45 Weergaven
0 Downloads
Lees verder
Het is een dinsdagochtend in mei. Het zijn coronatijden, dus ontmoeten we Helianthe Kort niet ‘in het echt’, maar digitaal. Gegeven het onderwerp van het interview ‘gerontechnologie’ is dat misschien wel heel passend. Voor het gesprek lijkt het geen verschil te maken. Al snel geraken we in een enthousiast gesprek met een onderzoeker met passie voor haar vak.

Interview Helianthe Kort 5

In 2004 werd Helianthe Kort benoemd tot lector Vraaggestuurde Zorg (nu Technologie voor Zorginnovaties) bij de Hogeschool Utrecht. In 2011 werd zij hoogleraar Building Health Environments for Future Users aan de TU/e. Ook is Helianthe sinds 2006 bestuurslid van het Herman Bouma Fonds voor Gerontechnologie  (http://gerontechnologie.nl/). Voor de faculteit Bouwkunde coördineert ze het thema ‘Health in the built environment’ als onderdeel van het ‘Strategic Area: Engineering Health’ van de TU/e. Daarnaast is ze voorzitter van de Nederlandse Vlaamse tak van de International Society for Gerontechnology (NV/ISG; (http://www.gerontechnology.org/index.html) en lid van het executive comité van de International Society for Gerontechnology (ISG). Sinds 2008 is zij hoofdredacteur van het tijdschrift Gerontechnology.m. Helianthe is auteur/medeauteur van meer dan 243 wetenschappelijke publicaties.

Gerontechnologie lijkt zich vaak te richten op het gezondheidsdomein. Hoe kijk jij aan tegen gerontechnologie in het sociale domein?

Bij collega’s zie ik inderdaad vaak dat zij zich primair bezighouden met gezondheid. Er zijn wel uitzonderingen, met name bij die mensen die echt hun roots in de gerontechnologie hebben en werken vanuit de ‘gerontechnologie matrix’ (Figuur 1). Het domein gezondheid lijkt inderdaad oververtegenwoordigd, maar mensen met een sociologische of psychologische achtergrond zijn ook actief in de gerontechnologie. De vraag die altijd centraal staat is ‘hoe kan technologie ouderen zoveel mogelijk ondersteunen’. Dat begon ooit vooral met het ontwikkelen van een passende interface en dan is sociologische en psychologische kennis heel erg aan de orde. Tegenwoordig zie je het belang van deze expertises ook terug in bijvoorbeeld het domein mobiliteit, met de vraag ‘hoe kunnen ouderen op een goede manier van a naar b gaan’. Dat zie je groeien. Ook rondom ‘housing en daily actrivities’, gekoppeld aan ‘ageing in place’ zie je andere invalshoeken dan enkel gezondheid. Een domein als ‘governance’ komt minder vaak aan de orde. Internationaal gebeurt dat meer, bijvoorbeeld in Taiwan, maar daar is dan ook nog veel minder ouderenbeleid. Over het algemeen zie je toch nog vooral veel focus op ‘health’, maar dat ligt deels ook aan de duiding die mensen hieraan geven. Mensen associëren iets al gauw met ‘health’, maar soms liggen de oplossingen toch echt ergens anders, bijvoorbeeld in ‘housing’.

 

Er gebeurt natuurlijk al het nodige op het gebied van gerontechnologie, maar er is altijd meer mogelijk. Wat zouden we in Nederland en Vlaanderen meer kunnen doen?

Dit bediscussiëren we ook bij de ISG met de verschillende internationale partners. In Nederland en ook Vlaanderen lijkt gerontechnologie steeds meer een vanzelfsprekendheid geworden, niet zozeer als vakdiscipline, maar wel in de zin dat we meer en meer bewust zijn van het belang van afstemming van technologie op de vraag en behoefte van oudere mensen. Dat is al behoorlijk ingebed in bijvoorbeeld opleidingen en beleid. Dat is ook in een land als Japan zichtbaar, maar in Brazilië of Spanje bijvoorbeeld is er nog veel minder aandacht voor de betekenis die technologie heeft voor ouderen. Bij de ontwikkeling van technologie wordt in Nederland doorgaans wel in enige mate rekening gehouden met ouderen. Het opmerkelijke is dat dit niet lijkt te gelden, nu in deze coronatijden, voor de ontwikkeling van apps. Daar wordt het losgelaten en niet nagedacht over ouderen. Hebben zij een smartphone? (In 2019 beschikte ongeveer de helft van de vijfenzeventigplussers over een smartphone.) Kunnen zij deze voldoende gebruiken? Ook in het bedrijfsleven is het nog niet zo vanzelfsprekend om bij ontwikkeling van technologie na te denken over de oudere gebruiker. Dat zou een volgende missie kunnen zijn.

 

Ik hoor je zeggen dat we het in Nederland goed doen. Is dat vooral in de zorg of ook in het sociale domein?

In het sociale domein zie ik dat ook wel. Lang geleden hield ik een lezing voor een vereniging in het welzijnswerk. Zij zagen toen al: wij moeten meer met die technologie gaan doen. Dat wordt ook steeds meer gedaan. Een organisatie waarmee ik samenwerk biedt bijvoorbeeld cursussen aan om in contact te blijven met ouderen door middel van digitale middelen. Dat deden ze al voor de coronacrisis. Het is in opkomst in het sociale domein. Je ziet wel minder onderzoek en onderzoeksaanvragen in het sociale domein, maar ook dat bestaat. Ik zit zelf in een commissie van ZonMw (Create Health) waar bijvoorbeeld een programma is rondom eenzaamheid. Ik geef altijd het voorbeeld dat we als kinderen van alles leren voor als je later groot bent, maar een scholing over wat we moeten leren gedurende dat we ouder worden is er niet. Dat missen we. We moeten leren om het sociaal netwerk te onderhouden en uit te breiden, ook al in – en met – jongere generaties. We moeten vrienden hebben die tien jaar ouder zijn én vrienden die tien jaar jonger zijn dan wijzelf, zodat je altijd vrienden hebt. Technologie kan een rol spelen in de training en bewustwording hiervan. In het referentiekader van onderzoekers – ik kijk ook naar mezelf – wordt ouderdom toch nog wel fijn gekoppeld aan gezondheid, aan ziek zijn. Echter, de groep ouderen is natuurlijk heel divers en individuen hebben daarmee een diversiteit aan achtergronden. Dat behoor je mee te nemen in je technologische innovaties. Die diversiteit is vaak een eyeopener voor mensen. Studenten hebben vaak een beeld van een oudere die in een verpleeghuis achter een geranium zit. Dat beeld bestaat eigenlijk niet. De ouderen van straks, dat zijn wij. Dat zijn zij.

 

In het bedrijfsleven is het nog niet zo vanzelfsprekend om bij ontwikkeling van technologie na te denken over de oudere gebruiker. Dat zou een volgende missie kunnen zijn.

Ik hoor je eigenlijk op drie niveaus een opdracht uitdragen. Enerzijds richting overheidsniveau om te verbreden. Voor hogescholen en universiteiten om iets aan beeldvorming over ouderen te doen en als derde ook een opdracht aan ouderen zelf, om ‘een leven lang te leren’.

Ja, een leven lang ontwikkelen, dat moet je blijven doen. Als je actief wilt zijn, in het centrum van de maatschappij wil staan. Dat wil natuurlijk niet iedereen, dat moet je je ook realiseren. Ik vind het heel bijzonder dat we als we klein zijn voor heel veel dingen leren zorgen, voor elkaar, dieren, vriendjes, jezelf, maar bij het ouder worden zijn we daar niet meer mee bezig. Je moet echt terug naar het maken van nieuwe vriendjes en vriendinnetjes, daar aandacht aan geven, hieraan werken. Technologie en design kunnen mooie tools zijn om oudere mensen hierbij te helpen. Apps kunnen inzicht bieden in je sociaal netwerk, hoe sterk dat is. Dat geeft al mooi inzicht.

 

Hoe vinden de twee leerstoelen die je hebt in ‘technologie in zorginnovaties’ en in ‘gebouwde omgeving’ elkaar?

Dat gaat eigenlijk heel gemakkelijk. Ik heb altijd op dit snijvlak gewerkt, ook in het verleden. Voor mij is dit een logisch gegeven. Dat uit zich bijvoorbeeld in wat ik de ‘licht-zichtlijn’ noem. In Utrecht hebben we de oogzorg-opleiding. In Eindhoven hebben we expertise in licht. Je kan samen kijken naar interventies op het gebied van licht die bijdragen aan zicht. Denk bijvoorbeeld aan alle oudere werknemers die nu thuis aan het werk zijn. Houden deze mensen rekening met licht? Een lichtinterventie kan voor een oudere werknemer bijdragen aan goed schermgebruik en optimaal visueel functioneren. Daar komt het bij elkaar. Hoe mooi kun je het hebben? In mijn beleving heb ik één onderzoeksgroep. Deze groep komt ook samen bij elkaar. Dit zorgt ervoor dat mensen vanuit verschillende perspectieven, multidisciplinair op elkaars werk kunnen reflecteren. Dat levert heel veel op. Soms zie je tijdens een gesprek mensen al denken: ik moet terug, hier heb ik nog niet aan gedacht. Ook rondom aspecten die relevant zijn voor het ouder worden. Neem de werkomgeving. De gemiddelde leeftijd in bijvoorbeeld de verpleegkunde zal ergens rond de 40-45 liggen. We denken vaak aan jonge meiden en jongens in de zorg, zoals in de medische series. Je ziet daar relatief jonge mensen, maar de populatie van werknemers in de zorg veroudert ook. Ogen gaan dan al achteruit. Er moet dan rekening worden gehouden met licht en ook met geluid. Een promovenda onderzoekt het effect van geluid op het geheugen van verpleegkundigen. We zien dat daar bij mensen vóór de pensionering vaak geen rekening wordt gehouden. Als het gaat over ‘ageing’ gaat het niet over ouderen, maar over het verouderingsproces. Hoe kan technologie bijdragen aan het ondersteunen van het verouderingsproces? Het gaat niet alleen om het mediëren van kwetsbaarheid. ‘Die hard’ gerontechnologen richten zich op het proces van veroudering en dan komen sociale aspecten ook in beeld.

 

Kun je iets zeggen over concrete uitkomsten uit het onderzoek naar licht en geluid?

Er zijn eigenlijk heel veel dingen hierover te zeggen. Zo zijn verpleegkundigen zich er niet van bewust dat ze eigenlijk in de medicijnkamer en werkomgeving werken in omstandigheden waar de hoeveelheid licht ver onder de norm is. Soms zit dat onder de 200 lux. Dat is het licht van een gang, niet van een werkplek. Daar staan ze niet bij stil. Het lezen van labels wordt dan bemoeilijkt. Je ziet dat met name voor oudere verpleegkundigen de lichtcondities verbeterd dienen te worden. Er is ook geen routineuze check op het zicht van verpleegkundigen, terwijl dit een bijdrage kan leveren aan het voorkomen van medicatiefouten. Met betrekking tot geluid zien we dat de geluidsomgeving ook stukken verbeterd kan worden om bij te dragen aan minder afleiding en meer focus op het werk. Mensen zijn zich niet zo bewust van wat licht en geluid voor hen betekent. Ze zijn gewoon aan het werk. We letten nog wel op de hoogte van onze stoel en ons bureau, maar niet op het hebben van voldoende licht. Een ander voorbeeld betreft verpleeghuizen. Je hoort medewerkers dan zeggen: “Lekker het licht dimmen, dat is gezellig”, maar oudere mensen kunnen dan soms niet functioneren. Ze zien je niet praten en kunnen je dus niet zo goed lezen. Je ziet overigens in verpleeghuizen ook dat de ventilatie en luchtkwaliteit soms echt onder de maat is, zelfs in nieuwbouw. Met wat aanpassingen – kleine – kun je allerlei condities verbeteren.

 

Veel van het voorgaande speelt in het verpleeghuis. Kun je dit soort inzichten ook overbrengen op andere gebouwen. Welke inzichten kunnen in de openbare gebouwen of thuis worden meegenomen.

We doen ook onderzoek naar ‘creating healthy envrionments’ rondom woonhuizen. Zo hebben we het verband tussen ventilatie, luchtkwaliteit en slaapkwaliteit onderzocht, eerst bij studenten. Er is, niet heel verrassend, een relatie tussen luchtkwaliteit en slaapkwaliteit. Dat kan bij jongeren en ouderen fysiologisch wellicht anders zijn. Daarom is dit ook bij mensen van 40+ en mensen van 65+ onderzocht. Resultaten zijn deels vergelijkbaar, maar je ziet dat wij daarin soms ook denkfouten maken. Bij de 65+ groep bleken afwijkende resultaten zichtbaar. Toen we daar over nadachten en in gesprek gingen met elkaar en onze oudere deelnemers, bleek dat met name de oudere ouderen vaak ook overdag een dutje doen, soms op de slaapkamer, maar soms ook in de woonkamer. Dat moment van slaap en de condities daarvan hebben we niet gemeten en leverde afwijkingen in onze resultaten op. Zo zie je maar, ook mij lukt het niet altijd om rekening te houden met ouder worden in mijn onderzoek. Oudere mensen hebben vaak, maar niet altijd, een ander slaapritme. Je moet dus niet alleen kijken naar de condities in de slaapkamer, maar ook naar de condities in andere ruimtes. Sommige zaken doen we intuïtief, zoals slapen met het raam open, hoewel ook niet iedereen dat fijn vindt. Minder CO2 in de ruimte zorgt voor een betere slaapkwaliteit. Je leefpatroon is belangrijk, evenals mogelijkheden binnen de eigen leefomgeving. Omgevingen op het werk of in het verpleeghuis zijn veel beter beheersbaar wat betreft de fysische condities, maar wellicht minder goed te wijzigen naar de eigen voorkeur zoals thuis.

 

Ik geef altijd het voorbeeld dat we als kinderen van alles leren voor als je later groot bent, maar een scholing over wat we moeten leren gedurende dat we ouder worden is er niet.

Nu in de coronacrisis is onze woonomgeving onze werkomgeving geworden. Zie je nog andere ontwikkelingen vanwege corona waar technologie iets in betekent of kan betekenen.

Je ziet nu veel ontwikkelingen met betrekking tot eenzaamheid en verbinding. De digitale ontwikkeling wordt gestimuleerd. Corona dwingt mensen online te gaan, bijvoorbeeld voor het bezorgen van boodschappen. Om dit toegankelijker voor ouderen te maken zouden we dat makkelijker moeten inrichten. Voor een aanmelding bij een boodschappenbezorgdienst van een winkel moet je een heel protocol invullen. Dat is niet voor iedereen makkelijk of begrijpelijk. Privacy en ethiek zijn uiteraard belangrijk, maar dit soort issues moeten we overwinnen om technologie makkelijker toegankelijk en beter bruikbaar te maken voor ouderen. Kennis bij ouderen moet ook echt nog groeien. Ik sprak laatst een oudere die zei “Ik heb een smartphone en die gebruik ik, maar ik wil mijn laptop gerepareerd hebben, want daarop zit mijn e-mail.” Dus ik dacht: maar je hebt een computer in de hand. Je hebt geen laptop nodig voor alleen je mail. Zo zijn er meer dingen die oppoppen. Twee zonen zitten in de Artificial Intelligence (AI) en smartphones. Ze weten daar zoveel over. Dan denk ik, kunnen we de groepen jongeren en ouderen niet meer bijeen brengen om ervaringen en kennis te delen?

 

Tot slot stellen we iedereen die we interviewen de vraag hoe je jouw eigen ouder worden ziet.

Daar ben ik wel mee bezig. Jaren terug, misschien wel 1997, liep ik stage in een verpleeghuis. Weken, maanden heb ik dat gedaan. Ik was helemaal geschokt. Ik dacht: dit kan en moet anders. Ik dacht ook: mijn moeder mag hier nooit terecht komen. Dat was een enorme drijfveer en eye-opener. Vandaar ook al mijn onderzoeken naar het verpleeghuis. Een paar jaar geleden, ik denk rond het jaar 2016, kwam het inzicht dat ik fysiek actief moet blijven. Niet zozeer in termen van meer wandelen ofzo, maar vooral zoveel mogelijk blijven doen wat je al deed. Fysiek actief blijven is niet gerelateerd aan leeftijd, maar aan wat je nog kan. Wat je lijf nog kan, moet je blijven doen. Dat vind ik belangrijk. Ook het aspect van vrienden. Ik laat daarin leeftijd los. Dat is mijn boodschap. Heb je een goede klik en kun je leuke dingen doen, doe het dan. Ook als de persoon veel jonger of ouder is. We hangen heel veel op aan leeftijd, maar dat moeten we niet doen.

 

Ik hoop dat ik, als er nog een formeel pensioen is, leuke dingen kan doen, richting Aruba (mijn man komt daar vandaan) op een catamaran. Daar zitten we dan op de oceaan. Dat moet je natuurlijk maar afwachten. Ten slotte nog een ding dat ik me realiseerde na het overlijden van een goede vriend: je moet nu leven, niet pas na het pensioen. Het gaat om wat nú speelt. Mijn partner en ik moeten elkaar soms van de computer aftrekken. Je werk is momenteel bijna op je schoot, maar het gaat om nu, niet om straks.