3 Weergaven
0 Downloads
Lees verder
Nederland telt meer dan één miljoen mensen die een partner hebben en er niet mee samenwonen. Veel ouderen kiezen voor een LAT-relatie na eerdere samenwoonrelaties. Zijn er aanwijzingen dat zij qua gezondheid een kwetsbare groep vormen? ‘Latters’ nemen een middenpositie in op de gezondheidsladder. Zij staan veelal een treetje lager qua gezondheid dan samenwonenden, maar ook een treetje hoger dan singles.

Door de vergrijzing telt Nederland de komende decennia steeds meer ouderen. Het aantal 80-plussers stijgt naar verhouding het hardst. De omvang van de beroepsbevolking neemt juist af. Er bestaan grote zorgen of het zorgsysteem de groei van het aantal ouderen aankan. Beleidsmatig gaat er veel aandacht uit naar kwetsbare groepen, zoals 80-plussers. In toekomstverkenningen kijkt men daarbovenop vaak ook naar de huishoudensituatie: woont men samen met een partner of alleen? Van alleenstaanden is bekend dat zij gemiddeld ongezonder zijn (Mackenbach, 2013) en vaker formele zorg gebruiken (Liefbroer & Van Wijk, 2025) dan mensen met een partner.
Een groep waar vooralsnog nauwelijks aandacht voor is, zijn de mensen met een LAT-relatie, kortweg ‘latters’ genoemd.[1] Living Apart Together (LAT) is de aanduiding voor mensen die wel een partner hebben maar daar niet mee samenwonen. Dit is een in belang toenemende, maar vaak onderbelichte relatievorm, ook onder senioren. Gezien de toenemende kans op gezondheidsproblemen boven de vijftig en de potentiële daarbij behorende behoefte aan mantelzorg, vormen oudere latters een interessante groep.
In dit artikel gaan we in op latten als leefvorm: over hoeveel mensen gaat het en hoe ziet die groep eruit? Vervolgens zoomen we in op het thema gezondheid. Zijn er verschillen in gezondheid naar leefvorm, en hoe passen de latters in dit verhaal? We presenteren een samenvatting van de resultaten van eerder onderzoek[2] naar deze vragen, waarbij gebruik werd gemaakt van het Liss-panel (zie kader; Mandemakers, Van Solinge & Kortink Boada, 2025). We eindigen dit artikel met met conclusies en aanbevelingen.  

‘Living apart together’ – niet samenwonen met je partner – is een relatievorm die vaak onder de radar blijft, omdat de bestaande registraties en statistieken dit niet bijhouden. We ontlenen de gegevens voor dit artikel aan het LISS-panel (Centerdata), als een van de weinige bronnen in Nederland met informatie over mensen met een LAT-relatie. In dit panel wordt een representatieve groep Nederlanders sinds 2007 ieder jaar opnieuw bevraagd. Voor dit onderzoek selecteren we alle jaren (waarnemingen) waarin respondenten 50 jaar of ouder zijn én de informatie van een jaar compleet is. Respondenten doen dus mee aan het onderzoek indien zij 50 jaar of ouder zijn bij aanvang van het LISS-panel of als zij gedurende de looptijd van het panel 50 worden. De onderzoekspopulatie bestaat uit ruim 49 duizend waarnemingen van bijna 7.800 personen. De gemiddeld deelnemer wordt 6,4 maal waargenomen. Dat hoeft niet in opeenvolgende jaren te zijn. We onderzoeken de fysieke gezondheid, leefstijl en mentale gezondheid van ouderen om een goed beeld te krijgen van mogelijke gezondheidsverschillen naar relatiestatus onder 50-plussers.

Profiel van ouderen in LAT-relaties

Nederland telt naar schatting meer dan één miljoen mensen onder de 60 jaar die een partner hebben en er niet mee samenwonen (Van Solinge & Mandemakers, 2025).[1] Ook op oudere leeftijd is latten geen onbeduidende leefvorm. Latten is vaak een tijdelijke leefvorm voor stellen die elkaar nog niet goed kennen. Ook de krappe woningmarkt speelt een rol (Otten en Te Riele, 2015). Op oudere leeftijd is apart wonen vaker een bewuste keuze: partners kiezen ervoor samen te zijn, maar behouden de vrijheid om apart te wonen.
Van de 50-plussers in het LISS-panel woont 72% samen met een partner, 23% is single en heeft 5% een LAT-relatie. Wanneer we de groep die niet samenwoont als uitgangspunt nemen, heeft één op de vijf personen een LAT-relatie. Net als singles hebben latters veel vaker dan samenwonenden een partner verloren. Bij singles is dat vaker doordat de partner is overleden, bij latters gaat het vooral om echtscheiding. Verder zien we dat singles minder vaak een kind hebben gekregen (70%) dan samenwonenden (90%). Latters nemen een middenpositie in (79%). Vergeleken met singles en samenwonenden zijn meer latters hoger opgeleid. Latters bevinden zich qua eigenwoningbezit in een middenpositie (60%) tussen singles (49%) en samenwonenden (81%).

Gezondheidsverschillen naar relatiestatus

Gehuwden en ongehuwd samenwonenden hebben gemiddeld een betere lichamelijke en geestelijke gezondheid en leven langer dan alleenstaanden. Nederlands en internationaal onderzoek (Mackenbach, 2013; Umberson et al., 2020), geven aan dat zowel op fysieke als mentale gezondheid alleenstaanden over het algemeen slechter scoren dan mensen die samenwonen. Daarvoor worden in de literatuur twee verklaringen geopperd. In de eerste plaats selectie. De verschillen worden daarbij toegeschreven aan het feit dat gezonde mensen een grotere kans hebben om een relatie te krijgen en in een relatie te blijven dan minder gezonde mensen. In de tweede plaats bescherming. De verschillen in gezondheid worden toegeschreven aan het feit dat een partner beschermt tegen een ongezonde levensstijl. Partners stimuleren elkaar om gezond te leven en op tijd medische hulp te zoeken bij klachten. Verder hebben mensen die samenwonen vaak twee inkomens en genieten ze van de schaalvoordelen van het runnen van een gezamenlijk huishouden. Hierdoor wordt een gezonde levensstijl makkelijker om vol te houden en te bekostigen. In de bestaande literatuur wordt vooral gekeken naar verschillen in gezondheid tussen alleenstaanden enerzijds en mensen die gehuwd of ongehuwd samenwonen met een partner anderzijds. Er wordt meestal géén onderscheid gemaakt of alleenstaanden een LAT-relatie hebben of single zijn.
Hoe werkt de mogelijke beschermende werking van een partner in LAT-relaties? Net als samenwonenden hebben latters een partner die een positieve invloed op de gezondheid kan hebben, bijvoorbeeld door te stimuleren om medische hulp in te schakelen of door zorg te verlenen bij gezondheidsproblemen. Toch wonen latters apart en brengen gemiddeld genomen minder tijd samen door, waardoor de ‘waakhondfunctie’ van de partner mogelijk beperkter is. In samenwoonrelaties neemt de partner vaak de rol van mantelzorger op zich; bij latters ligt dat minder voor de hand. Daarom is te verwachten dat latters fysiek en qua leefstijl beter scoren dan alleenstaanden, maar minder goed dan samenwonenden.

Leefvorm en gezondheid

In het hier gerapporteerde onderzoek naar leefvorm en gezondheid keken wij naar fysieke en mentale gezondheid en naar leefstijl.
Fysieke gezondheid is gemeten met de veelgebruikte maat ‘zelf-ervaren gezondheid’. Aan respondenten is gevraagd hoe zij over het algemeen hun gezondheid zouden omschrijven, op een schaal van 1 (slecht) tot 5 (uitstekend). De resultaten voor de verschillende leefvormen zijn weergegeven in tabel 1. Als eerste valt op dat het merendeel van de 50-plussers de gezondheid als (zeer) goed tot excellent omschrijven. Bij een op de vijf is sprake van een matig of redelijke gezondheid. Singles ervaren hun gezondheid gemiddeld slechter dan personen die samenwonen. Latters hebben vergelijkbare scores als samenwonenden.

Tabel 1. Ervaren gezondheid en leefstijlindicatoren van 50-plussers naar leefvorm (in %)
Bron: LISS-panel 2008-2024

Een gezonde leefstijl zorgt ervoor dat mensen langer gezond en fit blijven en minder snel zorg nodig hebben. Wij kijken naar drie leefstijl-indicatoren: of men al dan niet rookt, of men in het afgelopen jaar wekelijks alcohol dronk en of men kampt met ernstig overgewicht (d.w.z. een Body Mass Index (BMI) van meer dan 30). De onderste helft van tabel 1 toont de verschillen in roken, alcoholgebruik en overgewicht.
We zien een onduidelijk patroon naar relatievorm: wat betreft roken zien we dat singles méér roken meer dan samenwonenden en latters nemen een tussenpositie in. Mogelijk speelt hier mee dat in navolging van het rookverbod in openbare gebouwen in vele privéhuishoudens binnenshuis roken tot een taboe is verklaard. Singles, en in mindere mate latters, hoeven wat dat betreft minder met anderen rekening te houden. Inzake alcoholgebruik zien we een omgekeerd beeld. Samenwonenden gebruiken vaker wekelijks alcohol dan alleenstaanden. Latters drinken gemiddeld zelfs vaker. We zien hier overigens duidelijke verschillen tussen mannen en vrouwen (niet in tabel). Ongeveer 70% van de mannen drinkt wekelijks, bij vrouwen is dat rond de 50%. Voor zowel mannen als vrouwen geldt dat singles minder drinken dan samenwonenden en latters. Kennelijk gebeurt een glaasje drinken vooral in gezelschap (van een partner). Ernstig overgewicht, tenslotte, komt meer voor bij singles. Er zijn geen verschillen tussen latters en samenwonenden. Het percentage singles met een hoog BMI (meer dan 30) is hoger dan dat van singles en samenwonend, die op een vergelijkbaar niveau zitten. 
Inzake de mentale gezondheid zijn er twee maten. Allereerst kijken we naar het mentaal welzijn (MHI 5: Berwick, et al, 1991). Aan respondenten is gevraagd om aan te geven hoe men zich de afgelopen maand voelde (op basis van vijf aspecten). Een voorbeeldvraag is: “In hoeverre voelde u zich de afgelopen maand neerslachtig en somber.” Antwoorden varieerden van 1 (nooit) tot 6 (voortdurend). De antwoorden op de verschillende vragen zijn getransformeerd naar een totaalscore voor de mate van welzijn die loopt van 0 (zeer laag) tot 100 (zeer hoog). De resultaten voor de verschillende leefvormen zijn weergegeven in figuur 1. Over de gehele linie genomen hebben singles duidelijk slechtere scores op mentaal welzijn dan samenwonenden en latters nemen wederom een tussenpositie in. Ruim één derde van de samenwoners (36%) valt in de hoogste categorie van mentaal welzijn (score 85 tot 100), tegen een kwart van de singles, en 30% van de latters. Bij de lagere scores voor mentaal welbevinden zien we het omgekeerde beeld. Van de singles scoort 11% minder dan 50 op de schaal,10% van de latters en slechts 6% van de samenwonenden.

Als tweede maat gebruiken we de mate van eenzaamheid omdat eenzaamheid kan leiden tot een slechtere kwaliteit van leven. Dit is gemeten op basis van een schaal die bestaat uit zes stellingen (de Jong Gierveld & van Tilburg, 2008). Bijvoorbeeld: “Ik mis mensen om me heen”. Antwoorden variëren van ‘ja’, ‘min of meer’ of ‘nee’. Ook bij deze schaal zijn de antwoorden op de verschillende vragen getransformeerd naar een totaalscore voor de mate van welzijn die loopt van 0 (niet eenzaam) tot 6 (zeer eenzaam). De resultaten voor de verschillende leefvormen zijn weergegeven in figuur 2.
Op eenzaamheid zijn de verschillen tussen de leefvormen wat geprononceerder dan bij mentaal welzijn. Ook hier scoren singles hoger dan samenwonenden en latters nemen wederom een tussenpositie in. Ruim 15% van de singles in het LISS-panel is eenzaam. Onder samenwonenden is dat minder dan 7%, tegen ruim 12% bij latters. Onder samenwonenden rapporteert 40% zelfs helemaal geen eenzaamheidsgevoelens, bij singles is dat slechts het geval voor 33%, latters scoren iets beter dan singles.

LAT-relatie biedt een zekere gezondheidsbescherming

Tegen de achtergrond van vergrijzing staat gezond ouder worden in de spotlights. Beleidsmatig gaat veel aandacht naar potentieel kwetsbare groepen ouderen, zoals alleenstaanden, die gemiddeld ongezonder zijn en vaker formele zorg gebruiken. Wij onderzochten hoe het zit met oudere latters: ouderen met een partner waarmee ze niet samenwonen. Op alle gezondheidsmaten (fysiek, mentaal en leefstijl) nemen latters een tussenpositie in tussen singles en samenwonenden. Zij hebben een betere gezondheid, leven gezonder en voelen zich beter dan singles, maar scoren gemiddeld iets slechter dan samenwonenden.
Let wel, de geobserveerde verschillen naar relatiestatus betekenen niet dat er een oorzakelijk verband is tussen het type relatie en de gezondheid. Gezondheidsverschillen en daarmee samenhangende kenmerken zoals motivatie, genetische aanleg, sociaaleconomische hulpbronnen kunnen immers ook van invloed zijn op relatievorming en -ontbinding. De gevonden verschillen geven wel meer inzicht in waar en bij welke groepen mogelijke kwetsbaarheden zitten.
Onze resultaten tonen aan dat beleid en onderzoek verder moeten kijken dan de grenzen van het huishouden. Bij de raming van zorgkosten wordt steeds vaker rekening gehouden met de huishoudenssituatie. Wanneer alleen wordt gekeken naar alleenstaanden versus samenwonenden, wordt de kwetsbaarheid van de ‘alleenstaanden’ waarschijnlijk overschat. Alleenstaand is immers niet hetzelfde als single; mensen met een LAT-relatie worden ook tot de alleenstaanden gerekend in dergelijke registraties en latters nemen qua gezondheid een tussenpositie in. De LAT-relatie zal naar verwachting belangrijker worden door meer (echt)scheidingen en een groeiende behoefte aan autonomie. Wat dit betekent voor de toekomstige zorgvraag is nog ongewis. Latters hebben een partner buiten het eigen huishouden, die niet altijd beschikbaar is om hulp en ondersteuning te bieden (Broese van Groenou et al., 2019). Hierdoor kunnen zij eerder aangewezen zijn op professionele zorg. Bestaande statistische bronnen geven weinig inzicht in de zorgvraag en het zorggebruik van mensen met een LAT-relatie. Gezien de maatschappelijke ontwikkelingen is het wenselijk dat gezondheidsenquêtes meer aandacht besteden aan relaties die het huishouden overstijgen.

[1] In de bevolkingsregistratie en de daarop gebaseerde huishoudensstatistieken kunnen mensen die een partnerrelatie hebben, maar niet samenwonen (de latters) niet worden onderscheiden. Voor informatie over LAT-relaties moet gebruik worden gemaakt van aanvullende bronnen, zoals in dit geval het LISS-panel. 

[2] Dit onderzoek kwam tot stand als onderdeel van Achtergrondstudies Bevolking 2050 (AB2050) met als doel inzicht te geven in de achtergronden en mogelijke effecten van demografische ontwikkelingen, en werd door het NIDI uitgevoerd in opdracht van het ministerie van SZW.

[3] Dit is een schatting op basis van data voor de leeftijdsgroep 18-60 jaar. Om een beeld te krijgen van het aantal personen met een LAT-relatie in Nederland zijn gegevens over het voorkomen van LAT-relaties naar achtergrondkenmerken (o.b.v. de GGP survey) gecombineerd met de bevolking van eind 2022 naar achtergrondkenmerken (o.b.v. registerbestanden CBS). Zie Van Solinge en Mandemakers (2025) voor meer details. Voor 50-plussers is een dergelijke schatting nog niet gemaakt,

Literatuurlijst

  1. Broese van Groenou, M., te Riele, S., & de Jong Gierveld, J. (2019). Receiving Support and Care in Older Age: Comparing LAT Relationships with First Marriages, Remarriages, and Cohabitation. Journal of Family Issues, 40 (13), 1786-1807.
  2. Berwick, D.M. et al. (1991). Performance of a five-item mental health screening test. Medical Care, 29(2), pp. 169–176.
  3. Jong Gierveld, J. de, & T. van Tilburg (2008). De ingekorte schaal voor algemene, emotionele en sociale eenzaamheid. Tijdschrift voor Gerontologie en Geriatrie 39, 4–15.
  4. Liefbroer, A., & van Wijk, D. (2025). Minder mantelzorg voor ouderen zonder kinderen en partner. Demos: bulletin over bevolking en samenleving 41 (9): 1-4.
  5. Mackenbach, J.P. (2013). Gezondheid van de Nederlandse bevolking. In: J.P Mackenbach en K. Stronks (ed) Volksgezondheid en gezondheidszorg, Hoofdstuk 3. p.71. Uitgeverij Bohn Stafleu van Loghum
  6. Mandemakers, J., van Solinge, H. & Kortink Boada, A. (2025). Gezond ouder worden: waar staan latters op de gezondheidsladder? Demos: bulletin over bevolking en samenleving 41 (9): 5-7.
  7. Otten, K., & te Riele, S. (2015). Latrelaties in Nederland. Bevolkingstrends, 14, 1-25.
  8. Solinge, H. van, & Mandemakers, J. (2025). Inmiddels hebben meer dan 1 miljoen Nederlanders een LAT-relatie. Is dit een keuze of noodzaak? Me Judice, 24 februari 2025.
  9. Umberson, D., Crosnoe, R. & Reczek, C. (2010). Social Relationships and Health Behavior Across the Life Course. Annual Review of Sociology, 36 (1): 139-157.