als onze ouderenzorg in toenemende mate zou steunen op het gebruik van technologie, waaronder zorgrobots, wat is onze verantwoordelijkheid met betrekking tot deze globale menselijke en natuurlijke tol? En ook al zijn deze ethische spanningen van een indirecte aard voor onze lokale ouderenzorg, in een wereld die wordt gekenmerkt door natuurlijke crisissen en sociale onrust, is het van belang dat deze vragen worden beantwoord.

Voorbij de ethische waan van de dag

Het geschetste ethische landschap over het gebruik van zorgrobots in de zorg voor ouderen is complex en bestaat uit verschillende niveaus. Verschillende tools, zoals waarde gedreven design of co-creatie, alsook ethische kaders (zie bijvoorbeeld Vandemeulebroucke e.a., 2021) kunnen worden gebruikt als voorschrift om begeleid te worden in de navigatie doorheen dit landschap. Het is enkel door voorbij te gaan aan de ethische waan van de dag en kritisch stil te staan bij de verschillende niveaus waarop ethische spanningen kunnen ontstaan dat een goede zorg, met of zonder zorgrobots, kan worden gegarandeerd voor de lokale ouderenzorg, de globale ouderenzorg, de wereld, en voor de ouderen van de toekomst.

Literatuurlijst

  1. Feenberg (2017). Technosystem. The social life of reason. Cambridge, Massachusetts & London: Harvard University Press.
  2. Jecker, N. S. (2021). You’ve got a friend in me: sociable robots for older adults in an age of global pandemics. Ethics and Information Technology 23(suppl1), 35-43. DOI: 10.1007/s10676-020-09546-y.
  3. Vandemeulebroucke, T. (2019). The use of socially assistive robots in the care for older adults: a socio-historical ethical analysis. Leuven: Leuven university Press.
  4. Vandemeulebroucke, T., Mertens, E., Denier, Y., Gastmans, C. (2021). Technologische gezondheidsinnovaties. Ontwikkeling van een ethisch evaluatiekader. Leuven: Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Report No. 2021/09 62 EF47(2)-Ethiek. Zie https://cdn.nimbu.io/s/5s8z9pq/channelentries/e9e9sdv/files/2021_14_Rapport_62_SWVG_EF47_2__Ethiek.pdf?be18f3m (Toegang op 14 december 2023).
  5. Vandemeulebroucke, T., Mertens, E., Denier, Y., Gastmans, C. (2022). Which Framework to Use? A Systematic Review of Ethical Frameworks for the Screening or Evaluation of Health Technology Innovations. Science and Engineering Ethics 28(3), 26. 10.1007/s11948-022-00377-2. [Epub before Print].
  6. World Health Organization (WHO) (2021). Children and Digital Dumpsites: E-waste Exposure and Child Health. Geneva: World Health Organization.Een uitgebreide literatuurlijst kan worden opgevraagd bij de auteur.