139 Weergaven
10 Downloads
Lees verder
De zorg voor ouderen staat onder druk. Om de zorg uitvoerbaar, toegankelijk en betaalbaar te houden en bovenal persoonsgericht en kwalitatief op hoogwaardig niveau, is een andere manier van zorgen nodig, waarbij technologische hulpmiddelen een rol kunnen spelen. Hoe doen we dat op een manier die echt werkt?

Rol van het technologische hulpmiddel

Om tot anders zorgen te komen, kunnen we op drie speelvelden innovaties inzetten: ten behoeve van het voorkomen of het verplaatsen van zorg en voor het verbeteren van zorg en zorgrelaties (zie tabel 1). Deze categorieën zijn niet strikt gescheiden: zo kan monitoring op afstand van aandoeningen zoals COPD (een chronische obstructieve longziekte) en hartfalen niet alleen leiden tot succesvol verplaatsen van zorg, maar ook tot betere kwaliteit van de zorg en het voorkomen van (zwaardere) zorg.

Tabel 1. Doel van het inzetten van innovatieve, technologische, hulpmiddelen

Voorkomen van zorg

Hulpmiddelen die bijdragen aan zelf- of samenredzaamheid leiden doorgaans tot minder zorg. Ze zijn niet per definitie digitaal van aard (zoals hulpmiddelen voor het aantrekken van steunkousen) maar steeds vaker wel, zoals medicijndispensers of robotica [zie kader A, B en C].

A: Een stukje vrijheid
“Thuiszorgmedewerker Iris merkt dat cliënten door de inzet van de medicijndispenser een stukje meer zelfredzaam blijven. [..] Mantelzorger mevrouw Duits ervaart dat de medicijndispenser haar een stukje vrijheid geeft omdat ze niet meer aan de medicatie van haar echtgenoot hoeft te denken” (narratief, HBO-V afstuderen, Van Spaendonck, E., ZuidZorg, 2021).

B: Als de techniek vastloopt
“[..] De dag van levering van de medicijndispenser bij meneer Engels is aangebroken. Hij laat hem lekker in de doos zitten voor de wijkzorg om te installeren. Voor de juiste instellingen neemt de zorgverlener telefonisch contact op met de helpdesk en zij is positief over het contact en de bereikbaarheid ervan. Maar een dag later zit er een pil vast in de medicijndispenser, het zakje is verkeerd geladen waardoor het blijft haken. De dispenser blijft piepen en rood knipperen. Meneer weet niet wat hij moet doen. Hij trekt in paniek aan het medicatiezakje van die dag waardoor er drie zakjes uitkomen in plaats van één. De medicijndispenser blijft piepen. Als de zorgverlener komt, geeft ze het medicatiezakje van die dag handmatig aan meneer” (narratief, HBO-V afstuderen, Scheffer, D. 2022, Vitalis WoonZorg Groep).

C: It takes two to tango
“Begin maart is meneer Fransen aan het oefenen met de ‘Handylegs’ voor het aan- en uittrekken van zijn steunkousen. Hij is gemotiveerd om te leren en oefent dagelijks. Met het goed positioneren van de hak heeft hij moeite […]. Na een paar dagen is hij, naar hij zegt, zelfredzaam in het aan- én uittrekken van zijn steunkousen met de ‘Handylegs’. Maar wijkverpleegkundige Sonja twijfelt aan zijn therapietrouw [….]; er valt niet te controleren of hij daadwerkelijk zijn kousen draagt. […..] Hij heeft de ‘Handylegs’ in bruikleen en moet een eigen hulpmiddel regelen voor permanent gebruik […] In verband met de indicatiestelling moet hij dit aanvragen via zijn ergotherapeut. Meneer Fransen spreekt af dat hij snel een afspraak plant […]. Midden april heeft hij nog steeds geen eigen hulpmiddel. De ‘Handylegs’ is inmiddels teruggehaald. Hij krijgt weer twee keer per dag zorg om de steunkousen aan- en uit te trekken” (narratief, HBO-V afstuderen, Boshuijzen, I., Zorgmed 2023).

Bovenstaande fragmenten uit casestudies over de medicijndispenser illustreren dat technologie helpend kan zijn bij het voorkomen van zorg, waarbij tegelijkertijd de kwaliteit ervan verbetert mits alles goed werkt. Ook blijkt dat het niet zozeer de technologie zelf is die bepalend is of de inzet slaagt, maar vooral de gebruikers hebben de slaagkans in handen [zie kader B en C]. De effectiviteit van het hulpmiddel wordt grotendeels bepaald door procedures en de betrokken mensen die hiermee (moeten) werken.

Verplaatsen van zorg

Veel zorg die van oudsher in het ziekenhuis plaatsvond, kan ook in de eerste lijn thuis worden geleverd. Dat bespaart ziekenhuisbezoek en maakt patiënten medeverantwoordelijk voor het monitoren van hun eigen ziekte-indicatoren, terwijl het ook just in time ingrijpen mogelijk maakt, dat wil zeggen: op het moment dat er werkelijk iets aan de hand is. Een ander voorbeeld van verplaatsing van zorg is door deze op afstand te verlenen in plaats van fysiek bij iemand thuis, zoals met beeldzorg [kader D].

D: Samen een controlemomentje
“Sommige teams in een zorgorganisatie zijn actiever met beeldzorg dan andere. De teams die er niet of nauwelijks mee werken, maken zich zorgen over de persoonsgerichte zorgrelatie. [..] Meneer Janssen is 84 jaar oud en woont alleen. Ondanks zijn goede cognitie, vergeet hij door zijn chaotische karakter wel eens zijn medicijnen in te nemen of twijfelt of hij dat heeft gedaan. Hetzelfde geldt voor de pleisters voor zijn hart, die meneer dagelijks op zijn borst moet plakken en verwijderen […]. In mei 2022 wordt beeldzorg bij meneer gestart om de fysieke thuiszorg te beperken tot twee keer in de week hulp bij het douchen. Beeldzorg is gekozen om meneer zelf aan te leren de pleister op de borst te verwijderen en te plakken. Meneer Janssen vertelt dat hij zich vóór de inzet van beeldzorg onzeker voelde. Om zijn twijfels te uiten, belde hij dan zijn kinderen op, die dat belastend vonden. Met beeldzorg voelt het innemen van de medicijnen en het plakken van de pleisters voor hem als een gezamenlijke verantwoording met de wijkverpleegkundigen, omdat het toch een controlemomentje is” (narratief, HBO-V afstuderen, Damen, F., Zorgboog, 2024).

Ook dit narratief laat zien dat technologie een mooie bijdrage kan leveren (in dit geval bij het verplaatsen van zorg), maar ook kan leiden tot betere zorg (meneer Janssen voelt zich zekerder). Opvallend is dat niet alle zorgprofessionals dit ook zo ervaren. Zij zien technologie als iets dat de zorgrelatie in de weg staat. Ook hier geldt: de mensen die ermee werken maken de technologie tot een succes.

Verbeteren van zorg

(Technologische) hulpmiddelen kunnen ook ingezet worden voor de verbetering van zorg en kwaliteit van leven. Bijvoorbeeld door gepersonaliseerde toegang van bewoners tot bepaalde binnen- en buitenruimtes te reguleren met leefcirkels. Via deursensoren wordt aan mensen met dementie een grotere actieradius geboden dan de gesloten afdeling waar ze verblijven, waardoor de autonomie van mensen beter kan worden gerespecteerd. Dit wordt bijvoorbeeld beoogd met Tinyrobot Tessa. Een cliënt wordt via vragen door Tessa geactiveerd om zelf een bepaalde activiteit uit te voeren, zonder tussenkomst van een zorgverlener [kader E en F].

E: Een robot als vriend
“Mevrouw Eijkens is heel blij met haar zorgrobot en noemt haar ‘mijn vriend’. Mevrouw zegt dat deze gezelligheid biedt omdat ze met een ‘ja of nee’ antwoord moet geven als de zorgrobot haar bevraagt over de medicatie inname. Ze vindt het knipogen van Tessa heel leuk. Mevrouw Eijkens reageert na een aantal weken nog steeds positief op de zorgrobot en neemt sindsdien haar medicatie beter in” [..] “Zorgverlener Mien is wat terughoudend wat de zorgrobot betreft. Ze maakt zich zorgen  de controle te verliezen op de medicatie-inname  én op het contact met haar cliënten, als er meer van worden ingezet” (narratief, HBO-V afstuderen, Olasz,T., Vitalis WoonZorg Groep, 2022).

F: Angstige reactie op Tessa
“Wijkverpleegkundige Marjolein legt aan Mevrouw Spierings uit dat ze zorgrobot Tessa heeft meegebracht, waar ze laatst een foto van had laten zien en had uitgelegd dat deze haar misschien zou kunnen helpen. Mevrouw Spierings kijkt niet vrolijk en geeft aan dat ding niet nodig te hebben. Nadat haar zoon uitlegt dat het haar misschien kan helpen met kleine herinneringen, wil ze het dan toch even proberen. Als ze het niks vindt zou Tessa zo weer weg zijn. Samen met mevrouw en haar zoon wordt Tessa ingesteld, zodat deze haar iedere morgen herinnert aan het wassen en aankleden en ’s avonds aan het dichtdoen van de voordeur. De volgende morgen komt Marjolein bij mevrouw Spierings binnen. Ze ziet dat de ogen van Tessa uit zijn. Als ze beter kijkt ziet ze dat de stekker van zowel het internetkastje als Tessa eruit zijn getrokken. Als Marjolein vraagt hoe dat komt zegt mevrouw dat ze dat ding maar eng vindt en niet nodig heeft. Ze kan het allemaal nog prima zelf “(narratief, HBO-V afstuderen, Bolt, L., Vitalis WoonZorg Groep, 2023).

Dit narratief illustreert het belang om voor het inzetten van technologie alle gebruikers intensief te betrekken, waarbij de technologie door allen wordt omarmd, ook emotioneel, en waarbij het nut ervan wordt ingezien.

Inzetten van technologische hulpmiddelen is mensenwerk

Technologische hulpmiddelen kunnen een flinke bijdrage leveren aan het voorkomen, verplaatsen en verbeteren van zorg. Desondanks is de implementatie ervan in de praktijk niet eenvoudig. De belangrijkste reden is dat ze vaak worden ingezet in complexe contexten, voor kwetsbare mensen met vaak meerdere aandoeningen, waarbij verschillende mensen moeten investeren om het tot een succes te maken.

Zelfs relatief eenvoudige technologische hulpmiddelen illustreren de complexiteit van het implementeren. De toepassingen uit kader A en E (geheugensteuntjes voor het innemen van medicatie) worden door zowel de zorgvrager, de zorgverlener als de mantelzorger gewaardeerd. Toch blijkt meer nodig dan een positieve houding, zoals kader B illustreert. Het vraagt van de zorgprofessional veel meer dan alleen uitleg bij de cliënt. Bijvoorbeeld als medicatie niet uit de medicijndispenser wordt genomen en men daarvan een signaal krijgt, of als het apparaat vastloopt en iemand vrij snel moet acteren, wat weer consequenties heeft voor de rest van de werkzaamheden. Ook geeft de digitale technologie geen garantie voor ‘therapietrouw’ zoals kader F laat zien. Maar dat geldt ook voor niet-digitale hulpmiddelen, zoals blijkt uit kader C. Ten slotte is er de uitdaging om zorgverleners de technologie te laten omarmen zoals kader D laat zien.

Om de implementatie van technologie, en ook specifiek de zorgtechnologie, beter te begrijpen, zijn er verschillende modellen en theorieën ontwikkeld. We gaan in op een paar ervan. Of een technologie nu nuttig is en gemakkelijk in het gebruik, de kern van het Technologie Acceptatie Model (Venkatesh e.a., 2003) is niet generiek vast te stellen. Het wordt bepaald door het perspectief dat men heeft. Desondanks kan het model een goed uitgangspunt zijn om over nut en gebruiksgemak in gesprek te gaan met verschillende betrokkenen en te vragen wat er volgens hen moet gebeuren om het nuttig en bruikbaar te maken.

Hoe groter het aantal verschillende betrokkenen, hoe ingewikkelder het wordt. Bij de inzet van medicijndispensers zijn doorgaans een beperkt aantal stakeholders betrokken, terwijl dat voor een concept als leefcirkels heel veel mensen betreft. Bij leefcirkels dragen bewoners een polsbandje met een sensor dat hen, afhankelijk van de persoonlijke instelling, toegang geeft tot meer of minder andere ruimten buiten de eigen afdeling, binnen of soms ook buiten het verpleeghuis. De invoering hiervan gaat veel mensen aan, zowel zorgmedewerkers maar ook medewerkers bij de receptie of in het restaurant, of familieleden. Allemaal mensen met verschillende belangen en gezichtspunten. En voor werknemers verandert het   de zorg- en werkprocessen: de zorg voor bewoners speelt zich nu gedeeltelijk ook buiten de eigen afdeling af. Het integreren van dit soort technologie vraagt dus meer dan het waarborgen van nut en gebruikersgemak van elke gebruiker afzonderlijk (Venkatesh e.a., 2003).

Een theorie die inzichtelijk maakt waar een organisatie aan moet werken om technologie te laten landen, is de Normalisation Process Theory (May & Finch, 2009). Deze maakt gebruik van vier ‘constructen’. Het eerste construct is Coherence, dat gaat over het gemeenschappelijke doel dat iedereen zou moeten omarmen (in het geval van leefcirkels: bewegingsvrijheid). Het tweede, Cognitive Participation, dat zoiets betekent als beseffen en actief bijdragen aan de veranderprocessen die nodig zijn. Het derde construct is Collective Action, dat gaat over vaak praktische ondersteuning zoals een goede helpdesk, trainingen en onvoorwaardelijke steun van het management. Reflexive Monitoring ten slotte gaat over het evalueren op gezette tijden waardoor opnieuw de inbreng van alle betrokkenen essentieel is. 

Nog ingewikkelder wordt het bij monitoring op afstand voor chronische aandoeningen zoals hartfalen en COPD. Daarbij zijn diverse disciplines betrokken, maar er ligt ook een deel van de verantwoordelijkheid van de metingen bij de patiënt of diens mantelzorger. Ook vraagt het een andere en intensieve samenwerking tussen eerste en tweede lijn, die historisch gezien gescheiden zijn. Diverse belangen, ook financiële, juridische en beleidsmatige vraagstukken, dienen zich aan en moeten besproken en opgelost worden voordat een dergelijke transformatie kan plaatsvinden (Greenhalgh e.a., 2017). Zo zal de aanschaf en het onderhoud vergoed moeten worden, bijvoorbeeld door zorgverzekeraars, en speelt wetgeving omtrent bijvoorbeeld privacy (AVG: Algemene Verordening Gegevensbescherming), medische hulpmiddelen (MDR: Medical Device Regulation) en onvrijwillige zorg (Wzd: Wet zorg en dwang) een rol.

Investeer in het mensenwerk rondom innoveren met Technologie

Alles bij elkaar genomen, kan het inzetten van (technologische) hulpmiddelen als een disruptor worden gezien, die zorgprocessen, belangen en waarden behoorlijk op scherp zet. Maar je kunt er ook anders naar kijken, namelijk als versneller van zorgtransformaties. Juist omdat het vraagt om met partijen aan tafel te gaan zitten over ieders perspectief. Anders gezegd: gebruik technologie om een gesprek te voeren, een gesprek dat anders misschien niet of veel minder indringend gevoerd wordt.

Literatuurlijst

  1. Greenhalgh, T., Wherton, J., Papoutsi, C., Lynch, J., Hughes, G., A’Çourt, C., Hinder, S., Fahy, N., Procter, R., Shaw, S. (2017). Beyond adoption: a new framework for theorizing and evaluating non-adoption, abandonment, and challenges to the scale-up, spread, and sustainability of health care technologies. J Med Internet Res, 19(11), e367.
  2. May, C. & Finch, T. (2009). Implementing, embedding, and integrating practices: an outline of normalization process theory. Sociology, 43, 535.
  3. Venkatesh, V., Morris, M.G., Davis, G.B. & Davis, F.D. (2003). User acceptance of information technology: toward a unified view. MIS Quarterly, 27, 3, 425-478.