167 Weergaven
0 Downloads
Lees verder
Goed voorbeeld doet goed volgen, zegt het spreekwoord. In deze bijdrage onderzoek ik hoe het volgen van goede voorbeelden ons weerbaar kan maken. Existentieel weerbaar. Dan gaat het om weerbaarheid die op een of andere manier wezenlijk verbonden is met onze existentie, ons bestaan, ons leven. Op wélke manier – daarover gaat dit artikel.

Weerbaar waartegen?

Weerbaarheid is een relatiebegrip. Weerbaar ben je niet zonder meer, je bent weerbaar tegen iets of iemand. In de wetenschappelijke literatuur, die vandaag grotendeels Engelstalig is, wordt het ‘waartegen’ van weerbaarheid samengevat met de term adversity. De term adversity (letterlijk: tegenslag) verwijst naar omstandigheden en gebeurtenissen die de zeggenschap over ons eigen bestaan kunnen bedreigen, verminderen of belemmeren, zoals armoede, ziekte afhankelijkheid, verslaving, misbruik, geweld, ongeluk, pech. Ook ouderdom wordt soms gezien als adversity, voor zover deze gepaard gaat met een verhoogde kwetsbaarheid door afnemende lichamelijke en geestelijke vermogens.

Als men dergelijke adversity niet lijdzaam wil ondergaan en evenmin wil laten voortbestaan, voor zichzelf en voor anderen, dan is weerbaarheid daartegen geboden, variërend van inspanningen om de adversity te overwinnen tot het vinden van een leefbare omgang met of houding tegenover de adversity als deze onvermijdelijk is. In de Engelstalige wetenschappelijke literatuur heet weerbaarheid resilience, wat letterlijk veerkracht betekent (van het Latijnse re-silire: terugveren). Niet toevallig wordt resilience in de literatuur vrijwel altijd in relatie tot adversity opgevat. Weerbaarheid betekent dan dat de verschillende vormen van adversity veerkrachtig worden weerstaan. In een eerdere bijdrage aan Geron (2016-3) heb ik echter laten zien dat in de Nederlandse humanistische traditie weerbaarheid veel breder wordt begrepen dan alleen als antwoord op adversity.

Jaap van Praag (1911-1981), de grondlegger van het Nederlandse humanisme na de Tweede Wereldoorlog, beschouwde het bevorderen van wat hij noemde ‘geestelijke weerbaarheid’ als zijn ‘grote strijd’ (naast de ‘kleine strijd’ voor gelijkberechtiging van buitenkerkelijken). Van Praag raakte tijdens zijn onderduik, waartoe hij als jood was gedwongen, ervan overtuigd dat het nazisme in de jaren dertig zo om zich heen had kunnen grijpen doordat het de meeste mensen ontbrak aan geestelijke weerbaarheid tegen dergelijke valse ideologieën. Hij beschouwde het hebben van een levensbeschouwing, in het bijzonder het zingevingskader en de inspiratiebronnen die een levensbeschouwing biedt, als de belangrijkste voorwaarde voor geestelijke weerbaarheid. Daartoe ontwikkelde hij in de traditie van de Renaissance en de Verlichting een humanistische levensbeschouwing. Overigens niet in oppositie met religie, integendeel. Van Praag beschouwde de kerken als bondgenoten in zijn ‘grote strijd’.

Geestelijke weerbaarheid in de humanistische traditie betekent dat men een zekere zeggenschap over het eigen leven heeft, en kan houden, tegenover druk of inbreuken daarop, en dat men onder deze druk toch handelingsruimte heeft, alsook interpretatieruime. Dit laatste betekent dat men gebeurtenissen en omstandigheden kan duiden, ‘een plek kan geven’. Een zekere creativiteit dus in het beantwoorden van uitdagingen van druk en tegenslag. Zodat men niet ‘omvalt’ onder tegenslag of druk van omstandigheden, maar terug kan veren – vandaar dat veerkracht zo’n mooie metafoor is voor weerbaarheid.

Maar de druk waarop weerbaarheid in deze zin het antwoord is, omvat veel meer dan alleen de ontregelende tegenslagen van adversity. Zoals het voorbeeld van Jaap van Praag al aangeeft, gaat het ook om culturele en sociale (groeps)druk: de druk op onze wil, op de zeggenschap over ons leven, die uitgaat van heersende opvattingen en ideologieën, van modes, van vooroordelen zoals ageism, van corporate identity in organisaties, van bedrijfscultuur, van de straat, van familie, van de klasse – kortom, van de ‘bubbels’ waar wij allemaal in zekere mate in verkeren, zeker in ons mediatijdperk. Weerbaarheid is dus niet alleen iets voor mensen die kampen met adversity, voor ‘mensen met problemen’, maar voor iedereen. In deze humanistische opvatting moet men sowieso als mens geestelijk weerbaar zijn, of men nu in de problemen zit of niet.

Weerbare waarden

Ik wil nog een slag dieper gaan. Geestelijke weerbaarheid tegen de sociale en culturele druk op onze wil kan nog fundamenteler worden begrepen, namelijk als wezenlijk verbonden met ons bestaan, als existentiële weerbaarheid. Deze zoek ik te articuleren, in kaart te brengen.

Ik kwam existentiële weerbaarheid in mijn leven op het spoor door de ervaring dat inspirerende voorbeelden mij weerbaar maken. Soms zijn deze voorbeeldfiguren bekende of beroemde mensen, zoals Nelson Mandela, Rosa Parks, en Pieter Omtzigt, maar vaak zijn het ook minder bekende mensen zoals mijn grootmoeder, over wie zo dadelijk meer. Rosa Parks is de zwarte vrouw die in 1955 in de VS weigerde haar zitplaats in de bus af te staan aan een blanke man, waarna zij werd gearresteerd wegens verstoring van de openbare orde. Later stelde het Hooggerechtshof haar in het gelijk, en verklaarde het de scheiding tussen zwarten en blanken ongrondwettig. Voorbeeldfiguren zijn mensen die, tegen de vaak grote druk van hun omgeving, overtuigend bepaalde morele waarden demonstreren, waarmaken, belichamen en overeind houden – zoals bij de hier genoemde voorbeeldfiguren: moed, sociale rechtvaardigheid, autonomie. Zij maken deze waarden concreet in hun handelen en optreden. Daardoor kunnen zij inspirerend zijn, wat betekent dat zij iets van deze moed, rechtvaardigheid en autonomie op anderen, en in dit geval op mij, overdragen.
Maar hoe kunnen inspirerende voorbeelden, door de waarden die zij belichamen, mij weerbaar maken? Dat hangt af van hoe we waarden opvatten, en hoe we ermee omgaan. Vaak wordt er met waarden geschermd, gepronkt of gepreekt, als waren het glanzende ballen in de kerstboom. In mijn visie, echter, hebben waarden een relationeel karakter. Het zijn relaties, relaties van weerbaarheid. Vrijheid, bijvoorbeeld, is in deze visie weerbaarheid tegen slaafsheid. Niet in absolute zin, in de zin van óf vrijheid óf slaafsheid, maar gradueel: op een schaal van meer en minder. Vrijheid moet altijd verkregen worden op, veroverd worden op, en verdedigd worden tegen onvrijheid en slaafsheid. Die strijd is nooit gestreden. De waarde vrijheid is een permanent weerbare verhouding tot haar ‘tegendeel’ onvrijheid of slaafsheid. Weerbaar impliceert dus ook: strijdbaar.

Andere voorbeelden van waarden als weerbare verhoudingen tot hun ‘tegendeel’, hun uitdaging of inbreuk, zijn: verantwoordelijkheid als weerbaarheid tegen het afschuiven van schuld, en tegen onverschilligheid; rechtvaardigheid als weerbaarheid tegen uitbuiting en vernedering, bijvoorbeeld van ouderen (door het instellen en onderhouden van arrangementen en instituties die iedereen daartegen beschermen); moed als weerbaarheid tegen angstige lafheid en zwijgcultuur; solidariteit als weerbaarheid tegen sociale kloven (qua rijkdom, gezondheid, leeftijd, etc.); diversiteit als weerbaarheid tegen de dominantie van een monocultuur; duurzaamheid als weerbaarheid tegen het bederven van water, bodem, atmosfeer, klimaat.

De veerkrachtmetafoor past goed bij deze relationele weerbaarheid. Een veer geeft pas zijn kracht als je erop drukt. De ‘tegendelen’ onvrijheid en slaafsheid drukken permanent op vrijheid. Zo ook drukken uitbuiting en vernedering permanent op rechtvaardigheid; drukken schuld-afschuiven en onverschilligheid permanent op verantwoordelijkheid; en drukken angstige lafheid en zwijgcultuur permanent op moed. Dit geldt in deze relationele visie voor alle hier genoemde waarden. Als het lukt realiseert veerkrachtige weerbaarheid steeds een balans tussen ‘het goede’ en zijn tegendeel of inbreuk daarop die dit goede steeds opnieuw en onophoudelijk uitdaagt, bedreigt of ondermijnt.

Voorbeeldfiguren

Voorbeelden ondersteunen deze veerkracht, zij helpen mij de balans in de waarde de goede kant op te trekken. Voorbeeldfiguren laten mij zien hoe zij dit doen, in hun context, in hun situatie waarin zij met de druk van inbreuken worden geconfronteerd. Hun inspiratie betekent dat zij mij uitnodigen, dóór hun optreden, om in mijn context (die heel verschillend kan zijn van de hunne – denk maar aan Nelson Mandela en Rosa Parks), in mijn situatie van druk een creatief antwoord op de inbreuk te vinden, mijn eigen concretisering of toepassing van de waarde in kwestie te realiseren. En dat betekent: steeds opnieuw die balans in de waarde te vinden ten opzichte van haar drukkende tegendeel.

In het algemeen geldt: waarden zijn bepalend in ons leven, in ons individuele, sociale en maatschappelijke leven. Voortdurend confronteren we elkaar met waarden, en dragen we waarden op elkaar over: morele waarden zoals verantwoordelijkheid, rechtvaardigheid, respect; gelukswaarden zoals welvaart en gezondheid; sociale waarden als communicatie, reputatie en prestige. Zoals Plato al wist: bij alles wat we doen en laten gaan we uit van waarden, al was het alleen maar uit eigenbelang. We kunnen niet leven zonder waarden, maar we kunnen ook nooit zeker weten wat een waarde precies inhoudt. De balans in de waarden moeten we steeds opnieuw bepalen. Voorbeeldfiguren helpen daarbij. En omdat waarden weerbare veerkrachtige verhoudingen zijn, is weerbaarheid wezenlijk voor ons bestaan. Vandaar: existentiële weerbaarheid.

Maar dat is existentiële weerbaarheid in het algemeen. Hoe leren we existentiële weerbaarheid kennen, waarvan ik eerder zei dat ik haar door ervaring op het spoor kwam? Ik noemde mijn grootmoeder als een voor mij belangrijke voorbeeldfiguur. Zij woonde met haar gezin, onder wie mijn moeder als kind, in een groot landhuis in de buurt van Heerde, Gelderland. In het laatste oorlogsjaar 1944-45, mijn moeder was toen een vroege tiener, wilde de Duitse bezetter het huis confisqueren om er Duitse militairen in onder te brengen. Dit zou een ramp hebben betekend voor de inmiddels vele bewoners, onder wie ook familieleden van elders, vluchtelingen uit Arnhem, hongerlijders uit Amsterdam, en niet in de laatste plaats ‘illegale’ onderduikers. Mijn grootmoeder is toen met Duitse officieren gaan praten over dit voornemen, en op een of andere manier is het haar gelukt hen te overtuigen, en hen van het plan te doen afzien.

Ik heb, geboren in 1954, over dit moedige optreden van mijn oma uiteraard pas veel later gehoord, maar omdat ik al wel bekend was met haar grote overtuigingskracht, heeft dit sterke staaltje van haar mij nooit verbaasd. Het is precies deze rustige overtuigingskracht, haar onverstoorbaarheid, haar standvastig pal staan, ook op haar hogere leeftijd, die mij tot op de dag van vandaag inspireren. Die mij helpen de balans in waarden te vinden en te houden; die mij helpen mijn bestaan weerbaar te maken, en te houden. Voor mij was zij de wijze oudere grootmoeder, maar vóór mij was zij dat allang voor anderen.

Literatuurlijst

Verder lezen?

  1. Duyndam, J. (2020). Over de waarde van voorbeeldfiguren in een vrije samenleving. Van Twaalf tot Achttien, 30 (10), 6-8.
  2. Duyndam, J. (2017). Resilience Beyond Mimesis. Humanism, Autonomy, and Exemplary Persons. In B.E.J.H. Becking, A.J.A.C.M. Korte & L. van Liere (Eds.), Contesting Religious Identities. Transformations, Disseminations and Mediation (pp. 175-193). Leiden, Boston: Brill
  3. Duyndam, J. (2016). Veerkracht, een bijdrage aan de theorievorming. Geron, 18 (3), 58-61.