151 Weergaven
2 Downloads
Lees verder
Paul van Tongeren (2018). Willen sterven. Over de autonomie en het voltooide leven. Utrecht: Uitgeverij Kok. (126 pagina’s, € 13,99, ISBN 978 90 435 2945 7, ISBN e-book 978 90 435 2946 4)

boekbespreking van Tongeren omslag

Door alle eeuwen heen zijn er mensen geweest die de wens uitgesproken hebben dood te willen. Een deel van deze mensen voegde de daad bij het woord en nam afscheid van dit leven. Dat er mensen zijn die dood willen, lijkt dus heel vanzelfsprekend. Maar is dat eigenlijk wel zo? Want wat bedoelt iemand die zegt dat hij dood wil? De kracht van de filosofie ligt in het doordenken van wat vanzelfsprekend lijkt. Dat is een kunst en een vak. Paul van Tongeren verstaat beide als geen ander, zoals hij laat zien in dit essay, een bewerking van het afscheidscollege dat hij op 7 maart 2017 hield aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in Leuven. In zorgvuldig gekozen woorden ontleedt hij geduldig twee grote uitdagingen voor ons denken: de dood en de wil.

Voor hij hiermee begint, staat hij stil bij zijn eigen context en positie als denker, zodat de weg die hij vervolgens gaat navolgbaar blijft voor de lezer. Vervolgens schetst hij de maatschappelijke context van zijn vraag door in te gaan op de actuele discussie rond de euthanasiewet en voltooid leven. Die discussies brengen hem op het centrale begrip autonomie, en vandaar komt hij op de vraag hoe het mogelijk is om de dood te willen.

Paradox

Er schuilt namelijk een vreemde paradox in het dood willen. Aan de ene kant lijkt dood willen altijd een vorm van niet willen te zijn: de dood zelf is namelijk de vernietiging, de afwezigheid van leven. Wie dood wil, wil dus niet leven. Tegelijkertijd is er in dit niet willen ook een positieve kracht aanwezig die het leven (dat afgewezen wordt) als het ware bevestigt. En hoe kan die wil nu tegelijkertijd zichzelf vernietigen en bevestigen?

Deze paradox van de wil voert vervolgens naar een hoofdstuk waarin Van Tongeren zich bezighoudt met de vraag wat de wil nu precies voor vermogen is? Wat wij nu de wil noemen, is namelijk iets dat in de klassieke Oudheid op die manier helemaal niet bestond. Het is pas aan het einde van de vierde eeuw na Christus, dat we de wil zien opdoemen. Wat leren we over de wil op het moment waarop zij verschijnt?

Een denker die ons hier verder kan helpen is Augustinus (354-430). In een mooi minicollege geschiedenis van de wijsbegeerte, legt Van Tongeren uit hoe Augustinus vanuit zijn Christelijke denken met een probleem geconfronteerd werd dat de Grieken op die manier niet kenden: hoe is het mogelijk dat mensen kwaad doen waarvan ze weten dat het geen enkel goed dient? Waar de botsing tussen het Joodse en het Griekse denken tot een schijnbaar onoplosbaar probleem voerde, wordt iets nieuws geboren: de wil.

Vanuit Augustinus is een duidelijke lijn in het Westerse denken te ontdekken die iets duidelijk maakt over de menselijke wil. Wie iets wil, wil niet alleen datgene wat gewild wordt, maar eigent zich tegelijkertijd dat willen toe als iets van zichzelf. Er zit dus een soort dubbele beweging in het willen.

Patstelling

Maar Augustinus ontdekt nog iets omtrent die wil: de ervaring van een conflict in de wil zelf, een verdeeldheid in zichzelf tussen tegelijkertijd willen en niet-willen. Wanneer we beide ontdekkingen combineren, beginnen we iets te zien van de verlammende situatie waarin Augustinus verkeerde toen hij worstelde met de vraag of hij zich tot het Christendom moest bekeren. De twee willen in hem zorgden voor een patstelling waar hij niet uit leek te komen: een existentiele crisis waarbij hij verscheurd werd tussen zichzelf willen blijven en iemand anders willen worden.

Maar het meest leerzame ontdekken we wanneer we de vraag stellen hoe Augustinus uit deze patstelling kwam: namelijk door zich te bekeren. Wat als een actieve daad klinkt, wordt namelijk gekenmerkt door een diepe ‘passiviteit’; een aan zich laten gebeuren, of in de woorden van de christelijke theologie: genade. En daar vinden we opnieuw een grote paradox in de wil: in de kern van het actieve wilsbesluit lijkt een passieve ontvankelijkheid te schuilen.

Iets willen is dus niet zo eenvoudig als het lijkt. Met name als het gaat om het willen van zoiets ongrijpbaars en existentieels als de eigen dood, zien we dan ook vergelijkbare paradoxen optreden die ook Augustinus al signaleerde. Aan de hand van de zelfobservaties van de Zuid-Afrikaanse literator Karel Schoeman en het onderzoek van Els van Wijngaarden, ontdekken we dat dood willen vol paradoxen zit. De jarenlange twijfel en aarzeling bij Schoeman, en de gelijktijdigheid van ‘dood willen, maar nu nog niet’ die de respondenten uit het onderzoek van Els van Wijngaarden ten toon spreiden, spreken voor zich. Van Tongeren ontdekt in dit laatste een interessante gelijkenis met Augustinus wens ‘zich te bekeren, maar nu nog niet’.

Wat nu?

In een laatste hoofdstuk (geen conclusie, want het denken is niet afgesloten), vraagt Van Tongeren zich ten slotte af wat we nu moeten met deze gedachten? Zijn antwoord valt in drie delen uiteen. In de eerste plaats kunnen we leren uit de ervaringen van mensen die dood willen, dat mensen niet kunnen leven zonder verbindingen met anderen. Misschien is de grootste opgave voor onze tijd wel het helpen op de hulpeloze manier van luisteren. In de tweede plaats zouden we met onze angst voor verlies aan regie kunnen omgaan door te beseffen dat we altijd al in een netwerk van andere mensen geleefd hebben, waarbij we voortdurend deels onze regie overgegeven hebben. Ten derde zouden we ons kunnen realiseren dat de dood niet voor niets een taboe is en altijd zal blijven: het vormt de grens van het speelveld van het leven, en daarmee de grens van onze willekeur en maakbaarheid.

Willen sterven is, hoewel helder en toegankelijk geschreven, geen gemakkelijk boekje. Het vraagt erom in rust en met aandacht gelezen te worden. Alleen zo kan het zijn uitwerking hebben op wie bereid is vanzelfsprekendheden te willen onderzoeken. Daarbij roept het ook weer nieuwe vragen op. Want hoe zit dat met de wil en het geworteld zijn daarvan in onze lichamelijkheid; wortels die veranderen tijdens het ouder worden? Goede filosofie zet aan tot verder denken. En dat doet dit boekje op prachtige wijze.