Doel
Op verschillende beleidsniveaus is het nodig rekening te houden met de vergrijzing. Zo ook op het lokale niveau. De centrale vraag daarbij is: Hoe maken we van een vergrijzende samenleving een warme samenleving waar iedereen de kans krijgt op een prettige oude dag? Iedereen moet mee kunnen evolueren in een samenleving die de welzijnsvoorzieningen duurzaam in stand houdt. Iedereen moet mee kunnen genieten van de intra- en intergenerationele solidariteit.
Het lokale niveau is cruciaal, vanwege zijn rechtstreekse verbondenheid met de ouderen van nu en morgen. Het ouderenbeleid dient dan ook op dit niveau een horizontale bevoegdheid te zijn, waarbij alle domeinen van het leven aan bod komen. Een leeftijdsvriendelijk beleid (age-friendly cities) is nodig.
Naast het opzetten van een seniorvriendelijke leefomgeving dient men het actief ouder worden mogelijk te maken. Betrokken blijven bij het maatschappelijk gebeuren, actieve sport-, vrije tijds- en cultuurbeleving, sociale contacten, blijven leren, vrijwilligerswerk, betrokkenheid in politiek, enzovoort.
Naast actief ouder worden zijn er nog strategieën van belang voor de verbetering van de levenskwaliteit. Zo mag het belang van solidariteit en vrijwilligerswerk niet worden onderschat. Ook preventie is cruciaal: een gezonde levenshouding, valpreventie, de preventie van eenzaamheid, enzovoort.
Het stimuleren van het samenhorigheidsgevoel en het sociaal contact zijn belangrijke aandachtspunten. Een levendig buurtleven met goed bereikbare diensten en voorzieningen doorbreekt het sociaal isolement.
Een dergelijke integrale aanpak kan best gebeuren indien men planmatig te werk gaat.
Naast de nood aan een planmatige aanpak is het ook belangrijk dat we senioren betrekken bij het maken van beleidsdoelstellingen en het nemen van beleidsbeslissingen. Via dit onderzoek van de Vrije Universiteit Brussel (VUB) willen we inzicht krijgen in de structurele verankering van dit beleidsvoornemen.
Methodologie
Met een surveyonderzoek door middel van een vragenlijst werd inzicht verworven in de aanwezigheid, de werking en de inhoud van lokale ouderenbeleidsplannen en in de structurele inbedding. De bevraging is gebeurd in alle 308 Vlaamse steden en gemeenten. De vragenlijst bestond uit 27 vragen en werd onderverdeeld in vier delen, met name:
- de administratieve gegevens van de stad of gemeente, bijvoorbeeld het aantal inwoners.
- de werking van het beleid voor ouderen: wie is bevoegd? Is een schepen (in Nederland wethouder) bevoegd voor ouderen? Wie in de administratie neemt dit thema op?
- de inhoudelijke gegevens met betrekking tot de ‘age-friendly cities’ (AFC): in hoeverre omvat het beleid de acht dimensies uit het AFC-model van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO, 2007): openbare ruimtes, mobiliteit en transport, wonen, sociale inclusie, sociale participatie, maatschappelijke participatie, gezondheidszorgvoorzieningen en communicatie en informatie?
- de opvolging van de doelstellingen of acties: hoe worden planningen opgevolgd?
Figuur 1. De acht dimensies uit het AFC-model van de Wereldgezondheidsorganisatie
Resultaten
In totaal vulden 111 steden en gemeenten de vragenlijst in. De meeste steden hebben een schepen en ambtenaar specifiek bevoegd voor ouderenbeleid, alsook een seniorenadviesraad en een aparte budgettering. Om een beleidsplan op te stellen, maken de lokale besturen gebruik van informatie via adviesraden, individuele personen of via meerdere gefundeerde onderzoeken. Deze resultaten in tabel 1 tonen aan dat de structurele verankering van het ouderenbeleid meestal gerealiseerd is.
Bevraagd item |
Percentage aanwezigheid |
Schepen specifiek bevoegd |
96% |
Seniorenadviesraad |
93% |
Ambtenaar specifiek bevoegd |
70% |
Aparte budgettering voor seniorenwerking |
80% |
Tabel 1. Structurele verankering van de beleidsparticipatie van ouderen
Minder goed is het gesteld met de uitbouw van de ‘age-friendly cities’. Dit concept is duidelijk nog niet wijdverspreid in Vlaanderen. Er wordt weinig systematisch met dit model gewerkt. Daar waar dat wel gedaan wordt, bijvoorbeeld in Gent en Sint-Niklaas, evalueert men de aanpak als positief. Het model fungeert als een belangrijke toetssteen.
Wel zijn er heel wat doelstellingen binnen een stad of gemeente gecreëerd die we kunnen onderbrengen in één van de acht domeinen van de ‘Global age-friendly cities’; maar ze worden anders benoemd en zijn fragmentarisch aanwezig.
Domein |
Prioriteit |
1. Publieke ruimte/gebouwen |
Zitgelegenheden, rustbanken (58 %) |
2. Vervoer |
Gespecialiseerde diensten (51 %) |
3. Wonen |
Levenslang wonen (40 %) |
4. Maatschappelijke participatie |
Maatregelen om isolement te voorkomen (57 %) |
5. Respect en sociale inclusie |
Respect van andere leeftijdsgroepen (50 %) |
6. Burgerparticipatie en tewerkstelling |
Inzetten op vrijwilligerswerk (75 %) |
7. Communicatie en informatie |
Informatieaanbod (63 %) |
8. Welzijns- en gezondheidsdiensten |
Toegankelijke dienstverlening (67 %) |
Tabel 2. Inzet op de domeinen van de WHO (prioritaire thema’s)
Meer uniformiteit in beleidsplannen
Vlaamse lokale overheden zijn op meerdere fronten actief voor senioren. Op gevaar af de planlast te verhogen, durven we te pleiten voor uniforme en aparte ouderenbeleidsplannen die vorm krijgen op basis van de WHO-gids. Het zou de transparantie van het lokaal en horizontaal seniorenbeleid ten goede komen en het mogelijk maken doelstellingen en acties beter op te volgen en te evalueren. Binnen het departement gerontologie van de VUB willen we daar in elk geval een speerpunt van maken.