Lees verder

Interview foto Annemans

Professor Dr. Lieven Annemans, verbonden aan de faculteit Geneeskunde van de Universiteit Gent, is gezondheids- en welzijnseconoom en bestrijkt hiermede een zeer breed onderzoeksterrein. Hij is onder meer auteur van de boeken ‘Health economics for non economists’ (2018), ‘De prijs van uw gezondheid – is onze gezondheidszorg in gevaar?’ (2014) en ‘Je geld of je leven in de gezondheidszorg’ (2016). De laatste tijd besteedt hij veel aandacht aan het geluk van mensen. Hij heeft zich meer en meer omgeschoold tot gelukseconoom en is de bezieler van het Nationaal Geluksonderzoek dat loopt aan de UGent in samenwerking met de levensverzekeraar NN.

 

 


Deze editie van Geron heeft als hoofdthema “geluk”. Wat betekent geluk eigenlijk? Is het levenstevredenheid in het algemeen of is dat toch niet helemaal hetzelfde? We weten dat er over die begrippen heel veel geschreven is…

Ja, inderdaad. In ons taalgebruik zie je drie interpretaties van geluk. De eerste is in de zin van “wat geeft er geluk?” Vraag je aan sommige mensen: “wat maakt je gelukkig?”, dan zeggen ze: “een stuk chocolade” of “de kleinkinderen zien spelen”, wat op dat moment een gelukkig gevoel geeft. Een tweede betekenis is in de zin van “geluk hebben”, “chance hebben”. Bijvoorbeeld, je start een onderneming, dan zegt men: “veel geluk met je onderneming”. Hiermee wordt aangegeven “hopelijk gaat alles goed en waaien de winden in de gunstige richting”. De derde betekenis is geluk in de zin van “een gelukkig bestaan hebben”. Dat is de interpretatie waar wij ons onderzoek naar richten. Dit gaat veel breder en is veel standvastiger. Om dat te meten, is de meest voorkomende vraag in internationaal onderzoek die naar levenstevredenheid: “hoe tevreden ben je met je leven?” Wij gebruiken de Cantril ladder, een schaal gaande van 0 tot 10.

Als het gaat om het meten van geluk, spreekt men ook over de piramide van Maslow. Gebruikt u die?

Jazeker. Wat wij meten, is die levenstevredenheid en we kijken naar de factoren die ervoor zorgen dat we al dan niet een gelukkig bestaan kunnen hebben. Er zitten veel elementen in de piramide die leiden tot een gelukkig bestaan. Aan de basis van de piramide met 5 lagen vindt men het voldoen aan de fysieke behoeften: men moet voldoende eten en drinken hebben, warme kleding, een dak boven het hoofd. Men moet zich ook veilig en beschermd voelen. Goede sociale relaties zijn ook zeer belangrijk. Verder spelen respect en waardering van andere mensen mee. En ten slotte, “zelfrealisatie”, het gevoel hebben dat je jezelf kan ontplooien. Dat zijn de klassieke elementen uit de piramide van Maslow. Wij onderzoeken de piramide verder en proberen er verbreding in te krijgen: nagaan of er nog andere elementen meespelen die in de tijd van Maslow minder belangrijk of minder aanwezig waren of minder onderzocht zijn.

U heeft een groot onderzoek opgezet, samen met levensverzekeraar NN waarbij ongeveer 1.600 Belgen, representatief naar geslacht, leeftijd en opleiding, werden ondervraagd. Wat leren we daaruit voor wat betreft het geluk bij ouderen? Zijn zij gelukkiger of minder gelukkig dan jongere mensen?

Wij vonden gemiddeld gezien dat de Belg 6,6 scoort op die fameuze ladder, wat niet zo fantastisch is, maar dat ouderen (60-plussers en 70-plussers) gemiddeld hoger scoorden dan de jongere volwassenen. De leeftijdscategorie die het minst hoog scoorde, was de groep van 35 tot 50 jaar. Die kwam maar aan 6,1. En de 60-plussers zitten gemiddeld boven de 7. Dus er is wel degelijk een verschil.

Hoe komt dat? Hoe verklaart u dat verschil?

Wij hebben gevonden dat de belangrijkste factor, de fameuze psychologische basisbehoeften zijn. Men noemt dat soms, om het te vereenvoudigen, het “ABC”. A staat voor autonomie, B voor betrokkenheid en C voor competentie. Wat autonomie betreft, kan men aan de hand van enkele vragen die gevalideerd zijn, nagaan of iemand al dan niet voldoende autonomie heeft. Bijvoorbeeld: “hoe vaak heb je het gevoel dat je iets te zeggen hebt in de dingen die je doet en dat je zelf keuzes kan maken in je leven?”; of juist het omgekeerde, “hoe vaak heb je het gevoel dat alles wat je doet je opgelegd wordt door anderen?”. In dat laatste geval heb je heel weinig autonomie.

Is dat dan niet zo voor ouderen, die vaak afhankelijker worden, zeker met stijgende leeftijd, door gezondheidsproblemen, door niet meer te werken, doordat kinderen het meer overnemen? Is dat dan eigenlijk niet eerder een probleem bij ouderen?

Ja. Soms wel. We zien uiteraard dat ouderen – gemiddeld – een minder goede fysieke gezondheid hebben. Hun mentale gezondheid is echter gemiddeld beter dan die van jongeren. Ondanks hun minder goede fysieke situatie slagen ouderen er beter in om keuzes te maken en op die manier – als ik dat zo mag zeggen – hun “goesting” te doen. De meeste jongeren, ik bedoel dan jongere volwassenen onder de 60 jaar, zijn aan het werk of zoeken werk en hebben vaker het gevoel dat een belangrijk deel van wat ze dagdagelijks doen, wordt opgelegd. Het hangt natuurlijk ook af van je omgeving, namelijk hoe anderen met je omgaan. Dat wordt vaak onderschat; dat is niet iets dat je altijd zelf kiest maar eigenlijk door anderen wordt bepaald. Als kinderen van oudere mensen hun moeder of vader paternalistisch bejegenen, dan beperk je hun autonomie.

We zien dat ouderen – gemiddeld – een minder goede fysieke gezondheid hebben. Hun mentale gezondheid is echter gemiddeld beter dan die van jongeren

Globaal zien we dat ouderen op autonomie beter scoren dan jongeren maar oók op betrokkenheid, de tweede basisbehoefte. Dit is heel sterk gerelateerd aan de derde laag van de piramide van Maslow, namelijk sociale relaties. Betrokkenheid, dat wil zeggen “in welke mate heb je het gevoel dat de mensen rondom jou je met de nodige warmte en vriendelijkheid bejegenen?”, of negatief geformuleerd, “in welke mate heb je het gevoel dat iedereen rondom jou afstandelijk is?” Dat ouderen ook op betrokkenheid beter scoren wordt door sociologen verklaard door de sociale selectietheorie: naarmate men ouder wordt, leert men door ervaring met wie men wil omgaan en met wie men niet of minder wil omgaan. Door de omgang met mensen waarbij men zich goed voelt, ontstaat er een soort van wederkerigheid en samenhang.

Maar hoe koppelen jullie dat aan wat men altijd zegt en hoort, namelijk “dat ouderen eenzaam en van daaruit ongelukkig zijn”?

We stelden ouderen de vraag: “hoe vaak voel je je eenzaam de jongste tijd: nooit, zelden, soms, vaak of altijd?”. Vanaf dat iemand “soms” antwoordt, is er iets aan de hand. Want “soms” is ook: “ik wil het niet graag toegeven, maar ik voel me eigenlijk wel geregeld eenzaam”. Bij ouderen zien we dat er velen “soms”, “vaak” of “altijd eenzaam” hebben geantwoord, in totaal 29 ouderen op 100. Maar weeral zien we dat dit bij de jongeren nóg meer het geval is dan bij ouderen, met een percentage jongere volwassenen dat zich eenzaam voelt dat boven de 50% ligt. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er bij de ouderen geen probleem is.

En dan zijn er nog de competenties? Hoe zit het daarmee?

Op dat derde punt, de behoefte om zich competent te voelen, scoren ouderen ook beter. Wat wil dat zeggen? De vraag “heb je het gevoel dat wat je dagelijks doet, aankan?” gaat ook over een basis psychologische behoefte. Weer denken sommigen: “ouderen zijn fysiek zwakker, dus die kunnen de dingen minder aan”. Dat is niet zo want ouderen kiezen vaak ook weer dié activiteiten waarvan ze weten dat die goed bij hen passen. Op die manier scoren ze ook beter op competenties. Als je graag en goed kan zingen, dan ga je dat vroeg of laat ontdekken en begin je te zingen. Als je goed kunt tekenen, dan ga je tekenen en tekenacademie volgen, enzovoort. In conclusie, de belangrijkste reden waarom wij – en niet alleen wij, ook anderen – vinden dat ouderen gemiddeld beter scoren op die ladder, heeft vooral te maken met die A, B en C, die basis psychologische behoeften, waaraan ouderen gemiddeld gezien beter voldoen.

Als we het hebben over geluk, dan is het logisch dat verschillende elementen kunnen meespelen in het bepalen of je al dan niet gelukkig bent. Wat is bijvoorbeeld de impact van gezondheid, het al dan niet hebben van een partner, een sociaal netwerk, hobby’s, inkomen etcetera. Ons lijkt gezondheid dé belangrijkste factor, maar is dat effectief zo?

Gezondheid en goede sociale relaties zijn de dingen die eruit komen als de twee belangrijkste factoren. We zien dat gezondheid zéér belangrijk is, maar je moet een onderscheid maken tussen fysieke en mentale gezondheid. Toch moeten we opletten, want wat ik zeg is niet helemaal correct omdat fysieke en mentale gezondheid wel sterk samenhangen. Ouderen scoren gemiddeld minder goed op fysieke gezondheid, maar wel beter op mentale gezondheid. Dat is één belangrijk aspect. Ten tweede zien we in onze studie, ondanks een heel sterk verband tussen gezondheid en gelukkig zijn, ook mensen met een groot gezondheidsprobleem – bijvoorbeeld een ernstige ziekte – die er tóch in slagen gelukkig te zijn. Omgekeerd zien we mensen met een perfecte gezondheid die toch niet gelukkig zijn. Dus mag men niet zomaar denken: “als je gezond bent, dan ben je automatisch gelukkig”. Maar er is wel een sterk verband.

Gezondheid en goede sociale relaties zijn de twee belangrijkste factoren als we het hebben over geluk

Sociale relaties hebben te maken met twee belangrijke dingen. Eerst: heeft men een vaste relatie, een goede relatie met een partner? Is dat het geval, dan is er veel kans om een gelukkig bestaan te hebben. Als men niet in een relatie zit, wil dat niet zeggen dat men per definitie ongelukkig is. Dan komt het erop neer omringd te zijn door heel veel mensen die je met de nodige warmte en vriendschap bejegenen en waarop je kan terugvallen. Dat is het sociaal kapitaal: voldoende en goede sociale relaties hebben. We vonden bovendien dat het hebben van een relatie met een partner die niet voldoet aan de verwachtingen evenveel of zelfs iets meer bijdraagt aan eenzaamheid als niet in een relatie zitten. Een relatie hebben op zich is dus niet voldoende; het moet een kwaliteitsvolle relatie zijn waarbij beide partners mekaar de nodige ruimte geven, vriendschappelijk met mekaar omgaan, enzovoort. Dàt kunnen realiseren, en/of een zeer goed sociaal netwerk hebben, is de belangrijkste factor om gelukkig te kunnen zijn.

En ook daar weer hebben ouderen problemen, want zij worden met verliezen geconfronteerd. Verlies van een goede partner bijvoorbeeld.

Ja, we hebben gezien dat een ernstige gebeurtenis in je leven zoals het verlies van een dierbare, wel degelijk een significant effect kan hebben op de score op de Cantril ladder. Ergens is dat ook logisch. Het is niet zo dat men zomaar over dat verlies heen gaat. We zien wel dat de andere factoren (gezond zijn, een goed sociaal netwerk, veel en zinvolle activiteiten hebben, …) kunnen beschermen tegen een permanent gevoel van ongelukkig zijn. Degenen die meer hebben om op terug te vallen, slagen er beter in om dat verlies te verwerken en het leven opnieuw in handen te nemen. De ene na een half jaar; de andere pas na drie jaar, of nog langer. Maar als men, bovenop een zwakke gezondheid en weinig activiteiten, geen goede sociale relaties heeft, en men verliest dàn iemand dierbaar, dan is er een risico dat men voor hele lange tijd een ongelukkig bestaan heeft.

En dan de impact van het inkomen: toch ook wel belangrijk?

Ja, klopt. Wat essentieel is, is wat ik zou noemen “financiële stabiliteit”. Wat is dat? Dat men voldoende inkomen heeft om een financiële tegenslag of een onverwachte uitgave te overbruggen. Stel, de elektriciteit of verwarming laat het afweten en je moet investeren of uitgaven doen van enkele honderden of soms zelfs een paar duizend euro. Kan je dat niet, dan heb je weinig financiële stabiliteit. Voldoende financiële stabiliteit hebben, is een soort van basisvoorwaarde om gelukkig te kunnen zijn. Wanneer je dat niet hebt, dan mag men nog zeggen: ”ja, maar zorg dat je voldoende sociale relaties en activiteiten hebt!”; als je die basis van een financiële zekerheid niet hebt, dan is het echt wel moeilijk om gelukkig te zijn.

Voldoende financiële stabiliteit hebben is een soort voorwaarde om gelukkig te kunnen zijn

Geluk zou ook genetisch bepaald zijn. Is dat zo? Zelfs voor 60%?

Neen, 40%. 60% is maakbaar en ongeveer 40% zou in de genen zitten. Dat is de ganse theorie van de genetica. Uit een grootschalig onderzoek, onder andere bij identieke tweelingen – tweelingen met exact hetzelfde genetisch materiaal – die men heeft opgevolgd en waarbij beiden niet in dezelfde omgeving opgroeiden, heeft men afgeleid dat geluk voor ongeveer 40% afhangt van de genen. Maar vandaag twijfelt men daar ook aan omdat je doorgaans je eerste levensjaren doorbrengt bij je ouders. De manier waarop die met jou omgaan als kind, kan ook jouw later geluk beïnvloeden. Het is de fameuze “nature or nourish”. Dus, zit het in je natuur of zit het in de manier waarop je als klein kind bent opgevoed en werd bejegend?

Activiteiten en bezigheden; dat is de laatste belangrijke factor. Wat houdt dat in? Hobby’s? Of ook dagdagelijkse bezigheden? Bezig zijn? Het huishouden doen, …?

Ja. Veel heeft te maken met: “hoe besteed je je tijd?”. Mensen die urenlang tv kijken en daarnaast niets doen, zijn gemiddeld minder gelukkig dan mensen die een deel van hun tijd besteden aan betekenisvolle activiteiten. We zagen, heel belangrijk, dat de drie meest betekenisvolle activiteiten met een significante impact op je score van levenstevredenheid, activiteiten zijn in de natuur, verder creatieve activiteiten zoals zingen, dansen, tekenen… en ten derde activiteiten waarbij men iemand anders helpt, zoals vrijwilligerswerk verrichten. Wat we ten slotte ook vonden, is dat mensen die voldoende tijd en ruimte maken om rustmomenten in te bouwen gemiddeld ook gelukkiger zijn. Een boek lezen, een kwartiertje op een bankje gaan zitten en op je ademhaling letten, een keer naar klassieke muziek luisteren…, blijken ook een significante bijdrage te leveren aan dat geluk. Bovenop al de rest uiteraard.

Mensen die voldoende tijd en ruimte maken om rustmomenten in te bouwen,  zijn gemiddeld ook gelukkiger

Dan willen we het even hebben over het digitaal platform “Soul Center”, onlangs opgestart, waarin men de focus verlegt van gezondheid naar geluk. Daarmee wil men vooral bewoners van woonzorgcentra (WZC) aanspreken. Om gelukkig te zijn gaat het vooral om de kleine dingen des levens. Kunt u zich daarin vinden?

Ja en nee. Wij menen dat geluk in de eerste plaats afhangt van grote en dan pas van de kleine dingen. Ik verklaar me nader. Grote dingen zijn inkomen, sociaal kapitaal, een goede of zo goed mogelijke gezondheid, nog kunnen buitenkomen, bewegen… Eens men daaraan voldoet, spelen die kleine dingen mee: een glimlach hier, een kwinkslag daar, een warm contact, een knuffel, kleine attenties voor elkaar, enzovoort. De voedingsbodem wordt gelegd door de grote dingen. Maar daarbovenop komen de kleine dingen. Zo komen we eigenlijk terug op de logica van de piramide.

In feite kunnen we dus ook zelf aan ons geluk werken? Maar anderen kunnen dat waarschijnlijk ook? En daar denken we bijvoorbeeld aan de rol van het beleid, de overheid, …Wat kan een overheid doen, waar kan ze op inspelen?

Ja. De overheid heeft als taak om ten eerste, ervoor te zorgen dat er minder of zelfs geen armoede is. Ten tweede dient de overheid meer te investeren in gezondheid en gezondheidszorg om ervoor te zorgen dat bijvoorbeeld in ziekenhuizen en WZC zeer goede kwaliteit wordt geboden. Een overheid, en dan spreek ik eerder op gemeentelijk niveau, kan ervoor zorgen dat er voldoende initiatieven worden genomen naar ouderen toe, laagdrempelig; dus ook iemand die het moeilijk heeft, moet kunnen deelnemen. Maar daarnaast hebben we het ook zélf in handen wat wil zeggen: “wat doen we voor een ander? Hoe gedragen we ons naar anderen toe? En ook, wat doen we voor onszelf?” Heel veel ouderen hebben nu Facebook of WhatsApp. Dat is iets fantastisch – je kan in contact komen met anderen – maar ik zie dat sommigen daaraan verslingerd geraken. Een heel eenvoudig advies om je rust te bewaren, is meldingen uitschakelen en er zélf voor kiezen één of twee keer per dag te kijken of er iets interessants is. Zelf doe ik dat ook, behalve voor de WhatsApp groep van ons gezin. Als daar iets belangrijk is, wil ik het wel weten. Dat zijn kleine tips die je zélf in handen hebt. Het is dus een “én én” verhaal.

U sprak over wat gemeenten kunnen doen. Werkt dat?

Zeker, in sommige gemeenten gaat het zeer goed. Daar gaat men voor wat men in het Engels “outreach” noemt: letterlijk “uitreiken” naar ouderen. Niet op een stigmatiserende manier, zoals “we weten dat je eenzaam bent en we komen je uit je huis halen”. Dat zou confronterend zijn. Het gaat best via elegante initiatieven of via de huisarts. De huisarts signaleert bijvoorbeeld een probleemgeval; de gemeente gaat langs bij de persoon en probeert de oudere te betrekken bij bepaalde activiteiten. Dat zijn kleine details, zo lijkt, maar dat kan essentieel zijn om voor een oudere het verschil te maken tussen eenzaam blijven, of toch terug betrokken worden bij de activiteiten van de samenleving. Dat kost centen: daarvoor heb je mensen nodig. Sommige gemeenten investeren daarin; andere niet.

En dan de obligate vraag aan het eind van ons interview. U bent nog jong, maar u wordt allicht ook 65, 70, en hopelijk ouder. Hoe kijkt u zelf aan tegen ouder worden? Ziet u dat als een positief verhaal?

Wel, als ouder worden alleen maar zou gepaard gaan met achteruitgang van de fysieke mogelijkheden, dan zou ik dat helemaal niet erg vinden, want dat is de normale gang van zaken. Hoe ouder je wordt, hoe moeilijker het is. Ik ondervind dat nu al; en ik ben nog maar 55. Mijn moeder zegt dan: “Lieven, hoe durf je al te klagen van een beetje last aan je knie of je rug; wacht maar tot je 88 bent”. Fysieke achteruitgang kan ik perfect aanvaarden omdat ik weet dat ik na mijn pensioen voldoende activiteiten kan doen. Ik ben heel veel met muziek bezig. En ik zou daar heel graag veel méér tijd in steken. Verder zou ik ook veel meer tijd besteden aan sociale activiteiten, en anderen helpen bijvoorbeeld. Maar ik heb nu te weinig tijd om dat helpen in praktijk te brengen omdat ik zoveel met onderzoek bezig ben. Ik wil ook verder boeken schrijven eenmaal ik 65 ben. Waar ik het moeilijker mee zal hebben, denk ik, is op jonge leeftijd mentaal achteruitgaan en dement worden. Dan weet ik niet hoe dat ik … (maakt zin niet af). Ik kan nu nog niet inschatten hoe ik daarmee zou om kunnen. Dat zou mij veel erger lijken dan fysiek achteruitgaan.