Ruimtelijke spreiding en buurtomstandigheden
Door de combinatie van vergrijzing, verstedelijking en migratie neemt het aantal 55-plussers van Surinaamse, Marokkaanse en Turkse afkomst in Nederlandse steden toe.[1] Onderzoek wijst uit dat deze ouderen veelal in de achterstandsbuurten van een van de vier grote steden wonen (Nitsche & Suijker, 2003). Achterstandsbuurten zijn buurten die worden gekenmerkt door zowel leefbaarheidsproblemen, zoals jeugdoverlast en vandalisme, als sociaaleconomische problemen, zoals een hoog aandeel bewoners met een uitkering.
In het onderzoek waar dit artikel op gebaseerd is, heb ik allereerst verschillende kwantitatieve analyses uitgevoerd om meer inzicht te krijgen in de ruimtelijke spreiding en buurtomstandigheden van ouderen met een migratieachtergrond (55 jaar en ouder) in Amsterdam (Van der Greft, 2025). De beschikbare data hadden betrekking op de periode 2000-2009. Uit de analyses bleek dat het aantal gebieden met concentraties van ouderen met een Surinaamse, Marokkaanse en Turkse migratieachtergrond in die periode aanzienlijk was toegenomen. Er is sprake van een concentratie wanneer het aandeel van een specifieke populatiecategorie in een postcodegebied ten minste twee standaarddeviaties hoger ligt dan het totale aandeel van deze groep in de stad. De resultaten lieten zien dat de mate van concentratie toenam, wat betekent dat de onderzochte groepen steeds vaker woonden in buurten met veel bewoners van dezelfde afkomst en leeftijd. Tegelijkertijd bleef het aandeel van de eigen groep binnen deze concentratiegebieden relatief stabiel. Dit wijst op slechts een beperkte toename van segregatie.
Hoewel migrantenouderen vaak in achterstandsbuurten wonen, bleek uit mijn onderzoek dat, in tegenstelling tot wat velen zullen aannemen, dit niet per definitie leidt tot ontevredenheid over sociale relaties of gevoelens van onveiligheid. Wel bleken er verschillen te bestaan tussen de groepen: in buurten met veel Surinaamse ouderen verbeterde de veiligheid en werden deze ouderen positiever over hun buurt. Dit hing waarschijnlijk samen met de succesvolle fysieke herstructurering van deze buurten — met de Bijlmer als bekend voorbeeld — waarbij flats zijn vervangen door laagbouw, wegen en lanen zijn aangepast en voorzieningen zijn toegevoegd om de leefbaarheid en veiligheid te verbeteren. In buurten met overwegend Turkse en Marokkaanse ouderen was de herstructurering ten tijde van het onderzoek daarentegen nog nauwelijks op gang gekomen. Daarnaast bleek dat Nederlandse en Surinaamse ouderen vaker dan Turkse en Marokkaanse leeftijdsgenoten met een vergelijkbaar inkomen woonden in woningen die beter geschikt zijn voor ouderen, zoals seniorenwoningen en gelijkvloerse woningen.
Meervoudige achterstand
Het tweede deel van mijn onderzoek richtte zich op het verkrijgen van diepgaand inzicht in de leefsituatie, woonomstandigheden en de ervaringen in de buurt van migrantenouderen in stedelijke achterstandsbuurten. Ik onderzocht tevens hoe deze ervaringen zich verhouden tot die van ouderen met een Nederlandse achtergrond en een vergelijkbare lage sociaaleconomische positie. Tussen december 2012 en december 2013 werden in totaal 85 semigestructureerde interviews afgenomen met 55-plussers van Nederlandse, Surinaamse, Marokkaanse en Turkse afkomst in achterstandsbuurten in Amsterdam (Van der Greft, 2025).
In dit kwalitatieve onderzoek heb ik allereerst gekeken naar ervaringen van meervoudige achterstand, gedefinieerd als de combinatie van factoren die, wanneer ze gelijktijdig aanwezig zijn, het risico op kwetsbaarheid vergroten. Hiervoor richtte ik mij op de drie domeinen van meervoudige achterstand, zoals geïdentificeerd door Van der Meer, Droogleever Fortuijn en Thissen (2008), namelijk: a) gezondheid en functionele capaciteiten of beperkingen, b) hulpbronnen binnen het huishouden (zoals de aanwezigheid van ondersteunende huisgenoten en voldoende financiële middelen), en c) de geschiktheid van de fysieke en sociale woonomgeving.
Uit de analyse bleek dat de ouderen in het onderzoek vaak achterstanden ervaarden op meerdere levensdomeinen. Dit gold zowel voor ouderen met een Nederlandse achtergrond als voor ouderen met een andere achtergrond. De resultaten stelden daarmee de algemene aanname ter discussie dat migrantenouderen een groter risico lopen om met verschillende vormen van achterstand te maken te krijgen dan ouderen met een Nederlandse achtergrond. Tegelijkertijd werden er wel verschillen zichtbaar tussen de groepen, zowel in de aard als in de omvang van de ervaren achterstanden. Deze verschillen hielden verband met variaties in levens- en woongeschiedenissen en met buurtveranderingen.
Zo kwam uit het onderzoek naar voren dat wat betreft gezondheid zowel migrantenouderen als ouderen met een Nederlandse achtergrond te maken hadden met gezondheidsproblemen. Migrantenouderen, met name van Marokkaanse en Turkse afkomst, ervaarden deze problemen echter vaak al op jongere leeftijd. Verklaringen hiervoor lagen onder meer in ongezonde arbeidsomstandigheden in het verleden, de stressvolle ervaring van het leven in een vreemd land en structurele belemmeringen in de toegang tot gezondheidszorg, zoals taalbarrières, een gebrekkige kennis van het Nederlandse zorgsysteem en financiële problemen.
Naast gezondheidsproblemen hadden migrantenouderen, met name van Turkse en Marokkaanse afkomst, vaak ook minder toegang tot hulpbronnen. Dit kwam onder meer doordat zij zich meestal pas op latere leeftijd in Nederland hadden gevestigd en daardoor geen volledig ouderdomspensioen hadden opgebouwd. Bovendien hadden zij relatief hoge financiële lasten door cultuurspecifieke sociale verplichtingen, zoals bruiloften, en door reiskosten, bijvoorbeeld voor bezoeken aan het land van herkomst of voor de pelgrimstocht naar Mekka. Ook de omvang van hun gezinnen droeg bij aan deze lasten: 44% van de Turkse en 37% van de Marokkaanse ouderen in het onderzoek had nog inwonende (minderjarige) kinderen, tegenover 9,5% van de Surinaamse ouderen en geen van de ouderen met een Nederlandse achtergrond. Hoewel gezinsleden doorgaans worden gezien als een hulpbron bij het behoud van zelfstandigheid, bleek dit in deze context niet altijd het geval: minderjarige kinderen of een hulpbehoevende partner hadden vaak zelf zorg en ondersteuning nodig en konden daardoor minder steun bieden aan de betreffende oudere. Verder viel het op dat migrantenouderen hun huidige financiële en leefsituatie vanuit een recenter referentiepunt beoordeelden dan ouderen met een Nederlandse achtergrond. Veel migranten kwamen aan in een periode waarin de klassieke verzorgingsstaat nog floreerde, maar werden nu geconfronteerd met ingrijpende hervormingen en hogere kosten. Ouderen met een Nederlandse achtergrond groeiden daarentegen op in de periode rond de Tweede Wereldoorlog en maakten de opbouw van de moderne verzorgingsstaat vanaf het begin mee. Hierdoor vergeleken zij hun huidige situatie vaak met een periode waarin allerlei voorzieningen nog nauwelijks bestonden en de leefomstandigheden minder welvarend waren, wat maakte dat hun beoordeling minder negatief kon uitvallen.
Ten slotte richtte ik mij op verschillen in buurtbeleving. Hoewel Nederlandse en Surinaamse ouderen over het algemeen betere toegang hadden tot voor ouderen geschikte huisvesting dan Marokkaanse en Turkse ouderen, ondervonden met name ouderen met een Nederlandse achtergrond vaker de negatieve gevolgen van het wonen in een achterstandsbuurt. Zij zagen veranderingen in de bevolkingssamenstelling en in het culturele karakter van lokale voorzieningen, en ervaarden deze veranderingen veelal als negatief, omdat de buurt hierdoor niet langer aansloot bij hun leefwereld. Voor migrantenouderen daarentegen bood de nabijheid van bewoners met een vergelijkbare herkomst en toegang tot cultuurspecifieke voorzieningen en ontmoetingsplekken juist vaak voordelen, zoals de beschikbaarheid van producten uit het land van herkomst, zorgverleners die dezelfde taal spreken en sociale contacten.
Sociale participatie
In de wetenschappelijke literatuur wordt meervoudige achterstand geassocieerd met een verhoogd risico op sociale uitsluiting (Miranti & Yu 2015; Van der Meer 2008). In het tweede deel van het kwalitatieve onderzoek richtte ik mij daarom op de ervaringen met sociale participatie van de genoemde groepen ouderen, gezien als een specifieke dimensie van sociale uitsluiting. Daarnaast onderzocht ik hoe bevorderende en belemmerende omgevingsfactoren deze participatie beïnvloeden (Van der Greft, 2025).
Bij de conceptualisering van sociale participatie maakte ik gebruik van de taxonomie van Bukov, Maas en Lampert (2002), die drie verschillende vormen van participatie onderscheiden: collectieve sociale participatie (bijvoorbeeld klaverjassen), productieve sociale participatie (bijvoorbeeld betaalde arbeid, vrijwilligerswerk of mantelzorg) en politieke participatie (bijvoorbeeld betrokkenheid bij een politieke partij). Aan deze classificatie ligt een veronderstelde hiërarchie ten grondslag: elke volgende vorm vereist dat ouderen in toenemende mate over individuele hulpbronnen beschikken om effectief te kunnen deelnemen. Op het eerste niveau geldt tijd als de belangrijkste hulpbron. Het tweede niveau vergt daarnaast specifieke vaardigheden en competenties. Het derde niveau omvat bovendien besluitvorming over groepen en de allocatie van middelen. De daarbij behorende hypothese stelt dat naarmate individuen over meer beschikbare hulpbronnen beschikken, de waarschijnlijkheid van deelname aan sociale participatie op hogere niveaus van complexiteit en betrokkenheid toeneemt.
In lijn met deze hypothese namen de ouderen met een laag inkomen in achterstandsbuurten, ongeacht hun achtergrond, voornamelijk deel aan laagdrempelige (collectieve) vormen van sociale participatie, zoals activiteiten in buurthuizen of het onderhouden van sociale contacten met vrienden en familie. Meer veeleisende vormen van sociale participatie, zoals productieve sociale participatie en politieke participatie, kwamen beduidend minder vaak voor. Beleidsmaatregelen richten zich echter vaak op deze hogere vormen van participatie (bijvoorbeeld langer doorwerken of het stimuleren van vrijwilligerswerk), terwijl die minder goed aansluiten bij de leefwereld van deze doelgroep. Het is daarom van belang om juist laagdrempelige vormen van participatie beter te ondersteunen en mogelijk te maken, met oog voor de diversiteit in achtergrond en wensen.
Binnen het bredere patroon van collectieve sociale participatie bestonden namelijk duidelijke verschillen tussen groepen ouderen in hun voorkeuren voor het type activiteiten. Marokkaanse en Turkse ouderen, en in mindere mate ook Surinaamse ouderen, namen voornamelijk deel aan collectieve sociale activiteiten die werden georganiseerd door religieuze en/of op afkomst georiënteerde buurtorganisaties. Deze organisaties boden bovendien laagdrempelige mogelijkheden voor vrijwilligerswerk, wat bijdroeg aan productieve sociale participatie, met name onder Surinaamse en Marokkaanse ouderen in het onderzoek. Nederlandse ouderen, en in zekere mate ook Surinaamse ouderen, waren daarentegen vaker betrokken bij consumptieve en vrijetijdsgerichte vormen van collectieve sociale participatie, zoals koffieochtenden, spelmiddagen, uitstapjes en laagdrempelige beweegactiviteiten.
De fysieke en sociale kenmerken van de buurt kunnen de sociale participatie van ouderen zowel bevorderen als belemmeren. Wanneer de mogelijkheden van een persoon om zelfstandig te functioneren afnemen — bijvoorbeeld als gevolg van veroudering of gezondheidsproblemen — neemt de invloed van de directe woon- en leefomgeving op het dagelijks leven toe (Lawton, 1982). Uit mijn onderzoek bleek dat negatieve omgevingsfactoren, zoals slecht onderhouden straten en stoepen, betaald parkeren en gevoelens van onveiligheid, deelname aan sociale activiteiten beperkten. Daarentegen fungeerden laagdrempelige ontmoetingsplekken, zoals buurtcentra en gebedshuizen, als belangrijke stimulansen voor sociale participatie.
Binnen deze context bestonden er echter verschillen in ervaringen tussen groepen ouderen. Migrantenouderen in buurten met een hoge concentratie bewoners met een vergelijkbare afkomst, ervaarden doorgaans meer mogelijkheden voor sociale participatie dan ouderen in buurten waar de eigen groep minder vertegenwoordigd was. Dit hing samen met het grotere aanbod van ontmoetingsplekken en activiteiten die aansloten bij hun specifieke wensen en behoeften, evenals met het gemak waarmee zij in deze buurten contact konden leggen met mensen die dezelfde taal spreken en een vergelijkbare afkomst en/of religieuze achtergrond hebben. Ouderen met een Nederlandse achtergrond ervaarden daarentegen juist vaker een tekort aan, of verlies van, passende participatiemogelijkheden.
Om sociale participatie van álle groepen ouderen te bevorderen, is het van belang dat beleidsmakers zich richten op de randvoorwaarden in de fysieke en sociale leefomgeving – zoals infrastructuur, veiligheid, parkeerbeleid, en passende voorzieningen en ontmoetingsplekken – die aansluiten bij de uiteenlopende wensen en behoeften van verschillende groepen ouderen.
Tot slot
Ouderen met een Surinaamse, Marokkaanse en Turkse migratieachtergrond wonen vaak geconcentreerd in achterstandsbuurten in grote steden, zoals Amsterdam. In beleid en onderzoek wordt dit doorgaans als problematisch beschouwd, omdat het geassocieerd wordt met een verhoogd risico op meervoudige achterstand en sociale uitsluiting. Uit mijn onderzoek blijkt echter dat dit beeld te eenzijdig is. Bepaalde kenmerken van dit woonmilieu, zoals de aanwezigheid van buurtgenoten met een vergelijkbare achtergrond en cultureel passende voorzieningen en ontmoetingsplekken, kunnen een ondersteunende rol vervullen. Deze factoren kunnen de achterstanden van migrantenouderen op andere levensdomeinen, zoals gezondheid en de beschikbaarheid van hulpbronnen binnen het huishouden, deels verzachten en bijdragen aan laagdrempelige vormen van sociale participatie. Deze bevindingen vragen om beleid dat genuanceerder rekening houdt met de buurtervaringen van ouderen zelf, waarbij een zekere mate van segregatie positieve effecten kan hebben. Dit is echter niet zonder uitdagingen, omdat wat voor de ene groep bijdraagt aan sociale insluiting, voor een andere juist kan leiden tot gevoelens van sociale uitsluiting.
[1] Dit zijn de grootste groepen migrantenouderen in Nederland en zij stonden derhalve centraal in mijn onderzoek.