151 Weergaven
12 Downloads
Lees verder
Sinds een aantal jaren is het beleid in Nederland dat ouderen zo lang mogelijk zelfstandig wonen. Vooral geclusterde woonvormen met zelfstandige wooneenheden en een ontmoetingsruimte zijn populair. Het initiatief hiertoe wordt veelal genomen door een woningcorporatie of projectontwikkelaar, maar ook steeds vaker door groepen ouderen. Zij willen zelfstandig maar geclusterd wonen om een gemeenschap te vormen, samen activiteiten te ondernemen en naar elkaar om te kijken. Maar in hoeverre voldoet dit samenwonen aan hun verwachtingen?

Naar elkaar omkijken

Algemeen wordt aangenomen dat ouderen die in een geclusterde woonvorm wonen elkaar gemakkelijker ontmoeten. Echter, ook binnen geclusterde woonvormen blijken veel ouderen weinig onderlinge contacten te hebben, nauwelijks activiteiten te ondernemen en zich eenzaam te voelen (Machielse e.a., 2022). De vraag rijst daarom in hoeverre voor groepen ouderen die bewust kiezen om met elkaar te gaan samenwonen vanuit de verwachting samen actief te zijn en naar elkaar om te kijken, dit samenwonen wel aan deze verwachtingen voldoet. Daarom heeft het lectoraat Gezonde Stad van de Hanzehogeschool Groningen onderzoek gedaan naar de onderlinge sociale contacten en gezamenlijke activiteiten, en ook naar wat naar elkaar omkijken in de praktijk inhoudt (Nijkamp & Van der Klauw, 2023). Hiertoe zijn 66 interviews gehouden onder bewoners van zeven wooncomplexen voor ouderen (zie tabel 1).

Drie wooncomplexen zijn geïnitieerd door groepen bewoners die er bewust voor kozen samen actief te zijn en naar elkaar om te kijken. De bewoners van Aahof en Groene Hof hebben hierbij samengewerkt met Stichting Knarrenhof, terwijl de bewoners van Ebbingehof alles zelf hebben geregeld. Bij deze wooncomplexen zit naar elkaar Omkijken In het Concept (type OIC). De vier andere wooncomplexen zijn geïnitieerd door een woningcorporatie (Woonzorg Nederland of Vidomes). Hier zit naar elkaar Omkijken Niet in het Concept (type ONC). Alle onderzochte wooncomplexen bevatten zelfstandige wooneenheden en een ontmoetingsruimte. Wel bevatten drie van de wooncomplexen type ONC veel meer woningen dan de wooncomplexen type OIC.

Tabel 1. Onderzochte wooncomplexen

Tabel 2 bevat een aantal kenmerken van de respondenten. Het aantal respondenten voor de drie grote wooncomplexen type ONC is relatief gering, doordat slechts weinig bewoners wilden meewerken aan een interview. De gemiddelde leeftijd van de respondenten van beide typen wooncomplexen is ongeveer gelijk. Wel heeft van de wooncomplexen type ONC een veel groter deel van de respondenten al hulp nodig bij het doen van boodschappen, brengen/halen of het huishouden dan voor de respondenten van type OIC het geval is. Voor het verzorgen van dieren of planten geldt juist dat een groter deel van de respondenten van type OIC hierbij al hulp nodig heeft. Mogelijk hebben deze respondenten vaker dieren of planten. Verder valt op dat beide groepen respondenten hun gezondheid gemiddeld nog als goed beoordelen. Dit suggereert dat bewoners met een slechtere gezondheid ondervertegenwoordigd zijn in het onderzoek.

Tabel 2. Kenmerken van de respondenten

Sociale contacten    

Alle respondenten van de zeven wooncomplexen hebben in de week voorafgaand aan het interview andere bewoners gegroet en een praatje gemaakt en de meesten hebben ook koffie gedronken met andere bewoners. Daarnaast hebben sommigen een activiteit ondernomen of met medebewoners gegeten. Vrijwel alle respondenten van de wooncomplexen type OIC zijn erg tevreden over de sociale contacten en gezelligheid. Sommige respondenten van wooncomplexen type ONC klagen daarentegen over te weinig sociale contacten.

Gezamenlijke activiteiten

Binnen elk van de zeven wooncomplexen worden in de ontmoetingsruimte activiteiten georganiseerd die op gezelligheid zijn gericht. Bij de wooncomplexen type OIC worden alle activiteiten georganiseerd vanuit activiteitencommissies bestaande uit bewoners, of spontaan door bewoners. Binnen de wooncomplexen type ONC wordt ook verwacht dat bewoners(commissies) zelf activiteiten organiseren. In het wooncomplex van Vidomes worden bewoners hierbij ondersteund door twee studenten, die in ruil hiervoor in het complex mogen wonen. Binnen de wooncomplexen van Woonzorg Nederland verlenen vrijwilligers assistentie. Binnen de wooncomplexen type OIC worden ook activiteiten georganiseerd die bijdragen aan het functioneren van het wooncomplex, zoals een tuinwerkdag of schoonmaken. De meeste respondenten van deze wooncomplexen vinden de georganiseerde activiteiten belangrijk en nemen aan een of meer activiteiten deel. Binnen sommige wooncomplexen type ONC doen echter veel respondenten niet mee. Zij onderkennen wel de eventuele waarde van de activiteiten voor anderen, maar hebben hier zelf (nog) geen behoefte aan (“misschien komt er een keer dat ik dat wel belangrijk vind, maar voorlopig nog niet”).

Hulp ontvangen, vragen en bieden

Van de respondenten van de drie wooncomplexen type OIC die al hulp nodig hebben bij brengen/halen of het verzorgen van dieren of planten, ontvangen de meesten deze hulp (mede) van medebewoners. Voor de respondenten van de wooncomplexen type ONC is dit veel minder het geval en dat geldt ook voor hulp bij boodschappen (zie figuur 1). Verder geldt voor alle drie deze vormen van hulp dat een veel groter deel van de respondenten van de wooncomplexen type OIC deze in de toekomst aan medebewoners wil vragen of bieden, of al daadwerkelijk biedt (zie figuur 2). De meeste respondenten van beide typen wooncomplexen laten huishoudelijke hulp echter liever over aan betaalde krachten.

Figuur 1. Hulp nodig hebben of ontvangen van medebewoners

Figuur 2. Hulp aan medebewoners willen vragen of bieden, of momenteel al bieden

Conclusie

De respondenten van de wooncomplexen type OIC zijn tevredener over de sociale contacten met andere bewoners dan de respondenten van de wooncomplexen type ONC. Ook nemen zij vaker deel aan gezamenlijke activiteiten. Als zij hulp nodig hebben, ontvangen zij deze vaker van medebewoners en ook bieden zij vaker andere bewoners hulp. Bovendien willen zij in de toekomst vaker hulp vragen aan medebewoners. Zij hebben dus het vertrouwen dat medebewoners ook in de toekomst bereid en in staat zullen zijn aan andere bewoners, onder wie henzelf, hulp te bieden. Factoren die mogelijk van invloed zijn op deze uitkomsten, zijn de grootte van de wooncomplexen (type OIC bevat veel minder woningen) en het feit dat een veel groter deel van de respondenten van de wooncomplexen type ONC al verschillende vormen van hulp nodig heeft. Verder komen uit de interviews ook twee aandachtspunten naar voren over wooncomplexen type OIC.

Ondersteuning bij zelforganisatie

Het eerste aandachtspunt betreft de zelforganisatie over activiteiten en het beheer en gebruik van de ontmoetingsruimte. Binnen de drie wooncomplexen type OIC worden potentiële bewoners uitgenodigd voor een kennismakingsgesprek over wederzijdse verwachtingen. Doel is dat alle bewoners het concept van naar elkaar omkijken onderschrijven en zich committeren hieraan actief bij te dragen. Ook heeft elk wooncomplex een bewonersvereniging waarvan alle (toekomstige) bewoners lid worden. Verder leren de bewoners elkaar al tijdens het ontwikkelingsproces kennen en zijn zij hierbij nauw betrokken. Zodra het wooncomplex klaar is, worden zij geacht gezamenlijk de ontmoetingsruimte verder in te richten en gezelligheidsactiviteiten te organiseren en ook activiteiten die bijdragen aan het functioneren van het wooncomplex.

Deze zelforganisatie ontstaat echter niet overal automatisch. Bestuursleden van de bewonersvereniging zijn niet altijd daadkrachtig en vinden het soms lastig andere bewoners bij de besluitvorming te betrekken, waardoor deze zich niet altijd gehoord voelen. Ook komt het gebruik van de ontmoetingsruimte als café waar bewoners elkaar spontaan ontmoeten niet vanzelf tot stand. Tot slot blijken niet alle bewoners daadwerkelijk bereid actief bij te dragen.

Voor een goed functionerend wooncomplex is het echter belangrijk dat de bewoners zoveel mogelijk gezamenlijk de ontmoetingsruimte beheren en onderhouden en activiteiten organiseren. Dit bevordert dat zij zich mede-eigenaar voelen en hier verantwoordelijkheid voor nemen (Pfaff & Trentham, 2020). Daarom dienen bewoners in de beginfase ondersteuning te kunnen krijgen, bijvoorbeeld vanuit de projectontwikkelaar of gemeente. Een voorbeeld is de ondersteuning die de Community Land Trust Brussel biedt. Deze bespreekt gedurende het ontwikkelproces regelmatig met de toekomstige bewoners hoe zij met elkaar willen wonen en biedt trainingen voor collectieve besluitvorming (Czischke e.a., 2023).

Daadwerkelijke onderlinge hulp bij toenemende hulpvraag

Een tweede aandachtspunt is: hoe kan worden gefaciliteerd dat bewoners van een wooncomplex type OIC elkaar daadwerkelijk zoveel mogelijk ondersteunen als een deel van hen meer hulp nodig heeft. De meeste respondenten beoordelen gedurende de interviews hun gezondheid als goed, hebben nog weinig hulp nodig en zeggen in de toekomst hulp te willen verlenen aan medebewoners. De vraag rijst echter of zij dit ook daadwerkelijk doen als andere bewoners en ook zij zelf fysiek en cognitief achteruit gaan. Omdat er voldoende bewoners fit genoeg moeten zijn om anderen te kunnen ondersteunen, voeren alle drie de wooncomplexen een plaatsingsbeleid gericht op een qua leeftijd divers samengestelde bewonersgroep. Hierbij zijn de Knarrenhoven gericht op bewoners vanaf 45 jaar en Ebbingehof op bewoners vanaf 50 jaar. Desondanks maken sommige bewoners zich hierover zorgen. Weliswaar blijkt dat een dementerende bewoner van een van deze wooncomplexen door de overige bewoners in de gaten wordt gehouden, maar ten tijde van de interviews is dit er slechts één. Als dit er meer worden, moet blijken of de andere bewoners daadwerkelijk ondersteuning kunnen en willen verlenen.    

Om hier meer inzicht in te krijgen is vervolgonderzoek nodig. Hierbij dienen tevens de succesfactoren in kaart te worden gebracht die bewerkstelligen dat bewoners elkaar zo goed en zo lang mogelijk ondersteunen en ook de factoren waardoor dit niet meer kan. Van belang lijkt in elk geval dat bewoners die anderen hulp gaan bieden, erop kunnen rekenen dat noodzakelijke hulp die zij zelf niet kunnen of willen geven, door professionals wordt geleverd. Dit kan er wellicht toe bijdragen dat zij het bieden van hulp minder als een belasting ervaren en zelf ook prettig in het wooncomplex kunnen blijven wonen.

Met dank aan de studenten van de opleidingen Facility Management en Vastgoedkunde van de Hanzehogeschool Groningen en de opleiding Verpleegkunde van Hogeschool Rotterdam die interviews hebben afgenomen.

Dit onderzoek is uitgevoerd namens het Netwerk Vitaliteit, opgericht door het UMCG, Stichting Knarrenhof, Woonzorg Nederland, VGZ, Breuer & Intraval en Springco, en bestaande uit diverse partijen waaronder de Hanzehogeschool Groningen. Het netwerk onderzoekt of ouderen die met gelijkgestemden samenwonen en naar elkaar omkijken langer zelfstandig kunnen blijven wonen en minder zorgkosten maken.

Dit onderzoek is mogelijk gemaakt door een subsidie vanuit de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

Literatuurlijst

  1. Czischke, D., Peute, M., & Brysch, S. (2023). Together. Ruimte voor collectief wonen. Rotterdam: Nai010 uitgevers.
  2. Machielse, A., Bekkers, S., Jolink, J., & Lof, J. (2022). “We hopen dat het leuker en gezelliger wordt.” Vitale woongemeenschappen in Rotterdamse ouderencomplexen. Utrecht: Universiteit voor Humanistiek. https://www.uvh.nl/uvh.nl/up/
  3. Nijkamp, J., & Van der Klauw, E. (2023). Gezamenlijkheid en naar elkaar omkijken voor senioren. Kwalitatief onderzoek vanuit het Netwerk Vitaliteit. Groningen: Hanzehogeschool Groningen.
  4. Pfaff, R., & Trentham, B. (2020). Rethinking home: Exploring older adults’ occupational engagement in senior cohousing. Journal of Occupational Science. https://doi.org/10.1080/14427591.2020.1821755