435 Weergaven
0 Downloads
Lees verder

Interview Thijs van Mierlo foto 2

Thijs van Mierlo is directeur van het Landelijk Samenwerkingsverband Aandachtswijken, afgekort LSA, dat 4 jaar geleden werd omgedoopt tot Landelijk Samenwerkingsverband Actieve Bewoners. Hij kwam na zijn afstuderen in de Sociale Wetenschappen aan de Universiteit Utrecht vrij snel terecht bij het Landelijk Samenwerkingsverband, eerst als buurtcoach en later als leidinggevende. Volgens Thijs is het een voordeel dat hij zelf ook opbouwwerker is want zijn hart ligt daar. Hij is getraind in samenlevingsprocessen en wil ervoor zorgen dat de samenleving zoveel mogelijk zelf in staat is om vorm te geven aan de leefomgeving. Er zijn collectieven en andere disciplines binnen sociaal werk die zich wat meer richten op individuele hulpverlening; binnen LSA richt men zich meer op wat mensen zelf en gemeenschappen samen kunnen bereiken.


Laten we even stilstaan bij de ontstaansgeschiedenis van LSA. Hoe is dat orgaan ontstaan en wie waren de initiatiefnemers?

We zijn 32 jaar geleden opgestart als een project van toentertijd het LCO, het Landelijk Centrum Opbouwwerk, de vakvereniging van opbouwwerkers. We zijn begonnen ten tijde van het “Probleem Cumulatie Gebieden beleid”, dat was toen de Rijksoverheid voor het eerst aandacht had voor een opeenstapeling van problemen in grootstedelijke gebieden en daarvoor een aanpak aan het ontwikkelen was. De initiatiefnemers bij dit landelijk initiatief waren in eerste instantie zowel opbouwwerkers als actieve bewoners in het land, die samenkwamen en die lokaal al een netwerk vormden, om een verbeteringsaanpak voor een wijk te maken. Het LCO bracht hen samen in een landelijk netwerk met vooral een platformfunctie. Dat was de belangrijke eerste functie van het LSA.

Toen ik er als buurtcoach werkzaam was, organiseerden we een project met de naam Kan wél!, gestoeld op de ‘Asset Based Community Development’ benadering (ABCD). Die benadering werd toentertijd ingekocht door woningbouwcoöperaties in het land en zet zich eigenlijk af tegen de toen heersende vormen van welzijnswerk.

Wij vinden het belangrijker om te kijken naar wat er al aan krachten en sterke punten in een gemeenschap aanwezig zijn

Kunt u dat even toelichten? Wat houdt de ABCD-methode precies in?

Je zou kunnen zeggen dat de ABCD-methode in het DNA van het LSA zit. Dat is ook onze manier van kijken. In onze ogen is het iets meer een methodische benadering dan een echte methodiek. Het is een internationaal beproefde benadering, ontstaan in Chicago, met John McKnight als één van de belangrijke oprichters. De benadering gaat uit van een aantal belangrijke principes. Eén ervan is ‘focus on what’s strong, not what’s wrong’. Dat is het “Asset Based” gedeelte: kijk naar alle hulpbronnen, alle assets, die in wijken of gemeenschappen aanwezig zijn om bepaalde uitdagingen het hoofd te bieden en bouw vandaar uit aan relaties. En het is altijd ‘internally focused’. Het werkt altijd van binnen naar buiten. Je kijkt eerst naar wat er in een wijk of gemeenschap is en pas vervolgens ga je kijken naar wat we van buitenaf nodig hebben aan geld, professionele ondersteuning, extra huisvesting en dergelijke. De dominante benadering in Nederland is nog steeds vooral te kijken naar wat mensen niet kunnen. Wij vinden het belangrijker om te kijken naar wat er al aan krachten en sterke punten in een gemeenschap aanwezig zijn.

‘Focus on what’s strong, not what’s wrong’

In hoeverre zijn jullie succesvol als organisatie? Hoe meten jullie succes?

Het meten van succes is heel ingewikkeld, via impactmetingen. Een van de methodes die wij gebruiken is de ‘theory of change’. We hebben een soort van verandertheorie opgesteld: hoe werken we aan grote veranderingen in de maatschappij; hoe ziet onze impact eruit? En als je daarnaar kijkt, dan zou je kunnen zeggen dat in de laatste jaren, in de beleidsstukken van zowel lokale als Rijksoverheid, steeds vaker bewoners als centrale actoren worden gezien. Dat is één van de manieren waaraan je kan zien dat we succes hebben met het agenderen bij de overheid; dat je meer moet kijken naar de kracht van de samenleving. Je ziet langzaamaan dat welzijnsorganisaties op andere manieren gaan werken en ook kijken naar bijvoorbeeld zo’n ABCD-benadering of proberen aan te sluiten bij wat bewonersinitiatieven lokaal al doen en daarop aanvullend te zijn. Dat zijn twee voorbeelden waaraan we kunnen zien dat we langzaamaan succes boeken, ook als landelijke organisatie.

Waar zijn jullie nu mee bezig als belangrijke projecten?

Een van de prioritaire thema’s is het versterken van de lokale democratie en het aanbrengen van vernieuwing daarin. Dus het zoveel mogelijk betrokken krijgen van inwoners bij maatschappelijke vraagstukken en dus ook die ruimte geven aan beleid en regelgeving.

Maar hoe doe je dat? Hoe betrek je inwoners bij zo’n lokale democratie? Je moet ze aanspreken, neem ik aan? Via allerlei kanalen mensen proberen warm te maken voor jullie initiatieven, toch?

Ja, het aantal bewonersinitiatieven in dit land is erg stijgend. Enerzijds hebben we een platform, met succesvolle verhalen over bewoners die zelf initiatief hebben genomen over bepaalde delen van maatschappelijke vraagstukken. Wat we doen, is heel veel bijeenkomsten organiseren, een website onderhouden en naar andere digitale manieren zoeken om mensen te benaderen. En tegelijkertijd proberen we ook te sleutelen aan de voorwaarden van bewonersinitiatieven. Het meest tekenende voorbeeld daarvan is de ‘right to challenge’: het gaat er eigenlijk over dat bewoners het recht hebben om bepaalde publieke taken over te nemen met overheveling van de middelen. Dus je mag bij een gemeente aankloppen en zeggen: “het vervoer van ouderen, dat wordt nu uitbesteed aan een taxibedrijf, maar wij denken dat we dat veel beter kunnen. En wij willen dat graag op een andere, betere manier doen.”

Hoe zit het dan met initiatieven van/voor ouderen?

Vele bewonersinitiatieven of burgerinitiatieven spelen zich af binnen het sociale domein en vooral binnen informele zorg, gaande van maatjesprojecten tot mobiliteitsprojecten, bijvoorbeeld mensen die met een buurtbus of met een elektrische auto boodschappenhulp organiseren of met leenauto’s vrijetijdsactiviteiten en dagbesteding.

We zien een opkomst in woonprojecten die proberen zelf regie te voeren over wonen en woonvormen

Een hele andere loot aan de stam daarin zijn projecten rondom wonen. We zien een opkomst in woonprojecten die proberen zelf regie te voeren over wonen en woonvormen zoals de nieuwe combinatie van wonen en zorg, woongemeenschappen, CPO-projecten (Collectief Particulier Opdrachtgeverschap), herontwikkeling van vastgoed richting gezamenlijk wonen, zoals de Knarrenhofjes bijvoorbeeld. Er is nauwelijks een overheid of een woningbouwsector of andere markt die dit op dit moment betaalbaar organiseert. Daarom zijn we zelf ook veel bezig met bewustwording en dan met name bij de generaties senioren die nog vitaal zijn, die nog ondernemingslust hebben om het netwerk uit te bouwen en dat kunnen organiseren.

Er is toch een vraag van ouderen, en van mensen in het algemeen, om zelf de regie over hun eigen leven te kunnen voeren. Op een bepaald moment was de overheidsbemoeienis zo sterk dat je niet meer de idee had zelf initiatieven te kunnen nemen. Dat wordt nu wel teruggeschroefd?

Ja, daar sluit ik me volledig bij aan. Het primaire vraagstuk gaat over hoe jij en met wie jij wil wonen als je niet meer zelfstandig kan wonen, de manier waarop je zorg wil organiseren en inkopen, het gaat om keuzevrijheid. In dat vacuüm is er geen partij die dat voor ons regelt en waarbij we kunnen aankloppen, anders dan de markt en dat is inderdaad wel zorgelijk. Volgens mij zijn we massaal op zoek naar nieuwe arrangementen die enerzijds recht doen aan de eigen regie die mensen daarover hebben en kijken naar wat er aan collectieve kracht is in buurten en samenlevingen om een deel daarvan op te vangen, en anderzijds kijken naar wat we vanuit de overheid en professioneel moeten regelen. Dat vraagt een nieuw samenspel. Want de ouderen van nu zijn anders dan de ouderen van vroeger. En daar zijn we naar op zoek.

Maar ouderen zijn onderhevig aan aftakeling. Langzaam zie je dat de schade in je leven ervoor zorgt dat je minder mogelijkheden hebt.

Ik pleit er ook voor dat we kijken naar ouderdom als een zelfstandige levensfase die ook aandacht behoeft. Net zoals we jongeren een andere vorm van bescherming geven dan jongvolwassenen. Daar moeten we heel precies naar kijken. Maar we moeten ook kijken naar het individu, want wat bijvoorbeeld de ene 65-jarige nodig heeft, is anders dan wat een andere senior nodig heeft.

Ik pleit er ook voor dat we kijken naar ouderdom als een zelfstandige levensfase die ook aandacht behoeft

Er zijn verschillende burgerinitiatieven, je hebt er al enkele genoemd. Maar hoe duurzaam zijn ze? Moeten ze overeind blijven in de tijd of kunnen ze ook terugvallen? Bijvoorbeeld omdat het doel is bereikt. Hoe ziet u dat?

Dat is een discussie die we vaak horen. Duurzaamheid is een belangrijk goed, ook voor bewonersinitiatieven maar ik vind ook dat een initiatief mag stoppen en mag besluiten: “we hebben bereikt wat we wilden”. Hetzelfde mag een burgerinitiatief ook institutionaliseren, meer richting een vaste voorziening. Daar is niks mis mee noch met het ene noch met het andere. Het is gewoon een andere dynamiek. Het is zoals bij jezelf als je vrijwilliger bent. Mag je stoppen als vrijwilliger? Wat mij betreft, mag je stoppen. Dat is je eigen keuze. Een van de nieuwe ‘buzz words’ is de sociale basis. Dat is het weefsel aan bewoners, onderlinge hulp, burgerinitiatieven, verenigingen en organisaties en ook wel het sociaal werk soms. Dat is het soort sociale basis waar je op bouwt en dat vraagt om een wendbare overheid, namelijk een overheid die wat meer afstand houdt en die pas instapt als het bewonersinitiatief wat minder duurzaam blijkt.

We zien dat steeds meer burgers, ook ouderen, initiatieven nemen. Wat zijn de uitdagingen in dat verband naar de toekomst toe? Wat zijn eventuele knelpunten?

Duurzaamheid is daar één van: kunnen we voldoende bestuurskracht vinden en kunnen we voldoende mensen vinden die ook na de pioniersfase aanblijven? Samenwerkingen met professionele organisaties en overheden blijken ook heel lastig. We zien dat die daar niet op ingericht zijn. We zien welzijnsorganisaties die burgerinitiatieven als concurrenten zien. We zien zorgorganisaties die de deur dichtgooien en allerlei problemen zien rond privacy, rond kwaliteit van zorg, of vooral vinden dat zij zelf met hun professionele vaardigheden dat veel beter zouden kunnen. En we zien ook overheden die het heel moeilijk vinden om zich te verhouden tot burgerinitiatieven, om publieke middelen over te dragen, om los te laten, om te durven aansluiten bij de kracht van zulke initiatieven.

Uitdagingen zijn er ook op financieel vlak?

Burgerinitiatieven kunnen heel veel zonder geld, maar in een bepaalde fase zijn ook middelen en geld nodig. Je ziet dat het systeem daar onvoldoende op ingericht is. We hebben in de politiek de mond vol van preventie maar we trekken dan niet de portemonnee open. We willen allerlei waarborgen, allerlei impactmetingen want we willen op voorhand zéker weten dat het succesvol is en de maatschappelijke impact daaraan is toe te schrijven terwijl we de afgelopen 50 of 100 jaar hebben geleerd dat je die garanties niet krijgt. Over het algemeen vind ik dat er te veel energie gestoken moet worden in het aandragen van bewijslast, in het krijgen van een beetje financiële publieke middelen. Ik zeg wel eens: na de decentralisatie in dergelijke organisaties, in het sociale domein, zijn we vergeten om de volgende stap te zetten. We hebben gedecentraliseerde budgetten en het mandaat van de Rijksoverheid naar de gemeente met fikse bezuiniging, maar we zijn vergeten te kijken naar wat dat betekent voor gemeenschappen en voor wijken.

We hebben in de politiek de mond vol van preventie maar we trekken dan niet de portemonnee open

Een belangrijke schakel in het geheel is de vrijwilliger. Hoe krijg je die vast en hoe houd je die vast?

Als ik het precieze antwoord had dan was ik heel rijk geweest. Belangrijk is dat het initiatief aansluit bij de levensfase van de vrijwilliger, bij zijn/haar intrinsieke motivatie en drijfveren, dat hij/zij het minder doet vanuit een plichtsgevoel. Cijfers tonen aan dat de bereidheid er nog is. Veel beter is het te spreken over de ‘actieve bewoner’. Mensen zijn mondiger geworden en dat nemen ze mee hun drijfveren voor vrijwillige inzet, het individu is voorop komen te staan en dat geldt ook voor de vrijwilliger.

Je sprak ook over een mooi project rond eenzaamheid dat jullie op poten hebben gezet. Minister de Jonge heeft in Rotterdam wat succes geboekt met een project rond eenzaamheid en wil dat nu landelijk uitzetten. Het is een prachtig onderwerp, maar er zijn toch ook nog andere dingen die hij kan bedenken? Doen jullie dat project omdat dit moest van de minister?

De minister heeft 14 actieprogramma’s, dus het is niet zo dat hij niet aan andere dingen denkt. Wij zijn hiermee begonnen niet omdat de minister dit wilde, en niet omdat er een Rotterdamse aanpak was, maar omdat onze achterban bij ons aanklopte. Zij zien dingen waar ze zich zorgen over maken en denken dat zij met elkaar een oplossing kunnen bieden en willen dat graag. Ze hebben de infrastructuur, ze hebben maaltijdprojecten, buurthuizen die ze zelf runnen en ze hebben allerlei diensten die ze kunnen aanbieden. Maar ze zien dat ze een bepaalde doelgroep niet bereiken, mensen waarvan ze vermoeden dat ze eenzaam zijn: een groot deel ouderen, maar zeker niet alleen ouderen. Wat dat betreft, is eenzaamheid een heel egalitair ding: iedereen kan eenzaam worden. Alle generaties, iedere leeftijd, hoog- tot laagopgeleid, etcetera. Mensen klopten bij ons aan maar ook wij hebben niet alle antwoorden. We zagen dat de kennis over eenzaamheid, namelijk ‘wat is dat nu?’ weinig aanwezig was. En dat iedereen het zocht in een soort ‘quick fix’. Grote bedragen bijvoorbeeld van fondsen werden via een project gestoken in de inrichting van keukens in buurthuizen. Want (de idee was): een keuken laat toe te koken voor mensen en dan heb je maaltijdprojecten en dat zal dan wel de eenzaamheid tegengaan.

Hoe hebben jullie het dan aangepakt?

Eenzaamheid komt voor in heel veel verschillende vormen en soms kun je ze verlichten door mensen afleiding te bieden, soms kun je mensen ook coping skills aanleren, en soms kan je mensen ook helpen in het accepteren dat eenzaamheid eigenlijk bij het leven hoort. Eenzaamheid is het verschil tussen het aantal en het type relaties dat je wil versus de relaties die je daadwerkelijk hebt. En dat verschil of die spanning veroorzaakt nou net eenzaamheid.

Vooral coping en acceptatie lijken ons belangrijk?

Ja, dat klopt. En er komt misschien nog één ding bij. Het is wetenschappelijk aangetoond dat wij als mens een negatievere perceptie van mensen hebben op het moment dat we denken dat zij eenzaam zijn. Dus we moeten ook werken aan collectieve beeldvorming. Eén van de betrokkenen bij dit project, Birgit Oelkers, heeft hierover een blog geschreven en gezegd: “eenzaamheid is geen aandoening, maar een gebrek aan gemeenschapszin”. Dus eenzaamheid is geen ziekte, maar hoort er gewoon bij en we moeten leren om daarmee om te gaan als individu. Zowel de eenzame zelf als de omgeving.

Eenzaamheid is geen ziekte, maar hoort er gewoon bij en we moeten leren om daarmee om te gaan als individu

Welke inzichten hebben jullie gehaald uit het project?

Eén van de inzichten is dat mensen betrokken moeten zijn, dat ze een rol en een functie moeten hebben, dat ze nodig zijn, dat ze gezien worden, al is het maar om een deel van die eenzaamheidsgevoelens te verminderen of weg te nemen. Maar daar hebben we, denk ik, met elkaar nog heel veel in te leren. Vervolgens hebben we bij de minister aangeklopt en gezegd: wat wij hier leren, gaan we samen verder ontwikkelen. Dit is een heel belangrijk aanvullend aanbod op al dat geweld van lokale coalities tegen de eenzaamheid en een hoop professionele inzet en hulpverleners die aan de keukentafel komen praten en vragen ‘hoe gaat het met je? en ‘hier heb je een voorbeeldje van wat je allemaal zou kunnen doen’.

Zo komen we een beetje bij de laatste vraag. Een bruggetje. Je bent nog hartstikke jong, want je bent nog geen 40. Maar je wordt ooit wel een keer 65 of 70 of 80. Hoe denk je daarmee om te gaan? Hoe zie je jezelf ouder worden?

Ik spiegel me altijd een beetje aan mijn moeder. Zij is deze maand 70 geworden. Ze heeft altijd in het ouderenwerk gewerkt en is zich heel erg bewust dat je maatregelen moet nemen zodat je zelf de regie houdt over je ouder worden. Dat betekent nù bouwen aan een sterk netwerk. De vraag is dan hoe doe je dat? Nou, ik ben er zelf nog niet zo heel veel mee bezig maar ik besef wel dat ik zelf de regie moet behouden. Ik heb het geluk dat ik wat geld kan sparen zodat, als ik te weinig zorg krijg, ik die kan inkopen op de manier zoals ik dat wil, zorgen dat ik straks in een woning woon waar ik ook lekker oud kan worden. Dus ik ben ook bereid om daar zelf in te investeren door bijvoorbeeld aanpassingen in de woning te laten uitvoeren. Ik heb wel een soort ideaal dat je met vrienden en gelijkgestemden oud wordt, daar op een gegeven moment afspraken over maakt zoals samen optrekken, aan mekaar vasthouden, misschien zelfs gaan samenwonen. En als dat niet lukt, dan ga ik accepteren dat de laatste jaren van mijn leven gewoon een stuk minder leuk zijn. Wat eenzamer worden, minder relaties, fysieke ongemakken, dat zijn dingen die erbij horen. Ik denk dat het goed is om je daar bewust van te zijn en om je dat te realiseren.