Kernwoorden:


10 Weergaven
0 Downloads
Lees verder
Frailty en intrinsieke capaciteit zijn twee populaire manieren om de gezondheid van ouderen te meten. Het een meet kwetsbaarheid, het ander meet juist wat iemand wél kan. Uit onderzoek met LASA-data blijkt dat deze twee meetinstrumenten bij jongere ouderen heel verschillende groepen aanwijzen, en dat ze op hogere leeftijd steeds vaker dezelfde mensen aanwijzen. Dat maakt beide meetinstrumenten waardevol: elk belicht een ander aspect van gezond ouder worden.

Hoe beoordeel je de gezondheid van iemand die ouder wordt? In de wetenschap bestaan daarvoor twee bekende manieren. Frailty (kwetsbaarheid) betreft wat er mis is: hoeveel gezondheidsproblemen iemand heeft. Intrinsieke capaciteit kijkt juist naar wat iemand wél kan op het gebied van energie, beweging, zintuigen, geheugen en stemming. Een vraag die daarbij opkomt is of frailty en intrinsieke capaciteit misschien twee uitersten zijn van hetzelfde fenomeen, waarbij de één ongezonde veroudering beschrijft en de ander gezonde veroudering. Of brengen ze werkelijk iets anders in beeld? Die vraag stond centraal in ons onderzoek.

Twee manieren om ouder worden te meten

Frailty is een begrip dat al lang bekend is in de ouderengeneeskunde (Hoogendijk e.a., 2017). Het gaat om de ophoping van kleine en grote gezondheidsproblemen: hart- en vaatziekten, moeite met lopen, vergeetachtigheid, somberheid, en meer. Hoe meer van deze problemen iemand heeft, hoe kwetsbaarder diegene is. Een veelgebruikte methode om frailty te meten is de frailty index: een lijst van gezondheidsbeperkingen die samen een score oplevert van 0 (helemaal niet kwetsbaar) tot 1 (zeer kwetsbaar).

Intrinsieke capaciteit is een nieuwer begrip, geïntroduceerd door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO, 2016). Het meet de eigen capaciteiten van een persoon op vijf gebieden: vitaliteit (spierkracht, conditie), zintuigen (zien en horen), geheugen en denkvermogen, psychologisch functioneren, en mobiliteit (lopen en bewegen). Een hoge score betekent dat iemand op al deze gebieden goed functioneert. Intrinsieke capaciteit is dus een positieve maatstaf: het kijkt naar wat iemand kan, niet naar wat er ontbreekt.

Sommige onderzoekers en artsen denken dat frailty en intrinsieke capaciteit eigenlijk twee kanten van dezelfde medaille zijn: wie kwetsbaar is, heeft ook een lage intrinsieke capaciteit, en omgekeerd (Belloni en Cesari, 2019). Maar klopt dat ook echt? Om die vraag te beantwoorden analyseerden wij gegevens van 3246 deelnemers aan de Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA), een langlopend bevolkingsonderzoek naar ouder worden in Nederland.

Werkwijze

Op basis van hun frailty-score en score voor intrinsieke capaciteit werden alle deelnemers ingedeeld in vier categorieën (1) mensen die noch kwetsbaar waren noch een lage intrinsieke capaciteit hadden, (2) mensen met alleen een lage intrinsieke capaciteit, (3) mensen die alleen kwetsbaar waren, en (4) mensen die zowel kwetsbaar waren als een lage intrinsieke capaciteit hadden. Een lage intrinsieke capaciteit werd gedefinieerd als een totaalscore in het laagste kwartiel van de hele groep. Iemand was kwetsbaar als de frailty-score boven de drempelwaarde van 0.25 lag, een grens die in eerder onderzoek is vastgesteld. Voor elke leeftijdsgroep, in stappen van drie jaar vanaf 57 jaar, bekeken we hoe de verdeling over deze vier categorieën veranderde met de leeftijd. Om beter te begrijpen wat die categorieën in de praktijk betekenen, vergeleken we ook de scores op de vijf afzonderlijke domeinen van intrinsieke capaciteit tussen de groepen: vitaliteit, zintuigen, denkvermogen, psychisch welbevinden en mobiliteit.

Jongere ouderen versus oudere ouderen: twee heel verschillende groepen

Bij de jongste deelnemers (57-59 jaar) was de situatie duidelijk: de grote meerderheid (87.7%) was niet kwetsbaar (categorie 1) en had ook geen lage intrinsieke capaciteit (categorie 1). Opvallender is echter dat 7,3% alleen kwetsbaar was (categorie 3) en 2,8% alleen een lage intrinsieke capaciteit had (categorie 2). Samen laat dit zien dat frailty en intrinsieke capaciteit bij jongere ouderen voor een klein deel verschillende mensen aanwijzen: iemand kan kwetsbaar zijn zonder een lage intrinsieke capaciteit, en omgekeerd. Slechts 2.2% viel in categorie 4, waarbij beide kenmerken tegelijk aanwezig waren (zie figuur 1). Dit laat zien dat de twee meetinstrumenten bij jongere ouderen niet volledig samenvallen: voor een klein deel van de mensen wijzen ze in verschillende richtingen. Wie was kwetsbaar maar had toch een relatief hoge intrinsieke capaciteit? En omgekeerd: wie had een lage intrinsieke capaciteit maar was toch niet kwetsbaar? Dat zijn vragen die klinisch relevant zijn. Iemand die een lage intrinsieke capaciteit heeft maar niet als kwetsbaar wordt geclassificeerd, zou weleens een vroeg stadium van achteruitgang kunnen doormaken. Dit zijn mensen die baat zouden kunnen hebben bij vroege ondersteuning, voordat de situatie verder verslechtert.

Naarmate mensen ouder worden, verandert het beeld sterk. Bij de groep van 87-89 jaar was meer dan de helft (53.6%) kwetsbaar én had een lage intrinsieke capaciteit. Bij de 90-plussers liep dit zelfs op tot 56.8%. De categorie die ‘geen van beide’ had, kromp sterk: van 87.7% bij de jongsten naar 8.6% bij de oudsten (figuur 1). Opvallend was ook dat de categorie ‘alleen kwetsbaar’ door de jaren heen relatief stabiel bleef (rond de 7%), terwijl de categorie ‘alleen lage intrinsieke capaciteit’ met de leeftijd toenam. Dit suggereert dat intrinsieke capaciteit vaak eerder afneemt dan dat iemand als kwetsbaar wordt geclassificeerd, maar dit hoeft niet voor iedereen zo te verlopen.

Wat zeggen de vijf domeinen?

Om beter te begrijpen wat de vier categorieën in de praktijk betekenen, vergeleken we ook de scores op de vijf afzonderlijke domeinen van intrinsieke capaciteit: vitaliteit, zintuigen, denkvermogen, psychisch welbevinden en mobiliteit (zie figuur 2). Het patroon was consistent: mensen in de categorie ‘geen van beide’ scoorden op alle domeinen het hoogst, en mensen in de categorie ‘beide’ het laagst. De verschillen tussen de categorieën waren het grootst voor psychisch welbevinden, terwijl de verschillen voor mobiliteit kleiner waren. Interessant was ook dat mensen die ‘alleen kwetsbaar’ waren op de meeste domeinen hoger scoorden dan mensen met ‘alleen lage intrinsieke capaciteit’. Dit ondersteunt het idee dat een lage intrinsieke capaciteit soms een vroeg signaal van achteruitgang kan zijn, nog voordat frailty zichtbaar wordt.

Wat betekent dit in de praktijk?

Onze bevindingen laten zien dat frailty en intrinsieke capaciteit niet hetzelfde zijn.Op alle leeftijden wijzen ze deels overlappende en deels verschillende groepen aan, en dat patroon verandert met de leeftijd. Bij jongere ouderen belichten ze duidelijk verschillende aspecten van gezondheid. Dit heeft gevolgen voor hoe we de gezondheid van ouderen beoordelen en ondersteunen.

In de gezondheidszorg wordt momenteel vooral gekeken naar kwetsbaarheid (frailty). Maar iemand die niet kwetsbaar is, kan al wel een lage intrinsieke capaciteit hebben. Als we alleen naar frailty kijken, missen we deze mensen. Omgekeerd kan iemand die al als kwetsbaar wordt gezien, een relatief hoge intrinsieke capaciteit hebben op sommige gebieden, wat vooral op hogere leeftijd kansen biedt voor gerichte interventies. Intrinsieke capaciteit is bovendien opgebouwd uit vijf aparte domeinen. Dit biedt gedetailleerde informatie dan één totaalscore. Iemand kan op het gebied van mobiliteit achteruitgaan, terwijl het cognitief prima gaat. Zulke informatie kan helpen bij het aanpassen van zorg en ondersteuning op de persoon.

Tegelijkertijd zijn er nog open vragen. Intrinsieke capaciteit is een relatief nieuw concept en er is nog geen algemeen geaccepteerde manier om het te meten. Het is ook nog niet duidelijk wanneer je het best welk instrument inzet: gaat een lage intrinsieke capaciteit altijd vooraf aan kwetsbaarheid, of verloopt dit bij iedereen anders? Longitudinaal onderzoek naar de tijdsvolgorde waarin mensen de categorieën doorlopen is nodig om dit te verduidelijken.

Conclusie: twee manieren om ouder worden te beschrijven

Frailty en intrinsieke capaciteit meten verschillende aspecten van ouder worden. Ze zijn geen synoniemen, maar vullen elkaar aan. Bij jongere ouderen brengen ze duidelijk andere groepen in beeld. Bij oudere ouderen is er vaker sprake van overlap, maar blijven de instrumenten ook op hoge leeftijd niet volledig samenvallen. Voor een volledig beeld van de gezondheid van een oudere persoon is het waardevol om beide perspectieven te gebruiken: zowel kwetsbaarheid als intrinsieke capaciteit. Zo ontstaat er ruimte voor zowel preventie als gerichte ondersteuning.

Dit artikel is gebaseerd op: Qi Y, Van Schoor NM, Schaap LA, Hoogendijk EO. (2015). Disentangling the overlap between frailty and intrinsic capacity in older adults. Experimental Gerontology, 213:113006.

Literatuurlijst

Hoogendijk, E.O., Theou, O., Rockwood, K., Onwuteaka-Philipsen, B.D., Deeg, D.J.H., & Huisman, M. (2017). Development and validation of a frailty index in the Longitudinal Aging Study Amsterdam. Aging Clin Exp Res. 29(5):927–33. DOI 10.1007/s40520-016-0689-0

World Health Organization. WHO clinical consortium on healthy ageing: topic focus: frailty and intrinsic capacity: report of consortium meeting, 1–2 December 2016 in Geneva, Switzerland. Geneva: World Health Organization; 2017.  Contract No.: WHO/FWC/ALC/17.2.

Belloni, G., Cesari, M. (2019). Frailty and Intrinsic Capacity: Two Distinct but Related Constructs. Front Med (Lausanne), 6:133. doi.org/10.3389/fmed.2019.00133