120 Weergaven
3 Downloads
Lees verder
Het sociale netwerk van ouderen heeft grote invloed op hun welbevinden. De omvang van het sociale netwerk neemt echter af met de jaren. Hoe houden ouderen hun sociale netwerk, en daarmee hun welbevinden, in stand?

Sociale netwerken worden kleiner naarmate mensen ouder worden, en dat vergroot de kans op gezondheidsproblemen en eenzaamheid (Holt-Lunstad 2023). In navolging van adviezen om meer te bewegen en gezonder te eten, heeft het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) eind 2023 een advies uitgebracht over het sociale netwerk dat mensen nodig hebben om zich niet eenzaam te voelen en gezond te blijven. Het advies benadrukt het belang van een sociaal netwerk en bevat suggesties om dit te versterken (Machielse et al., in voorbereiding; Smid 2023).

Naast de kwaliteit van contacten is ook de kwantiteit van belang. Bij kwaliteit kan men denken aan betekenisvolle of goede contacten en bij kwantiteit aan het aantal sociale contacten en de omvang van het sociale netwerk. Ten aanzien van de omvang van het sociaal netwerk onderzochten we twee vragen:

  1. Welke effecten hebben veranderingen in de omvang van het sociaal netwerk op het welbevinden vanaf 55 jaar?
  2. Welke veranderingen in participatie en hulpbronnen verzwakken of versterken deze effecten?

Welbevinden Participatie Hulpbronnen model

In deze studie kwamen we tot nieuwe inzichten en handelingsperspectieven door veranderingen in veroudering te beschouwen. Ten eerste bestudeerden we veranderingen in individuele levenslopen naast de bestaande vergelijkingen van leeftijdsgroepen op één moment. Ten tweede analyseerden we veranderingen op meer domeinen van samenleven en meedoen tegelijkertijd, in plaats vanuit één beleidsthema. Om die effecten nauwkeurig te berekenen, waren longitudinale data nodig. Voor de modellering is gebruikgemaakt van de Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA). In totaal zijn over de periode 1992-2019 meer dan 5000 personen gevolgd en meer dan 18.000 observaties gebruikt voor de analyses.


Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft een model ontwikkeld waarmee effecten van beleidsvoornemens op de kwaliteit van leven doorgerekend en doorgeredeneerd kunnen worden. Kwaliteit van leven omvat wat mensen hebben (hulpbronnen), doen (participatie) en hoe ze zich voelen (welbevinden) (zie figuur 1). Voorbeelden van hulpbronnen zijn de fysieke en mentale gezondheid, inkomen en opleiding. Voorbeelden van participatie zijn vrijwilligerswerk, cultuur- en sportdeelname. Welbevinden omvat tevredenheid met het leven, positieve en negatieve emoties en eenzaamheid. De theorie achter het Welbevinden Participatie Hulpbronnen (WPH) model beredeneert dat veranderingen in welbevinden bepaald worden door veranderingen in hulpbronnen en participatie (van Campen, Iedema & de Haan, 2024). Als casus van een beleidsvoornemen namen we het sociaal-netwerk-advies en richtten de doorrekening op de mogelijke effecten van veranderingen in de omvang van het sociale netwerk in de levensloop vanaf 55 jaar. Daarbij keken we niet alleen naar leeftijdsklassen maar ook naar levensfasen.

Figuur 1. Het Welbevinden Participatie Hulpbronnen model met toepassing van de casus sociaal netwerk. Bron: Visualisatie van het WPH-model

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is image-11-1024x463.png

Leeftijd en levensfase

In de levensloop zijn vier levensfasen te onderscheiden (Laslett, 1987). Na de eerste jeugdfase van leren en de tweede levensfase van werken, begint de derde levensfase op het moment dat een persoon AOW-gerechtigd is of (eerder) met pensioen gaat. De vierde levensfase begint op het moment dat een persoon in de derde levensfase langdurig afhankelijk wordt van anderen bij het verrichten van alledaagse levensverrichtingen (ADL, bv. aankleden en wassen) en eindigt bij het overlijden. De derde levensfase wordt daarom in onderzoek naar veroudering ook wel aangeduid als de ‘vitale levensfase’ en de vierde de ‘zorgbehoevende levensfase’.

Onze studie leidde tot de volgende bevindingen: Vanaf 55 jaar tot ongeveer 75 jaar blijft de gemiddelde omvang van het sociale netwerk van individuen redelijk stabiel. Boven de 75 jaar neemt de netwerkomvang echter versneld af. Die verandering wordt helderder door naar levensfasen te kijken. Bij de gemiddelde omvang van het sociale netwerk per levensfase is er geen significante verandering van de tweede naar de derde levensfase. Van de derde naar de vierde levensfase is die er wel: er is sprake van een afname van de netwerkomvang.

Aanwijzingen voor beleid

Veranderingen in de omvang van het sociaal netwerk bleken een direct positief effect te hebben op veranderingen in het welbevinden in latere jaren. Een deel van het effect verloopt via veranderingen in participatie.  Niet alleen het hebben van sociale contacten maar ook de activiteiten die men samen onderneemt dragen bij aan het welbevinden. Daarnaast verklaren verschillen in persoonlijke hulpbronnen zoals gezondheid en inkomen een deel van het effect (zie van Campen et al., 2024, p. 63-70). De belangrijkste bevindingen zijn samengevat in figuur 1. Deze resultaten bieden aanwijzingen die beleidsuitvoering van het sociaal netwerkadvies effectiever zouden kunnen maken.

Een eerste aanwijzing is dat de verantwoordelijkheid voor het in stand houden of vergroten van het sociaal netwerk niet geheel bij de persoon zelf gelegd kan worden. Vanzelfsprekend is de leefomgeving van invloed, bijvoorbeeld het aantal ontmoetingsplaatsen en gelegenheden om andere mensen te ontmoeten. Sociale netwerken worden bij uitstek in stand gehouden en verbreed door participatie. De onderzoeksresultaten wijzen op het belang van mogelijkheden om te participeren.

Een tweede aanwijzing is dat meer aan cultuur en bewegen gaan doen een groter effect heeft dan meer gaan werken en zorgen. Denk aan verenigingsactiviteiten, vrijetijdsactiviteiten wandelen, tuinieren en sporten.

Een derde aanwijzing voor beleid is dat op ook op andere verklarende factoren beleid gevoerd kan worden, zoals door medische interventies in gehoorbeperkingen, cognitiestoornissen en psychologische interventies op zelfvertrouwen en zelfredzaamheid. Verweduwing kan niet worden voorkomen, maar hierbij passen wel opvang- en begeleidingsinterventies.

Potentieel van vitale ouderen

Tot slot trekken we hieruit enkele lessen voor een algemener beleid ten aanzien van de verouderende samenleving. De groep mensen in de vitale derde levensfase neemt toe in de bevolking. Veel mensen in de derde levensfase willen actief blijven en een bijdrage leveren aan de samenleving. Dat geeft hun voldoening, leefplezier en het gevoel van betekenis te zijn voor anderen. Er is veel potentie onder vitale, wijze gepensioneerden om maatschappelijke problemen aan te pakken. Het is eenzijdig om mensen langer te laten werken en na hun pensionering te vragen voor vrijwilligerswerk en mantelzorg om personeelstekorten op te lossen. Net als burgers in de eerste en tweede levensfase dient er een balans te zijn tussen verplichte participatie (werk en onderwijs) en vrijwillige participatie (vrijetijdsbesteding, zoals cultuur- en sportdeelname). Dit houdt mensen en de bevolking in het algemeen gezond en gelukkig. Met het WPH-model reiken we een denkwijze en methode aan hoe die balans in de derde levensfase bereikt kan worden met weloverwogen investeringen in de hulpbronnen en participatiemogelijkheden in de samenleving.

Literatuurlijst

  1. Holt-Lunstad J. (2023). National health guidelines for social connection: what is the evidence in support and what might the guidelines say? Policy Insights from the Behavioral and Brain Sciences. Mar;10(1):41-50. https://doi.org/10.1177/23727322221150204
  2. Campen, C. van, Iedema J., & Haan, J. de (2024). Investeren in vitale ouderen. Een verklaringsmodel van veranderingen in hulpbronnen en participatie op welbevinden in de vergrijzende samenleving. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2024/03/05/investeren-in-vitale-ouderen
  3. Smid, H. (2023) “Sociaal-netwerkadvies is een wake-upcall”. Geraadpleegd 11.4.2024 op https://www.eentegeneenzaamheid.nl/over-eenzaamheid/sociaal-netwerkadvies-is-een-wake-upcall/
  4. Machielse, A., Schoemakers, E., van Tilburg, T. & van Campen, C.  (in voorbereiding). Wat is een gezond sociaal netwerk? Reflecties bij het sociaal-netwerkadvies
  5. Laslett, P. (1987). The emergence of the Third Age. In: Ageing and Society, jg. 7, nr. 2, p. 133-160.