14 Weergaven
0 Downloads
Lees verder
Stijgende dementiecijfers worden veelal als onontkoombaar voorgesteld, als een niet te vermijden ontwikkeling. Een veelgehoorde opmerking is “Ik zal het vast ook krijgen, het zit namelijk bij mij in de familie”, niet wetende dat minder dan 10% van de ziektegevallen genetisch bepaald is en dit ‘familie-fenomeen’ waarschijnlijk het effect is van steeds ouder wordende familieleden. Terwijl de afgelopen tien jaar epidemiologisch onderzoek aangeeft, dat deze onontkoombaarheid niet het geval is. Er is wel degelijk wat te doen om het risico op dementie te verlagen.

Prevalentie van dementie nu en straks

Het merendeel van de artikelen en beleidstukken over dementie beginnen met een schatting van het aantal personen met dementie nu, en hoe dat de volgende decennia zal verlopen. Voor het Vlaamse Gewest komen we dan uit op 131.800 personen nu en een toename tot 260.000 tegen 2060. In Nederland hebben op dit moment volgens cijfers van Alzheimer Nederland ongeveer 280.000 mensen dementie. Dit aantal zal oplopen tot ruim 620.000 mensen in 2050. Dit heeft grote impact, zeker als je weet dat elke persoon met dementie ook nog eens een drietal mantelzorgers om zich heen heeft. Maar de cijfers verhullen ook een aantal belangrijke dingen, zoals het feit dat de verwachte stijging vooral veroorzaakt wordt door de gestegen (en nog stijgende) levensverwachting. Wat op zich goed nieuws is.

Tien jaar groei naar wetenschappelijke consensus: preventie kan het verschil maken

Zo’n jaar of tien geleden begon op basis van gefragmenteerd en bescheiden onderzoek de vraag op te duiken of er preventief iets aan dementie gedaan kon worden via gezonde leefstijl, en wel via veranderbare leefstijlfactoren. Het Amerikaanse National Institute of Health publiceerde in 2010 een meta-review en kwam toen tot de volgende conclusie: “The current research on the list of putative risk or protective factors is largely inadequate to confidently assess their association with Alzheimer’s Disease or cognitive decline. Further research that addresses the limitations of existing studies is needed prior to be able to make recommendations on interventions.” Eerder een terughoudende conclusie dus, vooral bij gebrek aan epidemiologisch onderzoek van voldoende methodologische kwaliteit.

Dat onderzoek is er sindsdien gelukkig wel gekomen. Er zijn verschillende studies die recentere generaties ouderen vergeleken met vroegere generaties. Zo bleek onder meer dat de 90-jarigen geboren in 1915 cognitief sterker waren dan de 90-jarigen uit 1905 en een lager risico hadden op dementie (onder andere Christensen e.a., 2013; Matthews e a., 2013). Als verklaring werd gekeken richting gezondere leefstijl en leefomstandigheden.

Een ‘landmark’ studie uit 2014 toonde het potentieel van primaire preventie van dementie aan (Norton e.a., 2014). Als we hypothetisch 7 risicofactoren (diabetes, hoge bloeddruk, obesitas, onvoldoende lichaamsbeweging, depressie, roken en onvoldoende mentale stimulatie) uit onze samenleving konden wegnemen, dan hadden we substantieel minder gevallen van dementie wereldwijd (±10 miljoen mensen).

Door deze inzichten en vergelijkbare nieuwe onderzoeken groeide snel consensus onder wetenschappers dat het risico op dementie op hoge leeftijd wel degelijk verlaagd kan worden door een gezonde leefstijl op middelbare leeftijd. Het gaat wel om lange termijneffecten, want dementie is een aandoening “in slow motion”. De schade aan onze hersenen is dikwijls al ruim 20 jaar aan de gang voordat er sprake is van waarneembaar geheugenverlies of gedragsveranderingen.

Die consensus vertaalde zich ook in wetenschappelijk en maatschappelijk draagvlak om te werken aan primaire preventie van dementie. Zo schreef de speciale dementiecommissie van The Lancet in 2017 als kernboodschap: “Be ambitious about prevention” (Livingston e.a., 2017). En in mei 2019 publiceerde de Wereldgezondheidsorganisatie richtlijnen rond preventie van dementie met de slagzin “Adopting a healthy lifestyle helps reduce the risk of dementia”. Weg is de aarzeling en terughoudendheid die het National Institute of Health in 2010 nog verwoordde.

Wat goed is voor ons hart, is goed voor het brein

Er worden op nieuwsmedia en sociale media veel risicofactoren en beschermende factoren voor dementie genoemd: van dagelijks een glas champagne drinken, te veel slapen, chocolade eten, veel sauna’s nemen, een nieuwe taal leren, tot ginkgo biloba of sudoku’s invullen. Veel daarvan haalt de media omdat het aantrekkelijk of verrassend klinkt, maar helaas gaat dat nauwelijks samen met een gedegen wetenschappelijke onderbouwing.

Onderzoekers van de Universiteit van Maastricht bouwden een evidence-based risicomodel dat alleen rekening houdt met veranderbare leefstijlfactoren, de ‘LIfestyle for BRAin health’ (LIBRA) score. De test kan eenvoudig en snel afgenomen worden op https://www.mijnbreincoach.eu/ en geeft meteen aan welke leefstijlfactoren aangepakt kunnen worden om het risico op dementie te verkleinen. Het gevalideerde LIBRA risicomodel omvat 12 risico en beschermende factoren en geeft ze een relatief gewicht voor hun invloed op het verlagen van het risico op dementie (Figuur 1: Deckers e.a., 2015; Schiepers e a., 2018).

 

Artikel Steyaart figuur 1

Figuur 1. Overzicht van de 12 LIBRA factoren en hun individuele bijdrage aan de totale LIBRA score (gebaseerd op gewichten van bestaande meta-analysen; Deckers e.a., 2015)

 

Twee zeer recente studies laten zien dat een gezonde leefstijl de kans op dementie verkleint ongeacht of iemand een laag of hoog genetisch risicoprofiel heeft (Licher e.a., 2019; Lourida e.a., 2019). Belangrijke observatie hierbij is dat veel van deze risicofactoren ook essentieel zijn bij cardiovasculaire aandoeningen, en er dus sprake is van overlap. Dit kan worden samengevat onder het credo: “Wat goed is voor het hart, is goed voor het brein’’.

Bewustzijn verhogen rondom relatie leefstijl en dementie: een publiekscampagne helpt!

De wetenschappelijke wereld mag dan in amper een decennium grondig van inzicht veranderd zijn en nu een duidelijke link leggen tussen gezonde leefstijl op middelbare leeftijd en het risico op dementie, daarom is die kennis nog niet onder gezondheidsprofessionals en de algemene bevolking bekend. Identiek vragenlijstonderzoek in Nederland en Vlaanderen toont aan dat slechts 44% van de Nederlanders en 34.8% van de Vlamingen tussen de 40 en 75 jaar oud denkt dat er iets aan de kans op dementie gedaan kan worden. Vergelijkbare resultaten zijn ook in Groot-Brittannië gevonden (Stevens e.a., 2019, 26).

Zowel in Vlaanderen (www.sanimemorix.eu) als in de Nederlandse provincie Limburg (www.wezijnzelfhetmedicijn.nl) is direct actie ondernomen door middel van een publiekcampagne gericht op verhoging van het bewustzijn onder de algemene bevolking.

Om de kennis over hersengezondheid in Vlaanderen te verhogen, organiseerde het Expertisecentrum Dementie Vlaanderen in samenwerking met Alzheimer Liga Vlaanderen, Vlaams Instituut Gezond Leven en Vlaams Apothekers Netwerk een publiekscampagne in het najaar van 2018. Die bestond uit het verdelen van 40.000 “vaccin” doosjes onder de naam SaniMemorix. Het doosje bevatte uiteraard geen echt vaccin maar een bijsluiter met de kernboodschap van ‘preventie van dementie’, getuigenissen van bekende Vlamingen zoals minister Jo Vandeurzen of prof. Christine Van Broeckhoven, en een steekkaartje met daarop kort de belangrijkste leefstijlfactoren grafisch weergegeven. De verdeling gebeurde onder meer tijdens de internationale Alzheimerdag op 21 september 2018 en tijdens de week van de zorg (11-17 maart 2019). Deze campagne slaagde erin om 10% van de Vlamingen duidelijk te maken dat er wel een relatie ligt tussen leefstijl en het risico op dementie. Na afloop van de campagne dacht 44.8% van de ondervraagden dat er iets aan de kans op dementie gedaan kan worden.

In de Nederlandse Provincie Limburg liep de bewustwordingscampagne ‘’We zijn zelf het medicijn’’ van maart 2018 tot en met januari 2019. In de campagne stonden drie leefstijladviezen centraal: blijf nieuwsgierig, eet gezond en beweeg regelmatig. Door middel van het verspreiden van campagnemateriaal (35.000 folders, 1.000 posters, bereik van 200.000 mensen via sociale media, meer dan 10.000 downloads van de MijnBreincoach app), het geven van publiekslezingen, media-optredens, het oprichten van een vriendenprogramma (bestaande uit meer dan 140 bedrijven/verenigingen) is geprobeerd om zo veel mogelijk mensen met deze belangrijke boodschap te bereiken. Na afloop van de campagne werden de campagnethema’s regelmatige lichaamsbeweging en gezonde voeding door meer mensen herkend als beschermend tegen dementie, in vergelijking met de meting die voorafgaand aan de campagne heeft plaatsgevonden (lichaamsbeweging: 7.6% meer herkenning; gezonde voeding: 10.5% meer herkenning).

Kortom, het is haalbaar om via een publiekscampagne (met geringe middelen) mensen meer ‘hersenbewust’ te maken. De bal ligt daarmee ook bij de nationale politiek om dit verder op te pakken.

Bereiken van risicogroepen

We weten uit onder meer Nederlands onderzoek dat het risico op dementie niet gelijk verdeeld is over de bevolking, en met name mensen in armoede en mensen met een niet-Westerse etniciteit beduidend hoger risico hebben. Recent onderzoek heeft aangetoond dat het verschil in de kans op dementie tussen mensen met een lage en hoge sociaaleconomische status voor meer dan 50% wordt verklaard door veranderbare leefstijlfactoren (Deckers e.a., 2019). Juist deze groepen zitten ook algemeen aan de slechte kant van de gezondheidsongelijkheid en hebben een kortere (gezonde) levensverwachting.

Bovendien bereiken algemene gezondheidscampagnes deze doelgroepen minder. Daardoor ontstaat het dilemma dat primaire preventie de gezondheidsongelijkheid alleen maar vergroot. Om dat te vermijden moeten we bijzondere aandacht geven aan deze “hard-to-reach” groepen (onder andere laaggeletterdheid), en hen op een andere manier informatie over hersengezondheid aanbieden, bijvoorbeeld door veel beeld of animaties met gesproken tekst te gebruiken, en hen betrekken bij de ontwikkeling van voorlichtingsmateriaal. Er is dus genoeg werk aan de winkel.

Rol van de huisarts en zorgprofessionals

Patiënten komen normaliter bij de huisarts als er wat aan de hand is en verwachten curatieve geneeskunde. Maar de huisarts (en/of praktijkondersteuner in Nederland) is ook bij uitstek de ideale persoon om aan primaire preventie van dementie te werken en persoonlijke leefstijladviezen te geven. In het kader van risicoreductie van dementie hoeven er in de huisartsenpraktijk geen drastische aanpassingen te worden doorgevoerd. Binnen het bestaande cardiovasculair risicomanagement spreekuur kan er gebruik worden gemaakt van een nieuwe insteek: “Wist u dat roken, onvoldoende lichaamsbeweging en hoge bloeddruk niet alleen slecht voor uw hart zijn, maar ook voor uw brein?” Dit allemaal ter bevordering van een hersengezonde samenleving!

Ook andere zorgprofessionals hebben dikwijls kans om kleine gesprekjes te voeren over preventie van dementie door risicoverlagende leefstijl. Denk maar aan een verzorgende in een woonzorgcentrum/verpleeghuis, die door mantelzorgers aangesproken wordt met de vraag “wat is de kans dat ik het ook krijg?”. Of een diëtist die een patiënt met obesitas behandelt en op de lange termijn risico’s kan wijzen. Of een fysiotherapeut die een patiënt kan wijzen op de voordelen van fysieke activiteit, waaronder risicoverlaging van dementie. Wat een opportuniteiten om de rol van gezonde leefstijl onder de aandacht te brengen!

Literatuurlijst

  1. Christensen, K., e.a. (2013 ). Physical and cognitive functioning of people older than 90 years: a comparison of two Danish cohorts born 10 years apart. The Lancet, 382, 1507-1513.
  2. Deckers, K., e.a. (2019). Modifiable Risk Factors Explain Socioeconomic Inequalities in Dementia Risk: Evidence from a Population-Based Prospective Cohort Study. J Alzheimers Dis, 71(2), 549-557. doi: 10.3233/jad-190541
  3. Deckers, K., e.a. (2015). Target risk factors for dementia prevention: a systematic review and Delphi consensus study on the evidence from observational studies. International Journal of Geriatric Psychiatry, 30(3), 234-246.
  4. Licher, S., e.a. (2019). Lifetime risk and multimorbidity of non-communicable diseases and disease-free life expectancy in the general population: A population-based cohort study. PLoS Medicine, 16(2), e1002741.
  5. Livingston, G., e.a. (2017). Dementia prevention, intervention, and care. The Lancet, online.
  6. Lourida, I., e.a. (2019). Association of lifestyle and genetic risk with incidence of dementia. JAMA, advance access.
  7. Matthews, F.E., e.a. (2013). A two-decade comparison of prevalence of dementia in individuals aged 65 years and older from three geographical areas of England: results of the Cognitive Function and Ageing Study I and II. The Lancet, 382(9902), 1405-1412.
  8. Norton, S., e.a. (2014). Potential for primary prevention of Alzheimer’s disease: an analysis of population-based data. Lancet Neurol, 13(8), 788-794.
  9. Schiepers, O., e.a. (2018). Lifestyle for Brain Health (LIBRA): a new model for dementia prevention. International Journal of Geriatric Psychiatry, 33(1), 167-175.
  10. Stevens, J., e.a. (2019). Dementia Attitudes Monitor. London: Alzheimer’s Research UK.