149 Weergaven
0 Downloads
Lees verder

Artikel LASA logo1Fysieke achteruitgang

Fysieke achteruitgang wordt gekenmerkt door een verminderd vermogen om basale activiteiten van het dagelijks leven uit te voeren, zoals aan- en uitkleden, traplopen en naar het toilet gaan (Stenholm e.a., 2014). De leeftijd waarop de fysieke achteruitgang start en de mate en snelheid van achteruitgang verschilt tussen individuen (Hardy e.a., 2005). Fysieke achteruitgang kan mogelijk vertraagd worden door het bevorderen en behouden van een actieve leefstijl in de fase voordat de achteruitgang start (Tak e.a., 2013). De meeste studies tot nu toe zijn echter uitgevoerd bij ouderen boven de 70 jaar, bij wie de achteruitgang vaak al begonnen is (O’Caoimh e.a., 2015). Door te focussen op een jongere groep, namelijk personen van 60-70 jaar, willen wij proberen om subgroepen te identificeren die het meeste baat zouden kunnen hebben bij preventieve interventies.

Onderzoek in LASA en InCHIANTI cohorten

In dit onderzoek, gepubliceerd door Jonkman e a., hebben we trajecten van zelfgerapporteerde fysieke beperkingen gedurende een periode van negen jaar bij mannen en vrouwen van 60-70 jaar onderzocht. Vervolgens hebben we onderzocht of we konden voorspellen wie de komende jaren welk traject zal volgen. Wij hebben gegevens van de Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA) en de Invecchiare in Chianti (InCHIANTI) studie samengevoegd. LASA is een langlopende cohortstudie die gestart is in 1992 in een representatieve steekproef van 3107 Nederlandse ouderen. De deelnemers zijn geselecteerd uit de gemeenteregisters van 11 gemeentes in het westen, noordoosten en zuiden van Nederland. InCHIANTI is een lopende cohortstudie die gestart is in 1998-2000 in een representatieve steekproef van 1453 Italiaanse volwassenen. Voor de huidige studie zijn 60-70 jarigen geselecteerd die aan de tweede meetronde van LASA deelnamen (n=395) of aan de eerste meetronde van InCHIANTI (n=403).

Fysieke beperkingen

Fysieke beperkingen zijn gemeten met behulp van zes vragen over dagelijkse activiteiten die in beide cohorten gesteld werden. Hierbij werd gevraagd in hoeverre de deelnemer moeite had met aan- en uitkleden, gaan zitten en weer opstaan, gebruik maken van het openbaar vervoer, traplopen en eigen teennagels knippen. De antwoordopties varieerden van 0 ‘geen moeite’ tot 3 ‘niet in staat om de activiteit te doen’. De totale score varieerde van 0 ‘geen fysieke beperkingen’ tot 18 ‘maximale fysieke beperkingen’. De fysieke beperkingen zijn in beide studies op vier meetmomenten gemeten gedurende een periode van negen jaar. Hierdoor kan gekeken worden naar trajecten van fysieke achteruitgang.

Mogelijke voorspellers voor het onderscheid in trajecten

Als mogelijke voorspellers van de trajecten van fysieke achteruitgang zijn onderzocht: socio-demografische variabelen (leeftijd, burgerlijke staat, woonsituatie, beroep, opleiding, inkomenstevredenheid), fysieke variabelen (balans, vijf keer achter elkaar opstaan van een stoel, loopsnelheid, handknijpkracht, val in het afgelopen jaar, angst om te vallen), leefstijlvariabelen (lichaamsbeweging, roken, alcoholgebruik) en klinische variabelen (body mass index (BMI), middelomtrek, bloeddruk, zelfgerapporteerde chronische ziekten, medicatiegebruik, cognitief functioneren en depressieve symptomen).

Statistische analyses

Voor de analyses zijn de twee cohorten samengevoegd. Alle analyses zijn apart uitgevoerd voor mannen en vrouwen vanwege de verschillen in fysieke achteruitgang tussen mannen en vrouwen. Eerst hebben we het aantal en het verloop van verschillende subgroepen met trajecten van fysieke achteruitgang geschat en vervolgens hebben we mogelijke voorspellers van deze trajecten onderzocht.

Trajecten van fysieke achteruitgang

Het onderzoek werd uitgevoerd bij 369 mannen met een gemiddelde leeftijd bij aanvang van 67,4 jaar en 429 vrouwen met een gemiddelde leeftijd van 67,5 jaar. Er konden bij zowel mannen als bij vrouwen drie verschillende trajecten van fysieke achteruitgang geïdentificeerd worden: (1) geen/weinig achteruitgang (219 mannen; 241 vrouwen); (2) lichte achteruitgang (114 mannen; 158 vrouwen); (3) substantiële achteruitgang (36 mannen; 30 vrouwen) (Figuren 1 en 2). In de figuren is te zien dat de groep met substantiële achteruitgang relatief klein is en bij aanvang al gekenmerkt wordt door een relatief hoog aantal functionele beperkingen.

Voorspellers voor het onderscheid in trajecten

De voorspellers die het beste onderscheid bleken te maken welk traject mannen zouden volgen waren: loopsnelheid, angst om te vallen en alcoholgebruik. Een hogere loopsnelheid was  hierbij geassocieerd met een lagere kans om geclassificeerd te worden in de trajecten die lichte en substantiële achteruitgang lieten zien. Angst om te vallen verhoogde de kans om in de trajecten van lichte en substantiële achteruitgang terecht te komen, terwijl alcoholgebruik de kans verhoogde om in het lichte achteruitgang traject te komen maar juist verkleinde om in het substantiële achteruitgang traject te komen.

Bij vrouwen waren leeftijd, alleen wonen, inkomenstevredenheid, de balanstest, loopsnelheid, lichaamsbeweging, BMI en cardiovasculaire ziekte belangrijke voorspellers voor het onderscheid in de trajecten. De meeste voorspellers lieten een verhoogde kans zien om in de trajecten van lichte en substantiële achteruitgang terecht te komen. Voor vrouwen die alleen woonden en voor vrouwen die een matige lichaamsbeweging hadden was de kans lager om in het substantiële achteruitgang traject te komen. Een hogere loopsnelheid verminderde de kans om in de twee meest ongunstige trajecten terecht te komen.

Preventie

Dit onderzoek wijst uit dat bij 60-70 jarige mannen en vrouwen drie trajecten van fysieke achteruitgang onderscheiden kunnen worden. Alhoewel het aantal personen in het meest ongunstige traject nog relatief klein is in deze leeftijdsgroep, lijken dit traject en het traject waarin lichte achteruitgang te zien is, juist interessant om preventieve maatregelen te treffen. De voorspellers van deze trajecten verschillen tussen mannen en vrouwen, waarbij een hogere loopsnelheid consistent wijst op een lager risico om in een van de ongunstige trajecten terecht te komen. Om op termijn preventieve maatregelen te kunnen implementeren is het van belang om de trajecten en voorspellers uit onze studie eerst te valideren in andere cohortstudies.

 

Foto cover Geron 2019-1: Claudia Kamergorodski in: ‘100 % leven. Levenslessen van honderdplussers’ (2018) van Yvonne Witter. Amsterdam: Uitgeverij SWP.

Literatuurlijst

  1. Stenholm S., Westerlund H., Salo P., Hyde M., Pentti J., Head J., e a. Age-related trajectories of physical functioning in work and retirement: the role of sociodemographic factors, lifestyle and disease. J Epidemiol Community Health. 2014;68(6):503-9.
  2. Hardy S.E., Dubin J.A., Holford T.R., Gill T.M. Transitions between states of disability and independence among older persons. Am J Epidemiol. 2005;161(6):575-84.
  3. Tak E., Kuiper R., Chorus A., Hopman-Rock M. Prevention of onset and progression of basic ADL disability by physical activity in community dwelling older adults: a meta-analysis. Ageing Res Rev. 2013;12(1):329-38.
  4. O'Caoimh R., Cornally N., Weathers E., O'Sullivan R., Fitzgerald C., Orfila F., e a. Risk prediction in the community: A systematic review of case-finding instruments that predict adverse healthcare outcomes in community-dwelling older adults. Maturitas.2015;82(1):3-21.
  5. Jonkman N.H., Del Panta V., Hoekstra T., Colpo M., van Schoor N.M., Bandinelli S., et al. Predicting Trajectories of Functional Decline in 60- to 70-Year-Old People. Gerontology. 2018;64(3):212-21.
  6. Huisman M., Poppelaars J., van der Horst, M.., Beekman A.T., Brug J., van Tilburg T.G., e.a. Cohort profile: the Longitudinal Aging Study Amsterdam. Int J Epidemiol. 2011;40(4):868-876.
  7. Ferrucci L., Bandinelli S., Benvenuti E., Di Iorio A., Macchi C., Harris T.B. e.a. Subsystems contributing to the decline in ability to walk: bridging the gap between epidemiology and geriatric practice in the InCHIANTI study. J Am Geriatr Soc. 2000;48(12):1618-25.