Het probleem van het spiegelbeeld
Ouder worden verandert de verhouding tot ons spiegelbeeld. Sommige aspecten van ons uiterlijk treden naar voren, terwijl andere juist naar de achtergrond verdwijnen. Ik herinner me nog goed de tegenzin waarmee ik als tiener in de spiegel keek. Het leek alsof ik telkens met mijn tenen tegen een onzichtbare muur van regels stootte waaraan mijn lichaam niet voldeed. Met de tijd is mijn blik wel verzacht, maar nu ik eind dertig ben, voel ik mijn spiegelbeeld opnieuw in beweging komen. Wanneer ik ’s ochtends in de spiegel kijk, vallen mijn ogen op de eerste sneeuwlaag van wit haar, de rimpels op mijn voorhoofd, het slinkende tandvlees en een wildgroei van rode moedervlekjes op mijn bovenlijf. Deze vlekjes worden ruby spots of seniele angiomen genoemd: onschadelijke woekeringen van bloedvaatjes die – zoals de medische naam suggereert – vooral voorkomen bij ouderen. Inderdaad, ik word ouder, denk ik dan, terwijl ik de bloedkleurige blaasjes op mijn huid onderzoek. Wat tot dat moment een abstract begrip was gebleven – ouder worden – verandert door deze blik in de spiegel in een persoonlijke, onbetwistbare zekerheid.
Naast mijn persoonlijke verhouding tot het spiegelbeeld is de spiegel ook een terugkerend motief in mijn onderzoek naar de betekenis van het oude lichaam. In interviews en memoires verwijzen ouderen vaak naar het verontrustende effect dat een blik in de spiegel met zich meebrengt. Alleen voor de spiegel staan geeft een intiem gevoel, maar het is ook een confrontatie met het lichaam zoals het verschijnt voor anderen. Hoe gaan ouderen om met de verandering van hun ‘publieke lichaam’, en hoe leren of weigeren zij om zichzelf als ‘oud’ te zien? Ik hoop hierop een antwoord te geven door te kijken naar de rol van het spiegelbeeld in het gerontologische debat en in het werk van psychoanalyticus Jacques Lacan en filosoof Simone de Beauvoir.
Het spiegelstadium
Het is een schijnbaar triviaal feit dat ik mijn eigen gezicht niet zonder hulpmiddelen kan zien. Mijn blik op mezelf en mijn besef van wie ik ben zijn altijd bemiddeld door spiegels. In zekere zin is het spiegelbeeld de bakermat van mijn identiteit – een inzicht dat treffend wordt beschreven door de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan. Lacans theoretisch werk draait om de structuur van subjectiviteit: hoe is het ik ingericht, en welke rol spelen taal en verlangen bij zijn ontstaan? Een belangrijk aanknopingspunt vormt de vroege fase in de ontwikkeling van het kind (tussen zes en achttien maanden), die hij het spiegelstadium noemt (Lacan, 2006). In deze periode leren kinderen zich te identificeren met hun spiegelbeeld, wat door Lacan wordt beschouwd als de oorsprong van het ik.
Vóór het doorlopen van het spiegelstadium ervaren kinderen hun lichaam als gefragmenteerd, als een verzameling van losse lichamelijke sensaties. De reflectie in de spiegel daarentegen toont het lichaam als één samenhangend geheel. Door zich met dit geheel te identificeren, verwerft het kind een nieuwe manier om zijn ervaring te organiseren – het ik ontstaat. Lacans theorie laat zien dat deze ontwikkeling geen endogeen proces is, maar juist tot stand komt door de inwerking van de omgeving. Volgens de psychoanalyticus is er bovendien nooit een perfecte overeenkomst tussen innerlijke ervaring en uiterlijk beeld. Ondanks de identificatie blijft er een spanning bestaan tussen beide polen, een spanning die het ik gedurende het hele leven blijft vergezellen.
Ouderdom als het omgekeerde spiegelstadium
Hoewel Lacan over subjectiviteit in het algemeen schrijft, biedt zijn theorie van het spiegelstadium interessante aanknopingspunten voor een analyse van de ouderdom. De spanning die Lacan beschrijft tussen innerlijke ervaring en uiterlijk beeld voert op latere leeftijd steeds vaker de boventoon – een fenomeen dat ik het omgekeerde spiegelstadium wil noemen.
Het omgekeerde spiegelstadium is een levensfase waarin de betekenis van het spiegelbeeld radicaal verandert. Waar het spiegelbeeld ooit de bakermat van identiteit was, wordt het op latere leeftijd steeds meer een bron van vervreemding. Veel ouderen herkennen zich niet in het lichaam dat ze in de spiegel zien en dat door de samenleving als ‘oud’ wordt bestempeld. Deze afstand van het spiegelbeeld vindt zijn weerslag in vaak gehoorde uitspraken, zoals ‘Je bent zo oud als je je voelt’ of ‘Van binnen ben ik nog steeds jong’.
Sociale gerontologen hebben een term voor deze neiging om afstand te doen van het oude lichaam: mask of aging (Featherstone & Hepworth, 1991). Volgens hen ervaren mensen hun ouder wordend lichaam steeds meer als een masker dat hun ware identiteit verhult. Het ik wordt geïdentificeerd met een innerlijke werkelijkheid – mentale veerkracht of een jeugdige houding – losgekoppeld van het aftakelende lichaam. Dat het oude lichaam steeds meer als een masker wordt ervaren, weerspiegelt niet alleen de existentiële confrontatie met zijn toenemende afhankelijkheid en kwetsbaarheid; het is vooral ook een antwoord op stigmatisering. Omdat hun lichamen afwijken van gangbare normen van fitness, activiteit en schoonheid, bevinden ouderen zich doorgaans aan de marges van de ‘westerse’ cultuur. Door afstand te doen van het oude lichaam en de negatieve stereotypen die daarmee gepaard gaan, verzetten ouderen zich tegen hun marginalisering. De prijs voor deze verzetsdaad is het vreemd worden van het lichaam, waardoor het moeilijker wordt om betekenis te geven aan de fysieke veranderingen van het ouder worden.
Het spiegelkabinet van de samenleving
Anders dan Lacans spiegelstadium is het omgekeerde spiegelstadium geen louter intieme verhouding tussen een individu en zijn spiegelbeeld. Het suggereert een socio-culturele omgeving, een maatschappelijke Ander die bij elke blik in de spiegel over de schouder meekijkt. Dit idee sluit aan bij Simone de Beauvoirs fenomenologisch-marxistische analyse van de ouderdom. In haar boek De ouderdom (La vieillesse) beschrijft De Beauvoir (1970) uitvoerig de politieke, culturele en economische condities die bepalend waren voor het leven van ouderen in Frankrijk in de jaren zestig. In een kapitalistische samenleving, zo betoogt zij, is er geen ruimte voor ‘niet-productieve’ elementen. Ouderen worden naar de marges geduwd en tellen niet langer mee. Tegenover de schrijnende armoede van veel ouderen staat een brede maatschappelijke onverschilligheid – een ‘samenzwering van stilzwijgen’ die De Beauvoir (1970, p. 8, mijn vertaling) met haar werk probeert te doorbreken.
Ouderdom is volgens De Beauvoir geen objectief feit, maar een situatie. Ouderen hebben niet alleen te maken met de verandering van hun fysieke lichaam, maar bevinden zich ook in een sociaal-culturele wereld die beheerst wordt door het kapitalistische productiviteitsdenken. Het is alleen in deze bredere sociale context dat lichamelijke achteruitgang een specifiek negatieve betekenis krijgt.
De Beauvoirs analyse suggereert dat achter elk spiegelbeeld een waar spiegelkabinet schuilt, waarin maatschappelijke stereotypen over het ideale, productieve lichaam eindeloos weerkaatst worden. In De ouderdom, beschrijft zij haar shock toen zij op vijftigjarige leeftijd werd geconfronteerd met de woorden van een student: “Maar Simone de Beauvoir, dat is toch een oude vrouw!” (De Beauvoir, 1970, p. 351, mijn vertaling). Niet alleen de spiegel herinnert ons aan onze leeftijd, vaak zijn het de opmerkingen en reacties van anderen. Letterlijk en figuurlijk zijn we voortdurend omringd door spiegels die ons een bepaald beeld van ons lichaam opdringen. Deze spiegels worden wreder naarmate mensen ouder worden en het omgekeerde spiegelstadium doormaken. Wat daarin verschijnt is niet de werkelijkheid van de ouderdom zelf, maar een specifieke interpretatie ervan: het oude lichaam als symbool van achteruitgang.
Voorbij de vervreemding?
De constante confrontatie met socio-culturele normen over lichamelijkheid leidt volgens De Beauvoir ertoe dat ouderen vervreemd raken van hun lichaam. In lijn met de mask of aging thesis merkt zij op dat veel ouderen een kloof ervaren tussen hun innerlijke werkelijkheid en hun uiterlijke verschijning als ‘oud’ – een kloof die voor het individu onoverbrugbaar lijkt. Ouderen zitten vast in een dilemma: zij moeten zich voortdurend verhouden tot een identiteit die hun van buitenaf wordt opgelegd, maar kunnen die identiteit nooit volledig belichamen. Als vrije subjecten kunnen ze nooit volledig samenvallen met een objectief label, terwijl het label wel degelijk hun zelf binnendringt. Socio-culturele stereotypen over ouderen worden deels overgenomen, maar blijven toch afgezonderde en vreemde elementen in het landschap van het zelf. De Beauvoir vat deze paradoxale verhouding treffend samen: “In mij is het de ander die oud is, dat wil zeggen degene die ik ben voor anderen: en die andere, dat ben ik zelf” (De Beauvoir, 1970, p. 346, mijn vertaling).
De Beauvoir heeft een duidelijk idee hoe de marginalisering van ouderen bestreden moet worden: door een revolutionaire omwenteling van de productieverhoudingen. Pas in een samenleving die bevrijd is van het dictaat van productiviteit en waar de arbeidersklasse niet langer wordt uitgebuit, ontstaat er ruimte voor een ‘goede ouderdom’ voor de brede massa.
Echter, De Beauvoir laat open of een dergelijke revolutie ook de vervreemding zou opheffen die volgens haar de kern van de ouderdom vormt. Is een niet-vervreemde ouderdom denkbaar? En indien ja, hoe verhouden zich in deze utopie socio-culturele voorstellingen tot het fysieke lichaam en persoonlijke betekenisgeving?
Het antwoord op deze vraag hangt af van de mate van openheid waarmee men aankijkt tegen de lichamelijke veranderingen die met het ouder worden gepaard gaan. Terwijl De Beauvoir suggereert dat de negatieve blik op de ouderdom vooral is ingegeven door onrechtvaardige socio-economische verhoudingen, is haar eigen perspectief allesbehalve positief. De Beauvoir had grote moeite haar eigen ouder worden te aanvaarden en spreekt in haar memoires regelmatig over de walging waarmee ze kijkt naar haar veranderend spiegelbeeld:
Vaak sta ik versteld van dat ongelooflijke ding dat mijn gezicht moet voorstellen. Ik begrijp La Castiglione, die alle spiegels had stukgeslagen. […] Ik haat mijn spiegelbeeld: de pet boven mijn ogen, de zakjes eronder, het te volle gezicht en die droevige uitdrukking rond mijn mond die rimpels altijd met zich meebrengen. Misschien zien de mensen die me tegenkomen gewoon een vijftiger die er niet goed en niet slecht uitziet, ze heeft gewoon de leeftijd die ze heeft. Maar ik zie mijn oude gezicht aangetast door een pokkenziekte waarvan ik niet zal genezen. (DeBeauvoir, 1972, z.p., mijn vertaling)
Deze quote maakt duidelijk waarom veel sociale gerontologen met argwaan naar de analyse van De Beauvoir kijken. Terwijl ze met de ene hand een fundamentele kritiek op de onderdrukking van ouderen levert, lijkt ze met de andere hand het stigma op het oude lichaam juist te reproduceren. Om te ontsnappen uit het spiegelkabinet dat de geleefde ervaring van ouderen insluit, zijn radicale theoretische voorstellen kennelijk niet voldoende. Er zijn nieuwe collectieve praktijken en manieren van kijken nodig die de gangbare beelden van ouderdom openbreken.
Ontsnappen uit het spiegelkabinet
In de laatste jaren groeit het aantal boeken, fotoseries en tv-programma’s die de leefwereld van ouderen centraal stellen. Daarmee dragen ze bij aan het oprekken van esthetische normen en het normaliseren van oude lichamen. De spiegels waarin we onszelf ouder zien worden, verruimen, maar dit betekent nog niet dat de socio-economische oorzaken voor de marginalisering van ouderen verdwijnen. Hoe we in de spiegel verschijnen, hangt óók ervan af welke lichamen deelnemen aan de welvaart van een land – het is een politieke kwestie. Dit is de kern van De Beauvoirs analyse die, ondanks alle tekortkomingen, nog steeds relevant is.
Persoonlijk vind ik berusting in het inzicht dat spiegelbeelden tot op zekere hoogte geconstrueerd zijn. Er bestaat geen natuurlijke, onbemiddelde verhouding tot mijn uiterlijk, maar dat betekent ook dat er meer dan één manier is om betekenis te geven aan mijn spiegelbeeld. Ik verwacht dat de grens tussen mijn innerlijke ervaring en het uiterlijke beeld van mijn lichaam voelbaarder zal worden naarmate ik ouder word. Maar hoe moet ik me dan verhouden tot de lichamelijke veranderingen die ik nu al zie aankomen? Als ik voor de spiegel sta en mijn ruby spots onderzoek, gaan verschillende mogelijkheden door mijn hoofd: negeren, laten verwijderen of integreren in een tatoeage – wellicht als sterren die een planetenstelsel omlijsten. Ik heb nog geen definitief besluit genomen, maar misschien zit juist in deze aarzeling een antwoord op de beknellende werking van het spiegelbeeld.