58 Weergaven
0 Downloads
Lees verder

Foto interview MarcoenProf. Dr. Alfons Marcoen is emeritus hoogleraar aan de faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van de K.U Leuven. Hij doceerde ontwikkelingspsychologie en deed onder andere onderzoek naar de dimensies van welbevinden, gerotranscendentie en spiritualiteit bij ouderen, en de zorgrelatie tussen volwassen kinderen en bejaarde ouders. Samen met Ria Grommen en Nancy Van Ranst publiceerde hij in 2006 het boek Als de schaduwen langer worden. Psychologische perspectieven op ouder worden en oud zijn. Vandaag is prof. Marcoen nog actief als gastdocent bij de bachelor-na-bacheloropleiding Psychosociale gerontologie van hogeschool Odisee.

 

 

U bent intussen al 13 jaar met emeritaat. We keren graag even terug naar het begin van uw carrière, waarom hebt u toen voor de studie psychologie gekozen?

De keuze voor psychologie kwam neer op het niet kiezen voor andere opleidingen. Ik volgde Latijn-Wiskunde, ingenieur sprak me niet aan, ik had geen sterke wiskundige knobbel, en voor een talen-opleiding – filologie – werd in die tijd kennis van Grieks vereist. Daarnaast was ik sterk onder de indruk van het werk van de psycholoog in het Centrum voor Studie- en Beroepsoriëntering (CSBO); dat leek me wel wat. Tijdens de zomervakanties deed ik vrijwilligerswerk als monitor in het speelpleinwerk, en was ik gefascineerd door de vraag waarom kinderen op een bepaalde manier reageren. Dat heeft mijn interesse in psychologie dan ook aangewakkerd. Omdat ik op een katholiek college les volgde, lag het toen voor de hand om verder te studeren aan de Katholieke Universiteit van Leuven.

U hebt zich tijdens uw carrière vooral verdiept in de levenslooppsychologie.

Dat klopt. Na mijn studie heb ik twee jaar in een CSBO (het latere PMS) gewerkt en ben ik 15 maanden soldaat geweest. Het werk in het centrum was fijn, maar ik wou graag verder studeren. Ik heb toen aan professor Kriekemans gevraagd of ik kon doctoreren. Hij was het die mij op het spoor zette van Jung en van de ontwikkelingspsychologie van de tweede levenshelft. Er wordt vaak gedacht dat mijn hele carrière draaide rond die thematiek, maar dat is een misverstand. Ik werkte met mijn doctorandi ook onder andere over gehechtheid bij kinderen en eenzaamheid bij adolescenten. Maar de klemtoon lag inderdaad op de ontwikkeling in de middelbare leeftijd en ouderdom.

Wanneer u werkt rond levenslooppsychologie en zelf ouder wordt, kan u misschien bepaalde theoretische kaders op uzelf toepassen?

Eigenlijk wel, ik denk bijvoorbeeld aan de crisis van het levensmidden. Het gaat erom dat je anders naar de werkelijkheid gaat kijken, je kinderen worden volwassen en bijna zonder het te merken word je grootouder. Al deze zaken volgen elkaar zo snel op. Ook existentiële vragen komen naar boven: waarom leven we? Wat is belangrijk en belangrijk geweest in het leven?

Ik ben nu 78 en het is normaal dat de gedachte aan de dood niet afwezig is.

Het loslaten, het afscheid nemen van zaken waar je vertrouwd mee bent geworden, is niet eenvoudig.

Ik ben nu 78 en het is normaal dat de gedachte aan de dood niet afwezig is. Het loslaten, het afscheid nemen van zaken waar je vertrouwd mee bent geworden, is niet eenvoudig. Soms blader ik door boeken die ik vroeger gelezen heb en waar hier en daar notities bij staan, het is niet eenvoudig om daar afscheid van te nemen. Eigenlijk zou je een tweede leven willen, of wensen dat het leven oneindig doorgaat. Op voorwaarde dat je gezond bent, uiteraard.

De theorie van Erik Erikson vind ik heel belangrijk, waarbij acht fasen doorheen de levensloop worden beschreven en de zogenaamde ego-integriteit de bekroning is in de laatste levensfase. De vrouw van Erikson, Joan Erikson, heeft op een bepaald moment – toen ze hoogbejaard was en haar even hoogbejaarde man had overleefd – ook gesteld dat de finale deugd niet wijsheid is, maar ‘faith’, een soort basisvertrouwen, terug spontaan worden als een kind. Dat vind ik bijzonder goed getypeerd.

U haalt de term wijsheid aan, wat betekent deze term voor u?

Wetenschappelijk onderzoek naar wijsheid is eigenlijk nog relatief recent, ruim dertig jaar is men er nu mee bezig. Je hebt expliciete definities van wijsheid, die een synthese zijn van wat er doorheen de eeuwen over wijsheid is geschreven. Daarnaast heb je impliciete definities van wijsheid, wat mensen in het algemeen onder wijsheid verstaan.

Wijsheid is ook erkennen dat een conflict meerdere uitkomsten kan hebben, bezorgd zijn over de conflictoplossing en gevoel hebben voor het compromis.

Er is veel onderzoek gedaan over wijs redeneren. Want wijs zijn is eigenlijk denken en handelen op een manier die door anderen als wijs erkend wordt en die je zelf ook wijs vindt. Volgens Sternberg en Baltes, pioniers op dit domein, impliceert wijs zijn: gezichtspunten van anderen herkennen, zaken in een breder perspectief zien, gevoelig zijn voor de mogelijkheid dat sociale relaties veranderen. Wijsheid toont zich vaak op momenten waarop er conflicten zijn, sociale en interpersoonlijke conflicten, maar ook intrapersoonlijke. Wijsheid is ook erkennen dat een conflict meerdere uitkomsten kan hebben, bezorgd zijn over de conflictoplossing en gevoel hebben voor het compromis. Kennis die nuttig is voor het omgaan met levensproblemen, erkennen dat levenswaarden en levensdoelen van persoon tot persoon verschillen, en weet hebben van de onzekerheden inherent aan het leven en daar weten mee om te gaan, ook dat is wijsheid. Intelligentie is nodig om de wijsheid te voeden, maar intelligentie is niet hetzelfde als wijsheid. Expertise, deskundigheid in een bepaald domein is gespecialiseerde, praktische kennis, dat is geen wijsheid.

Wijsheid is duidelijk een complex, multidimensioneel gegeven.

Dat klopt zeker. Wijsheid is een ontzettend breed concept en in onderzoek wordt het ook vaak uiteengerafeld, waarbij men een onderdeel gaat bestuderen. Eigenlijk is het onderzoek naar wijsheid gegroeid vanuit intelligentie-onderzoek, waarbij men vaststelde dat wat we als ‘wijs’ beschouwen, eigenlijk niet onder intelligentie te vatten is. Wijsheid is een cognitief, affectief-emotioneel concept, beide domeinen spelen er een belangrijke rol in.

Geeft iedereen zijn eigen invulling aan de term wijsheid?

Er is interessant onderzoek gedaan in verschillende culturen naar soorten wijsheid belichaamd in grote publieke figuren van vroeger en nu. Hierbij onderscheidde men praktische wijsheid, filosofische wijsheid en, moeilijk te vertalen, ‘benevolent wisdom’. Dat laatste gaat om menslievende wijsheid. Wanneer ik denk aan ouder worden en wijsheid, denk ik in eerste instantie aan praktische wijsheid.

Er zijn deels individuele en culturele verschillen in de invulling van wijsheid. Een onderzoek bij Amerikanen en Japanners ging bijvoorbeeld na of deze twee sterk verschillende culturen andere aspecten van wijs denken onderscheiden. Bij Amerikanen blijkt de kans op wijs redeneren vooral met betrekking tot het management van groeps- en interpersoonlijke conflicten toe te nemen met de leeftijd. Japanners daarentegen vertoonden op jongere leeftijd reeds hoge niveaus van wijs denken, maar het niveau van wijsheid steeg daarna niet verder met de leeftijd. Wel redeneerden ze wijzer dan de Amerikaanse deelnemers aan het onderzoek.

Hoe zou u de verhouding wijsheid-leeftijd beschrijven?

In een bepaald onderzoek bestudeerde men drie vormen van wijsheid: empathie en steunverlening, zelfdeterminatie en doorzettingsvermogen en ervaringskennis en flexibiliteit. Elk van deze kenmerken wordt typisch geassocieerd met een bepaalde leeftijd: empathie en steunverlening wordt vooral in de adolescentie geassocieerd met wijsheid. De sleutel van wijsheid in de adolescentie is zich kunnen verplaatsen in de ander. Bij de middelste leeftijdsgroep ligt de focus dan weer op zelfdeterminatie en doorzettingsvermogen, de koe bij de horens vatten als het ware. De oudere leeftijd excelleert wat ervaringskennis en flexibiliteit betreft: ervaring is de beste leermeester.

In dit kader vind ik de theorieën van Erikson, Tornstam en Jung zo interessant, omdat zij uitdrukkelijk gaan kijken waar wijsheid thuishoort in de levensloop. En dan zou ik zeggen dat wijsheid, hoewel organisch gegroeid en niet bij iedereen even sterk aanwezig, thuishoort in de late volwassenheid en de ouderdom. Maar ik ben er wel van overtuigd dat je kiemen van wijsheid vindt op elke leeftijd, er zijn ook wijze adolescenten.

U gaf aan dat praktische wijsheid vooral geassocieerd wordt met de oudere leeftijd. Op dat vlak is er wel een sterke contradictie in onze samenleving: we verwachten immers dat werknemers op 65 jaar met pensioen gaan, en geven hierbij impliciet de boodschap dat we hun wijsheid niet waarderen of zelfs niet meer nodig hebben.

Daar ben ik het mee eens. Op dat vlak is wel iets eigenaardigs vast te stellen, bij mensen die richting 65 jaar gaan. Sommigen willen absoluut niet stoppen en doen – als ze kunnen – gewoon verder. Anderzijds zijn er heel wat werknemers die rond die leeftijd en vroeger graag uit het arbeidscircuit willen stappen. Wanneer mensen stoppen of willen stoppen met werken, is het belangrijk om hen een perspectief te geven op een mogelijke verdere ontwikkeling in andere levensgebieden.

Ik denk dat wijsheid zich manifesteert op verschillende domeinen, en dit varieert van persoon tot persoon. Er zullen mensen zijn die op beroepsvlak blijk geven van wijsheid, maar dat wil niet zeggen dat ze binnen een ander levensgebied even wijs zijn. Wijs handelen is mogelijk in vele levensdomeinen. Uit de vrijetijdssfeer, bijvoorbeeld mensen die gedurende hun leven (vaak met veel passie) een bepaalde verzameling hebben aangelegd. Wanneer zij ouder worden, kan er een conflict ontstaan: wat zal er met de verzameling gebeuren als ik er niet meer ben? Een uiting van wijsheid kan zijn om stil te staan bij de vraag: hoe ruim ik mijn verzameling op? Dit vraagt veel van deze mensen, niet het minst op het vlak van loslaten. De terreinen om zich wijs te gedragen zijn verscheiden. En wijsheid manifesteert zich niet in elk levensdomein op dezelfde manier.

Wanneer mensen stoppen of willen stoppen met werken, is het belangrijk om hen een perspectief te geven op een mogelijke verdere ontwikkeling in andere levensgebieden.

In dit verband is opnieuw de theorie van Erikson interessant, die acht fasen beschrijft in het leven van een mens. Elke fase wordt gekenmerkt door een crisis, een conflict. Wanneer dit opgelost wordt, komt hier een sterkte, een deugd uit voort. Erikson formuleerde deze levenslooptheorie toen hij nog jonger was, en met het ouder worden merkte hij, samen met zijn vrouw Joan, dat de achtste fase zoals hij die omschreven had, wellicht niet de laatste kon zijn. Nadat haar man overleden was beschreef Joan Erikson hoe men op zeer hoge leeftijd in de negende fase geconfronteerd kan worden met alle negatieve polen van de vorige fasen. De taak die verbonden is aan deze negende fase, is het klaarkomen met deze herhaald ervaren negatieve polen. Het gaat dan om wantrouwen, schaamte en twijfel, schuldgevoelens, gevoelens van minderwaardigheid, identiteitsverwarring, isolement en eenzaamheid, egocentrische stagnatie en wanhoop.

Denk aan een bedlegerige oudere persoon, die het gevoel kan hebben dat hij enkel nog patient is. Dit zijn de negatieve polen die eigenlijk al overwonnen zijn in de vorige fasen, maar die terug de kop kunnen opsteken in de laatste levensfase. Wijsheid zou dan kunnen verwijzen naar hoe je daar als mens constructief doorheen groeit. Loslaten is hierbij belangrijk, vrede hebben met bepaalde zaken en met zichzelf.

Welke concepten acht u belangrijk in dit proces van wijsheidsontwikkeling?

Ik denk aan reminiscentie en autobiografische arbeid, het gaat immers niet alleen om wijsheid in relatie tot anderen maar ook om wijsheid in relatie tot jezelf. Met autobiografische arbeid bedoel ik dat men tot een goed levensverhaal tracht te komen. Dat vraagt vaak veel werk. Soms zitten er knopen in de relaties of in de geschiedenis, sommige zaken wil je liever wegduwen, andere plaats je graag op de voorgrond. Het beoogd eindresultaat is een persoonlijk bevredigend levensverhaal. Maar uiteraard zijn er mensen die helemaal geen goed verhaal hebben en die verbitterd zijn.

De overstap kunnen maken van een toestand van doen naar een toestand van zijn, lijkt mij een belangrijke stap naar wijsheid. Een actueel thema dat hierbij aansluit, is meditatie waarvoor nu veel aandacht is. En opvallend, vooral oudere mensen voelen zich hiertoe aangetrokken. Kenmerkend voor meditatie is dat men zich een twee maal per dag gedurende ongeveer een halfuur in een toestand begeeft waarbij men totaal gedachteloos is, wat ontzettend moeilijk is. Het gaat om een toestand waarin men niets doet, maar enkel is. Deze praktijk blijkt een sterke impact te hebben op de manier waarop men in het leven staat. Wanneer mensen bij wie het levensverhaal minder positief was, er op latere leeftijd in slagen om tijdens meditatie alles los te laten, inclusief dat levensverhaal, dan hebben ze een belangrijke stap gezet naar menselijke voltooiing. Ik denk dus dat meditatie voor oudere personen zeer interessant kan zijn. Ik zie het ook als een manier om wijsheid te bevorderen, je wordt er milder van. De term mildheid is nog niet gevallen, ook dat kan een element zijn van wijsheid. Het mag duidelijk zijn, wijsheid is een duizendpoot.

Naar aanleiding van uw emeritaatsviering gaf u aan dat u “plaats wou maken voor de nieuwe generatie”. Een andere optie had kunnen zijn om te kiezen voor het overdragen van de kennis die u vergaard hebt doorheen de jaren. Is dat geen tweespalt waarin u zich bevindt?

Aan de universiteit heb ik inderdaad plaats gemaakt, dat hoofdstuk is afgesloten. Maar ik had wel het geluk dat ik lesopdrachten kreeg in de toenmalige opleiding Seniorenconsulentenvorming in Brussel en in de bachelor-na-bacheloropleiding Psychosociale gerontologie van Odisee. Kort na mijn emeritaat heb ik ook samen met Mia Grommen en Nancy Van Ranst het boek ‘Als de schaduwen langer worden’ gepubliceerd. Het schrijven voor dit boek heeft me veel voldoening gegeven. Verder zetelde ik tot vorig jaar in de redactie van het Tijdschrift voor Gerontologie en Geriatrie. Ik heb dus het werken niet gelaten na mijn pensioen. Maar het werk aan de universiteit ben ik volledig gestopt.

Er wordt vaak gesproken over de derde leeftijd en de vierde leeftijd, u hebt daar de term vijfde leeftijd aan toegevoegd. Hoe zou u deze groepen van elkaar onderscheiden? Welke conflicten moeten in elke fase worden opgelost?

Vroeger was de derde leeftijd de eindfase, maar onder meer door medische vooruitgang merkte men dat veel mensen uit de derde leeftijd relatief gezond waren en bleven, en in de levensfase na het pensioen als het ware een tweede jeugd beleefden. Deze levensperiode werd dan gevolgd door een fase van ouderdom waarin mensen kwetsbaarder zijn en meer ondersteuning nodig hebben. Zo ontstond de vierde leeftijd, niet aan een specifieke leeftijd gebonden. Sommigen suggereren de overgang rond 85 jaar. Ondertussen zijn ook heel wat ziekten die vroeger het einde betekenden, vandaag chronische ziekten geworden: men leeft langer, ook wanneer men ziek is kan men nog een interessant en zinvol leven hebben. Met de vijfde leeftijd bedoel ik dan de terminale fase. Dan leeft men met de dood voor ogen.

Nu is het in België ook toegelaten om na 65 jaar nog betaalde activiteiten uit te voeren, dus wij zetten ook enige stappen in die richting. Anderzijds moeten mensen die een zwaar beroep uitoefenen vaak al veel vroeger stoppen omdat het niet meer haalbaar is. Dus eigenlijk moet men zeer divers kijken naar de loopbaan van mensen.

Daar ben ik het mee eens, maar je kan je ook afvragen: gaan alle zware beroepen van vandaag ook zwaar blijven in de toekomst? Gaan veel taken niet geautomatiseerd worden? Het doel blijft om ouderen fysiek, mentaal en emotioneel actief te houden zodat ze zinvol kunnen leven. Je kan op 65 jaar toch niet gaan vegeteren, je hebt nog zoveel jaren voor de boeg, je moet dan met die resterende jaren nog iets actief kunnen doen. En soms zijn daar wat verbeelding en wijsheid voor nodig. Bijvoorbeeld, onze poetsman werkte vroeger in de bouw. Hij is gestopt wegens fysieke klachten en heeft er voor gekozen om poetshulp te worden. Dat is toch fantastisch, dat iemand op latere leeftijd nog met veel zin die overstap maakt? Intussen heeft hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is hij grootvader geworden, en gaat hij stoppen met het poetswerk. Zo kan hij zijn vrouw thuis wat meer ontlasten en kunnen ze samen voor de kleinkinderen zorgen. Zijn dat geen sporen van wijs oordelen en handelen? Er zijn dus mensen die zo’n carrièreswitch kunnen maken en daar zin en plezier in vinden. Je zou bijna verwachten dat zo’n persoon ook meer kans maakt om wijs te oordelen in andere omstandigheden. Maar, zoals ik eerder al aangaf, ik ben niet zeker dat wie van wijsheid blijk geeft op één terrein, ook wijs denkt en handelt op een ander terrein. Er zijn heel geleerde mensen die misschien wel wijs zijn in hun job, maar op vlak van samenleven met hun partner, kinderen en kleinkinderen, veel minder wijsheid aan de dag leggen.

Ter afsluiting: het concept ‘succesvol ouder worden’ kennen we intussen allemaal. Doet het beleid, naar uw mening, voldoende om succesvol ouder worden mogelijk te maken?

Wat begrijp je onder succesvol ouder worden? De definitie die opgang maakte in de literatuur was eigenlijk bijna synoniem voor ‘niet ouder worden’: gezond, mobiel en mentaal alert zijn en een actief leven leiden. Maar er is meer. Positieve zingeving en spirituele betrokkenheid zijn evenzeer dimensies van succesvol ouder worden, maar misschien spreekt men dan beter van optimaal en zinvol ouder worden (ook bij toenemende kwetsbaarheid). Alles wat de overheid doet om het zo gezond en actief mogelijk leven van ouderen te bevorderen is uiteraard goed. Maar oudere mensen moeten ook de mogelijkheid krijgen om zich verder te vormen op een wijze die tegemoet komt aan hun nood aan zingeving. Ik heb bijvoorbeeld recent een voordracht gegeven voor volwassenen en ouderen in de parochie, veel mensen hongeren naar bronnen van inspiratie voor de zingeving aan hun bestaan. Nadien waren er gespreksgroepen, en die waren schitterend, daar konden mensen thema’s bespreken die in hun leven belangrijk zijn, zoals de relatie tot hun eigen hoogbejaarde ouders, palliatieve zorg, euthanasie, enzovoort. Het stimuleren van dergelijke initiatieven vind ik zeer belangrijk, omdat mensen er door kunnen groeien tot op het einde. Dergelijke vormingsinitiatieven moeten aangemoedigd worden. Maar ik heb te weinig expertise ter zake om precies aan te kunnen geven langs welk kanaal de overheid ook dit moet bevorderen. Middenveldorganisaties lijken mij het meest aangewezen om te mobiliseren. Denk maar aan het Davidsfonds, Universiteiten voor de Derde Leeftijd, gepensioneerdenbonden, enz. Het doelpubliek van hun activiteiten zijn overwegend senioren. Ik moet wel toegeven dat veel vormingsinitiatieven vaak weggelegd zijn voor de happy few, voor mensen die hier al een zekere affiniteit mee hebben. Maar wat met mensen die niet spontaan de deur uitgaan om aan activiteiten deel te nemen? Laten we hen thuis met hun zingevingsvragen stilletjes vereenzamen? Dan kan je de vraag stellen of organisaties die aan dienstverlening doen op vlak van zorg, geen aanknopingspunt kunnen vormen om het thema zingeving aan bod te laten komen. Maar kunnen we verwachten van een poetshulp dat hij of zij in gesprek gaat met een kwetsbare oudere over de zin van het leven?

Positieve zingeving en spirituele betrokkenheid zijn evenzeer dimensies van succesvol ouder worden, maar misschien spreekt men dan beter van optimaal en zinvol ouder worden.

Maar er zijn voor de oudere persoon, kan ook al voldoende zijn, het hoeven niet noodzakelijk filosofische gesprekken te worden.

Absoluut! Tijd maken doet ook al zo ontzettend veel. Als ik bijvoorbeeld zie hoe het werk van thuisverpleegkundigen of verpleegkundigen in woonzorgcentra getimed wordt, dat is nefast voor het zich ter beschikking kunnen stellen van de oudere persoon, voor het tijd vrij maken voor een gesprek. Nu gaan ouderen hun vragen, de thema’s die hen bezig houden, inslikken, uit empathie: de verpleegkundige of zorgkundige heeft het al zo druk, ik ga hem of haar niet nog eens lastig vallen met mijn zorgen. De deur die op een kier staat, ook voor levens- en zinvragen wordt daarmee op voorhand al dicht geslagen. Op dat vlak kan het beleid wél een rol spelen. Door, bijvoorbeeld, een voldoende ruime personeelsbezetting te voorzien in de woonzorgcentra. Vaak wordt als tegenargument gegeven dat de ouderenzorg ook betaalbaar moet blijven. Maar als je dat zo centraal gaat stellen, dan word je immobiel en waag je als samenleving niets meer om aan de latente sociale en spirituele noden van veel ouderen tegemoet te komen.