1 Weergaven
0 Downloads
Lees verder
‘Kwetsbare ouderen’, ‘kwetsbare ouderen thuis’, ‘screening van ouderen op kwetsbaarheid’, ‘aantal kwetsbare ouderen neemt toe’ en ‘toenemende complexe zorgvraag kwetsbare ouderen’. Een aantal krantenkoppen over kwetsbaarheid en ouderen. Ondertussen lijkt ‘kwetsbaarheid’ in combinatie met ouderen een bekend fenomeen, maar is dat ook echt zo? Wat verstaan ouderen zelf onder kwetsbaarheid en zien zij zichzelf ook zo? In dit artikel lees je hoe we kunnen leren van het eigen perspectief van ouderen en hoe je daarover met hen in gesprek kan gaan.

Kwetsbaarheid

Kwetsbaarheid (Engels: ‘frailty’) kenmerkt zich door een dynamische staat waarin iemand veranderingen in de eigen toestand of gesteldheid ervaart als gevolg van reactie op een plotselinge, vaak negatieve, lichamelijke, psychische en/of sociale verandering (Gobbens et al., 2010). Deze visie is multidimensionaal. Dat wil zeggen dat het meer omvat dan alleen de medisch-biologische kant van kwetsbaarheid, waarin vooral sprake is van lichamelijke veranderingen, zoals gewichtsverlies, verminderde knijpkracht, traagheid, inactiviteit en vermoeidheid (Fried et al., 2001). Met aandacht voor zowel het lichamelijke, psychische als sociale domein ontstaat er een omvattend beeld van kwetsbaarheid. Ondanks deze brede blik ontbreekt hier de eigen beleving van het individu. Hoe zien ouderen kwetsbaarheid en hoe ervaren zij dat? Voelen zij zich ook kwetsbaar? Is het überhaupt een term die zij zelf gebruiken om hun toestand te duiden? Naar deze en meerdere vragen hebben wij afgelopen jaren onderzoek gedaan. We hebben 36 zelfstandig wonende ouderen gesproken tijdens interviews en hebben een vragenlijst ontwikkeld die de mate van ervaren kwetsbaarheid in kaart brengt, de Frailty Experiences Scale (FES), wat als hulpmiddel kan dienen om met ouderen in gesprek te gaan over wat zij belangrijk vinden (Golbach, 2025).

Ouderen erkennen de verschillende domeinen (respectievelijk lichamelijk, psychisch en sociaal) van kwetsbaarheid, maar benadrukken daarnaast dat kwetsbaarheid volgens hen meer omvat, zoals financieel vermogen en digitale vaardigheid. Wanneer hier tekorten in zijn, zou iemand eerder kwetsbaar zijn, wat zich vervolgens in één van de drie domeinen (lichamelijk, psychisch en/ of sociaal) kan uiten. Daarnaast laten ouderen in hun omschrijvingen zien dat kwetsbaarheid voor hen niet altijd eenduidig is. Denk bijvoorbeeld aan ‘gekwetst worden’ of dat zij kwetsbaarheid zien als een synoniem voor ‘afhankelijkheid’. Ook ‘ervaren van verlies’ en het ‘gevoel in te leveren’ is volgens ouderen een omschrijving van wat kwetsbaarheid inhoudt. Dit behelst verlies in verschillende domeinen, zoals verlies van naasten, jezelf verliezen waardoor je je bijvoorbeeld stuurloos voelt, geen richting of doel meer hebt of mobiliteitsverlies. De grens tussen normale veroudering en kwetsbaarheid is daarmee niet helder (Golbach et al., 2024a).

Met ouderen is ook besproken wat volgens hen tegenover kwetsbaarheid staat. Eveneens werden hier zowel lichamelijke, psychische als sociale dimensies besproken. Met name de psychische aspecten werden benadrukt doordat ouderen een focus legden op concepten als veerkracht, onafhankelijkheid, ambitie en autonomie. Hierbij beschrijven ouderen onder andere het vermogen zich aan te passen na tegenslagen, kunnen vertrouwen op jezelf, van betekenis kunnen blijven voor anderen en in staat zijn om dat te doen wat je belangrijk vindt of waar je waarde aan hecht. Dit biedt in de ondersteuning van ouderen de mogelijkheid om te focussen op positieve aspecten die de psychologische vermogens van ouderen aanspreken en waar mogelijk vergroten (Golbach et al., 2024).

De term kwetsbaarheid

Naast kennis over wat kwetsbaarheid is, is ook de term kwetsbaarheid vanuit het ouderenperspectief bekeken. De term kwetsbaarheid roept voornamelijk negatieve associaties en stereotyperingen op, zoals ziekte, slechte gezondheid en afhankelijkheid (Puts et al., 2009; Shaw et al., 2018; Warmoth et al., 2016). Deze negatieve associaties worden gezien als een belemmerende factor in de interactie tussen ouderen en zorg- en welzijnsprofessionals. Ouderen zelf gebruiken de term kwetsbaarheid dan ook niet of nauwelijks en al helemaal niet om aan zichzelf te refereren (Pan et al., 2019). Liever gebruiken zij termen met een positieve duiding, zoals veerkracht, onafhankelijkheid of levendig (Golbach et al., 2022; Pan et al., 2019). De woorden die gebruikt worden in gesprekken met anderen beïnvloeden ook de emoties van de ander (Stortenbeker, 2022). Gebruik van woorden met een negatieve connotatie kan dan ook negatieve emoties oproepen bij de ander wat invloed heeft op het gedrag dat iemand laat zien. Denk hierbij in het geval van ouderen bijvoorbeeld aan gebrek aan toewijding aan gestelde doelen of weerstand in gesprekken. Daarnaast kan labeling, in dit geval het label ‘kwetsbaarheid’, er ook voor zorgen dat iemand zich kwetsbaar gaat voelen en zich daar naar gaat gedragen, oftewel internaliseren (Warmoth et al., 2016). Hoewel in ons onderzoek geen alternatief voor de term kwetsbaarheid is gevonden, helpt het om in gesprekken aan te sluiten bij het taalgebruik van de gesprekspartner en bewust te zijn van de impact van woorden. Woorden zijn immers niet neutraal, de keuze voor woorden met positieve connotaties kan positief bijdragen aan de interactie. Dit draagt bij aan een gelijkwaardiger gesprek.

Kwetsbaar zijn versus je kwetsbaar voelen

Ouderen voelen zich lang niet altijd kwetsbaar, ook als ze dat volgens classificaties wel zijn (Becker, 1994; Golbach et al., 2024b; Grenier, 2006). Ouderen weten redelijk goed te omschrijven wat kwetsbaarheid is en dat het zich kan uiten in meerdere domeinen, toch geven veel ouderen aan dat ze zich niet kwetsbaar voelen. Althans niet overwegend kwetsbaar. We beschrijven dat als ervaren kwetsbaarheid (Golbach et al., 2024b). Die ervaren kwetsbaarheid wordt gekenmerkt door korte periodes, dat kunnen momenten of een aantal dagen en/of weken zijn waarop iemand zich kwetsbaar voelt. Dat wordt omschreven als momenten waarop je extra vatbaar bent voor tegenslag, meer geraakt wordt door wat anderen zeggen of doen of een periode waarin je bijvoorbeeld herstelt van grote gebeurtenissen zoals een ziekenhuisopname (Golbach et al., 2024b). Deze gevoelens van kwetsbaarheid worden getriggerd door interne of externe factoren, dat kunnen twijfels zijn, iemands mindset of bijvoorbeeld nare gebeurtenissen. Ouderen verschillen in hoe ze omgaan met deze ervaren emoties, zelden uit zich dat in één coping strategie. Over het algemeen lijkt het adopteren van een positieve mindset cruciaal voor het succesvol omgaan met kwetsbaarheid en/of ervaren kwetsbaarheid. Echter, het omgaan met de onzekerheden en uitdagingen die bij deze gevoelens horen vraagt vooral om een persoonlijke benadering, met aandacht voor de geleefde ervaringen maar ook individuele capaciteiten van iemand. Dit kan ouderen ondersteunen bij het behoud of verbetering van hun welzijn (Golbach et al., 2024b).

Voorbereiden op later en preventie van kwetsbaarheid

Ieder individu gaat verschillend om met ouder worden en daarbij horende veranderingen. Toch zijn er ook gemeenschappelijke delers. Zo zijn er ouderen die zich voornamelijk in praktische zin voorbereiden, bijvoorbeeld door het opstellen van een testament, nadenken over het levenseinde of kleiner gaan wonen. Anderen bereiden zich niet of nauwelijks voor, geven aan te leven bij de dag of vanzelf te gaan ervaren als het niet meer gaat (Kleinenberg-Talsma et al., 2024). Velen weten dat het nuttig is om je lichamelijk te blijven inspannen, om goede sociale contacten te hebben en dat je jezelf ook cognitief moet blijven uitdagen. De mate waarin ouderen dit doen om bijvoorbeeld kwetsbaarheid te voorkomen, verschilt echter in grote mate.

Ouderen benadrukken de eigen verantwoordelijkheid in gezond ouder worden en geven aan graag zelfstandig en zelf in controle te willen blijven. Daarnaast erkennen ze dat niet iedereen daar toe in staat is en dat ondersteuning dan gewenst is. Huidige initiatieven ter ondersteuning worden echter lang niet altijd gevonden. Ouderen voelen zich niet aangesproken of ervaren een drempel om deel te nemen, bijvoorbeeld omdat ze geen gebruik willen maken van ondersteuningsmogelijkheden of omdat ze het niet bij hen vinden passen. Daarnaast vormen ouderen een heterogene groep, waarbij het van essentieel belang is om rekening te houden met onderlinge verschillen, in te spelen op individuele behoeften en aandacht te hebben voor diversiteit. Een aantal factoren die ondersteuning extra uitdagend maken zijn bijvoorbeeld de verschillende behoeften in gebruik van formele (bijvoorbeeld door zorg- en welzijnsprofessionals) versus informele hulp (bijvoorbeeld van naasten of buren), het bepalen van het juiste moment waarop hulp noodzakelijk is, bij voorkeur niet te vroeg of te laat, en de keuze voor het type activiteit dat gewenst is door ouderen (Kleinenberg-Talsma et al., 2024).

Een gezamenlijke verantwoordelijkheid

De kennis over kwetsbaarheid bij ouderen breidt zich uit. Met het perspectief van ouderen zelf belichten we een kant die tot nu toe weinig aandacht kreeg. Kwetsbaarheid voelt voor iedereen anders en is meer dan wat dokters of onderzoekers erover zeggen. Zorg- en welzijnsprofessionals kunnen hierop inspelen door aan te sluiten bij wat ouderen belangrijk vinden. Het gesprek aangaan met ouderen over kwetsbaarheid en thema’s die voor ouderen zelf van belang zijn lijkt een essentieel uitgangspunt. Hierbij is het van belang aandachtig te luisteren en aan te sluiten bij de taal die de ander spreekt. Betrek ook andere belangrijke betrokkenen, zoals naasten en informele zorg, bij het gesprek. Steeds meer ouderen, ook ouderen die kwetsbaar zijn, wonen langer zelfstandig en hebben meer zorg nodig. Het is belangrijk dat zij goed worden ondersteund bij het zorgen voor zichzelf, het voorbereiden op later en het positief omgaan met veranderingen. Daar ligt een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Alleen samen zorgen we ervoor dat de stem en ervaringen van ouderen altijd meetellen in zorg, beleid en onderzoek.

Literatuurlijst

  1. Becker, G. (1994). THE OLDEST OLD: Autonomy in the Face of Frailty. Journal of Aging Studies, 8(1), 59–76.
  2. Fried, L. P., Tangen, C. M., Walston, J., Newman, A. B., Hirsch, C., Gottdiener, J., Seeman, T., Tracy, R., Kop, W. J., Burke, G., McBurnie, M. A., & Cardiovascular Health Study Collaborative Research Group (2001). Frailty in older adults: evidence for a phenotype. The journals of gerontology. Series A, Biological sciences and medical sciences56(3), M146–M156. https://doi.org/10.1093/gerona/56.3.m146
  3. Gobbens, R. J., Luijkx, K. G., Wijnen-Sponselee, M. T., & Schols, J. M. (2010). Toward a conceptual definition of frail community dwelling older people. Nursing Outlook, 58(2), 76–86. https://doi.org/10.1016/j.outlook.2009.09.005
  4. Golbach, R. D. J., Hobbelen, H. J. S. M., Jager-Wittenaar, H., & Finnema, E. J. (2022). Welke woorden ouderen gebruiken als het gaat om ouder worden en kwetsbaarheid: een Delphi-studie. Tijdschrift Voor Gerontologie En Geriatrie, 53(4), 1–9. https://doi.org/10.36613/tgg.1875-6832/2022.04.01
  5. Golbach, R. D., Kleinenberg-Talsma, N., van der Lucht, F., Hobbelen, J. S., Jager-Wittenaar, H., & Finnema, E. J. (2024a). Understanding frailty and its opposites from community-dwelling older peoples’ perspectives: A phenomenological qualitative study. International Journal of Nursing Studies Advances, 7. https://doi.org/10.1016/j.ijnsa.2024.100238
  6. Golbach, R., Kleinenberg-Talsma, N., Jager-Wittenaar, H., Hobbelen, J., & Finnema, E. (2024b). Understanding frailty experiences in Dutch community-dwelling older people: A qualitative phenomenological study. Manuscript Submitted for Publication.
  7. Golbach, R. (2025). Through Their Eyes: Older People’s Perspectives on and Experiences of Frailty. [Thesis fully internal (DIV), University of Groningen]. University of Groningen. https://doi.org/10.33612/diss.1227091992
  8. Grenier, A. (2006). The distinction between being and feeling frail: Exploring emotional experiences in health and social care. In Journal of Social Work Practice (Vol. 20, Issue 3, pp. 299–313). https://doi.org/10.1080/02650530600931849
  9. Kleinenberg-Talsma, N., Golbach, R., Van der Lucht, F., Jager-Wittenaar, H., & Finnema, E. (2024). Perspectives of older adults on frailty prevention, aging well, and late-life preparedness: a qualitative study. Manuscript Submitted for Publication.
  10. Pan, E., Bloomfield, K., & Boyd, M. (2019). Resilience, not frailty: A qualitative study of the perceptions of older adults towards “frailty.” International Journal of Older People Nursing, 14(4). https://doi.org/10.1111/opn.12261
  11. Puts, M. T. E., Shekary, N., Widdershoven, G., Heldens, J., & Deeg, D. J. H. (2009). The meaning of frailty according to Dutch older frail and non-frail persons. Journal of Aging Studies, 23(4), 258–266. https://doi.org/10.1016/j.jaging.2008.03.002
  12. Shaw, R. L., Gwyther, H., Holland, C., Bujnowska-Fedak, M., Kurpas, D., Cano, A., Marcucci, M., Riva, S., & D’Avanzo, B. (2018). Understanding frailty: Meanings and beliefs about screening and prevention across key stakeholder groups in Europe. Ageing and Society, 38(6), 1223–1252. https://doi.org/10.1017/S0144686X17000745
  13. Stortenbeker, I. (2022). LANGUAGE IN MEDICINE Language use in clinical interactions about medically unexplained symptoms. Radboud Universiteit Nijmegen.
  14. Warmoth, K., Lang, I. A., Phoenix, C., Abraham, C., Andrew, M. K., Hubbard, R. E., & Tarrant, M. (2016). “Thinking you’re old and frail”: A qualitative study of frailty in older adults. Ageing and Society, 36(7), 1483–1500. https://doi.org/10.1017/S0144686X1500046X