Ouderen in een gepolariseerd debat
De maatschappelijke positie van en de beeldvorming over ouderen kenmerken zich door een duidelijke ambivalentie. Enerzijds zijn er positieve evoluties. Zo wordt oud worden steeds minder gezien als een periode van achteruitgang, maar als een nieuwe levensfase met nieuwe rollen en mogelijkheden. Anderzijds zijn spanningen en vooroordelen nog steeds aan de orde van de dag. We zien dat sommige stemmen het debat (al dan niet bewust) polariseren, bijvoorbeeld door jongeren af te schilderen als degenen die moeten werken voor de pensioenen van ouderen, terwijl zij zelf zouden moeten vrezen later geen pensioen meer te krijgen. Dergelijk wij-zij-denken ondermijnt de solidariteit tussen de generaties en creëert zondebokken. Daarom pleiten sommigen voor meer empowerment en participatie van ouderen, omdat dit kan bijdragen aan een inclusiever en minder gepolariseerd samenleven. Maar kunnen empowerment en participatie in zo’n context eigenlijk wel zomaar, zonder verdere kritische afweging, worden toegepast?
Ouderen Empoweren: Tussen ideaal en macht
Empowerment kan gezien worden als een beleidstool die de autonomie, de zelfbeschikking en de betrokkenheid van ouderen wil versterken. Het is een bewuste tegenbeweging tegen een te paternalistische visie op oud worden. Ouderen worden niet voornamelijk gezien als mensen met louter zorgnoden en behoeften, maar als actieve burgers die mee vorm kunnen geven aan beslissingen over hun gezondheid, woonomgeving en sociale context, wat leidt tot een versterkt gevoel van regie over het eigen leven.
Toch is empowerment niet zo positief als men wel denkt. Voor een kritische belichting hiervan moeten we te rade gaan bij de Franse filosoof Michel Foucault, die zich bezighield met de manier waarop macht, kennis en instituties samenlevingen vormgeven. Hij toonde aan hoe macht altijd aanwezig is in sociale structuren en dat die macht niet enkel onderdrukkend, maar ook productief kan zijn. Macht creëert categorieën, verwachtingen en gedragsnormen. Vanuit dat perspectief kan empowerment dus worden gezien als een subtiele vorm van disciplinering. Ouderen worden aangespoord om actief, gezond en zelfstandig te blijven, alsof dit een individuele verantwoordelijkheid is, waarbij impliciet wordt verwacht dat zij zelf oplossingen voor de maatschappelijke of structurele problemen bedenken en die oplossingen consumeren, zoals recent onderzocht door Evans en Nistrup (2020) in Denemarken.
Vergis u niet, dit stuk is geen pleidooi om empowerment te verwerpen, maar wel een oproep om het niet blind toe te passen maar steeds kritisch te blijven analyseren, met vragen als: Wie heeft er baat bij? Welke normen worden versterkt? Hoe wordt het concept vormgegeven?
Participatie als voorwaarde voor empowerment
Empowerment van ouderen veronderstelt dat ze daadwerkelijk kunnen participeren, waarbij dat laatste gedefinieerd wordt als een breed spectrum aan activiteiten. Binnen maatschappelijke participatie kan je denken aan vrijwilligerswerk, engagement in lokale organisaties, het bieden van informele hulp, organiseren van buurtactiviteiten. Daarnaast omvat maatschappelijke participatie ook vormen van zorg en ondersteuning die ouderen zelf op zich nemen, zoals het opvangen van kleinkinderen of het vervullen van informele zorgtaken, die maatschappelijk van grote waarde zijn maar vaak minder zichtbaar blijven. Ouderen spelen in op structurele tekorten in een maatschappij die steeds meer een beroep doet op hun inzet. Met Foucault in gedachten tonen deze praktijken hoe macht zich verplaatst. Door verwachtingen rond zelfredzaamheid en informele zorg worden ouderen aangespoord om rollen op te nemen die het systeem niet langer volledig kan of wil vervullen.
Politieke participatie gaat dan weer over het invloed uitoefenen op beleidsvorming via stemmen, adviesraden of belangenorganisaties. Dit wordt ondersteund door verschillende internationale verdragen. Het Verdrag van Maastricht benadrukt actief burgerschap en solidariteit, waarbij participatie van burgers – inclusief ouderen – wordt gezien als essentieel om ongelijkheden (bijvoorbeeld in welzijnszorg of dienstverlening die hen wordt geboden) te verminderen. Andere internationale kaders (United Nations, 2002) pleiten voor de volwaardige en gelijke deelname van ouderen aan besluitvorming op alle niveaus. Participatie wordt gezien als een basisrecht en een voorwaarde voor een inclusieve samenleving. Maar ondanks hun groeiend demografisch gewicht blijven ouderen politiek onderbenut. Hoewel ze een belangrijke kiezersgroep vormen, moet je heel goed zoeken om op een ouder individu te kunnen stemmen. Ten tijde van het verschijnen van dit artikel zijn vier leden van de Nederlandse Tweede Kamer, die uit 150 leden bestaat, 65 jaar of ouder. Dus moeten ouderen het heft in eigen hand nemen, zich empoweren en voor hun rechten opkomen. Bovendien, zo blijkt uit onderzoek, heeft participatie tal van voordelen. Is dat even mooi meegenomen. Zo hebben zij die participeren een betere fysieke en mentale gezondheid, hebben ze meer zelfvertrouwen en zijn ze minder eenzaam (Serrat e.a., 2019), om maar een paar voordelen te noemen. Het blijft onduidelijk of het vooral gezonde ouderen zijn die meer participeren, dan wel of participatie zelf een positieve invloed heeft op de gezondheid. Er is ook onderzoek verricht naar voorspellers voor participatie. Falanga e.a. (2020) onderscheiden drie groepen factoren die participatie beïnvloeden: persoonlijke factoren, zoals tijd, kennis, motivatie, gezondheid, taal- en communicatievaardigheden, socio-demografische kenmerken en culturele gewoontes; omgevingsfactoren, zoals verkeersveiligheid, mobiliteit, buurtinfrastructuur, weersomstandigheden en de timing en locatie van de activiteiten en tot slot organisatorische factoren, waaronder de bereidheid om inspraak toe te laten en macht te delen, evenals de aanwezigheid van duidelijke structuren en verwachtingen. Volgens Roberts (2004) kan participatie een duur en tijdsintensief proces zijn dat, wanneer het louter formeel wordt ingevuld, het risico loopt een vals gevoel van democratie te creëren. Deze kritische visie wijst vooral op participatieprocessen die onvoldoende zijn uitgewerkt of ondersteund. De Witte en Verté (2002) nuanceren dit door aan te tonen dat de effectiviteit van participatie sterk afhangt van de mate waarin daadwerkelijk wordt geïnvesteerd in het participatieproces. Participatie blijkt vooral te werken wanneer ouderen worden benaderd als gelijkwaardige gesprekspartners, vanaf het begin worden betrokken, toegang hebben tot dezelfde informatie als andere stakeholders en als volwaardige partners kunnen meepraten en meebeslissen.
Participatie, macht en kennis
In België en Nederland heeft onze onderzoeksgroep daarom net na de eeuwwisseling de BelgianAgeing Studies (BAS) ontwikkeld, precies om aan deze voorwaarden te voldoen. Vanaf de jaren ’90 groeide immers het besef dat een beleid naar ouderen toe noodzakelijk was, maar onderzoek wees tegelijk op structurele problemen binnen de klassieke politieke organen, waarin de kennis over ouderen ontbrak om met voldoende kennis van zake beleid te ontwikkelen. De BAS werd ontwikkeld met als doel een wetenschappelijke basis te creëren voor een lokaal ouderenbeleid, de participatie van ouderen te versterken via eigenaarschap en vrijwilligers te rekruteren buiten de klassieke organisatiestructuren. Twee aspecten staan centraal in dit onderzoek: Co-creatie en peer-to-peer methodologie. De vragenlijst, die gebruikt wordt om noden en behoeften van thuiswonende ouderen in kaart te brengen, werd niet vanuit een ivoren toren ontwikkeld en geïmplementeerd, maar kwam tot stand gedurende een tweejarig proces met focusgroepen en consultatierondes, waarbij de ouderen zelf, als ervaringsdeskundigen, bepaalden welke thema’s relevant waren. Met peer-to-peer wordt verwezen naar het principe dat oudere vrijwilligers andere ouderen bevragen. Deze werkwijze zorgt niet alleen voor hoge responsgraden (60–85%), een grotere volledigheid en kwaliteit van de gegevens, maar ook voor sterkere betrokkenheid, politisering en de instroom van nieuwe vrijwilligers. Op basis van deze rijke dataverzameling wordt voor elke gemeente een lokaal rapport opgesteld, waarin de resultaten helder worden gebundeld, en waarmee ouderen over de nodige middelen beschikken om lokaal het beleid mee vorm te geven. In daaropvolgende werkgroepen, vaak georganiseerd door de seniorenadviesraad en ondersteund door de gemeente, gaan ouderen zelf aan de slag om adviezen te formuleren rond de geïdentificeerde uitdagingen, want wie weet beter hoe het is om ouder te worden dan de ouderen zelf. Dat alles blijft echter sterk afhankelijk van de bereidheid van lokale besturen om daadwerkelijk macht af te staan en ouderen als volwaardige partners te erkennen (zie voorbeeld in Kader). Waar die intentie ontbreekt, heeft het weinig zin om aan empowerment te doen en dreigt participatie te verworden tot schijnparticipatie of schijn empowerment. Meer nog: wanneer men ouderen geen echte mogelijkheden biedt of niet bereid is naar hen te luisteren, wordt een mislukte uitkomst al snel gebruikt om bestaande stereotypen te bevestigen – zie je wel, ze kunnen het niet – terwijl het falen in werkelijkheid voortkomt uit een gebrek aan kansen, niet uit een gebrek aan capaciteit. En zo komen we naadloos terug bij Foucault. Macht is niet alleen onderdrukkend maar ook productief: wie kansen geeft, bepaalt tegelijk de voorwaarden waaronder anderen kunnen handelen. Het al dan niet bieden van reële participatiemogelijkheden is dus zelf een machtsuitoefening, omdat het mee vormgeeft wie als competent en volwaardig wordt beschouwd.
Volwaardig partnerschap
Een vaak gehoorde klacht bij thuiswonende ouderen in Vlaanderen is het tekort aan rustbanken in de gemeente. Uit het ouderenbehoefteonderzoek blijkt dat gemiddeld 30% dit als probleem ervaart, met uitschieters tot 40%. Gemeenten A en B kozen voor een verschillende aanpak.
In gemeente A nam de schepen/wethouder het dossier zelf op: binnen het beschikbare budget werden rustbanken aangekocht en geplaatst op locaties die door het bestuur werden bepaald. In gemeente B werd het dossier toevertrouwd aan de seniorenadviesraad. Deze werd gevraagd om, binnen het voorziene budget, te kiezen tussen twee types rustbanken (waarbij van het ene type meer exemplaren konden worden aangekocht dan van het andere) én om de locaties voor plaatsing te bepalen. Na overleg en consultatie formuleerde de seniorenadviesraad een advies, dat door de gemeente werd uitgevoerd.
Bij een herhaling van het ouderenbehoefteonderzoek daalde het ervaren tekort aan rustbanken in gemeente B, maar niet in gemeente A. Hoewel in beide gemeenten rustbanken werden geplaatst, maakte gebrek aan participatie dat het beleid in gemeente A onvoldoende werd gedragen door de doelgroep.
Naar een inclusief en gelijkwaardig ouderenbeleid
Empowerment en participatie zijn cruciale concepten voor een inclusief ouderenbeleid. Ze vragen om kritische reflectie, omdat ze tegelijkertijd autonomie stimuleren en maatschappelijke normen kunnen versterken. Ze zijn essentieel voor democratische vertegenwoordiging, beleidskwaliteit en sociale verbondenheid, maar kennen belangrijke barrières die structureel moeten worden aangepakt. De BAS-case laat zien dat empowerment en participatie effectief mogelijk zijn wanneer ouderen echt eigenaarschap krijgen, ondersteund door methodologisch sterke, lokaal verankerde processen.