122 Weergaven
13 Downloads
Lees verder
In de gerontologie bestaan meerdere theorieën over goed ouder worden. Eén daarvan heet gerotranscendentie. Op latere leeftijd kan een verandering in levensvisie optreden, waarbij een transcendente en kosmische kijk op het leven ontstaat, en daarbij meer levensvoldoening. In dit empirische onderzoek onder twintig bewoners van een verpleeghuis (77 - 105 jaar) is gekeken of zij kenmerken hiervan bij zichzelf herkennen.

Het ontwikkelen van gerotranscendentie op latere leeftijd is één van de theorieën over goed ouder worden (Tornstam, 1989; Gondo e.a., 2013; Braam e.a., 2016; Machielse e.a., 2022). Gerontoloog Lars Tornstam ontvouwde deze theorie nadat hem was opgevallen dat sommige ouderen in zijn wetenschappelijke onderzoeken aangaven grenzen en barrières te ontstijgen die hen eerder in het leven hadden beperkt (Tornstam, 1989, 2011). Buiten deze grenzen te gaan leek op het eerste oog op de toen gangbare disengagement theory, met haar accent op onthechting en verwijdering uit de samenleving als natuurlijke beweging, maar met een geheel andere connotatie (Tornstam, 1989, 2011). Tornstam zag deze verwijdering als groei in plaats van terugtrekking (Tornstam, 1989).

Gerotranscendentie is een vorm van geestelijke of spirituele groei waarbij iemands gehele levensvisie verandert. Er ontstaat een meer kosmische en transcendente kijk op het leven, waarbij naar het grote geheel van alles wordt gekeken en het tijdelijke, aardse leven, inclusief zichzelf, wordt gerelativeerd. Dit betekent dat je een verandering doormaakt van een meer materialistisch en egocentrisch wereldbeeld, naar een levensperspectief dat waarden- en relatiegericht is (Tornstam, 2011; Braam e.a., 2016; zie kader). Dit veranderde levensperspectief geeft bovendien meer levensvoldoening (Tornstam, 1989, 2011).

Kenmerken van gerotranscendentie:

1. minder materialistisch gericht zijn (ofwel meer waarden-georiënteerd)
2. minder belangstelling hebben voor oppervlakkige sociale contacten (ofwel een voorkeur voor ‘kwaliteitscontacten’)
3. behoefte hebben aan verinnerlijking (de dingen overpeinzen, mediteren, filosoferen)
4. zelfrelativering
5. saamhorigheid in het universum ervaren
6. nabijheid voelen van personen die niet aanwezig zijn
7. saamhorigheid voelen met vorige en volgende generaties
8. gevoel hebben deel te zijn van alles wat leeft
9. vervloeiing van heden en verleden
10. individu-overstijgend denken: het leven van een enkeling versus het grote geheel
11. vervloeiing van leven en dood

Het potentiële belang van gerotranscendentie voor ouderen zelf

Bewoners van een verpleeghuis kunnen er baat bij hebben als zij zo’n perspectief op het leven zouden kunnen ontwikkelen (Wadensten, 2005; Gondo e.a., 2013; Machielse e.a., 2022). Uit onderzoek van Gondo e.a. (2013) komt naar voren dat gerotranscendentie een beschermend effect heeft op de psychische gezondheid. De ontwikkeling ervan kan echter afnemen in de laatste levensfase voor de dood, blijkt uit onderzoek van Braam e.a. (2016). Toch is het wel zo dat iemand ook op zeer hoge leeftijd gerotranscendentie nog verder kan ontwikkelen (Gondo e.a., 2013). Zo organiseerde Wadensten (2005) bij een dagbesteding voor ouderen een groepsgesprek over deze theorie. Na een presentatie gingen de deelnemers met elkaar in gesprek over de vraag of ze hierin iets herkenden. Die herkenning was er. Bovendien voelden ze zich gesterkt: ze kregen een positievere kijk op hun eigen ouder worden (Wadensten, 2005).

Recent is het Europese onderzoeksproject SEE ME: Social inclusion through Meaningful Ageing afgerond, dat mede is uitgevoerd door de Universiteit voor Humanistiek. Dit onderzoek geeft inzicht in de behoeften aan zingeving bij ouderen en de mogelijkheden daar zelf invulling aan te geven (Machielse e.a., 2022). Gerotranscendentie wordt daarin genoemd als één van die mogelijkheden (Machielse e.a., 2022). Bovendien, als ook zorgverleners iets afweten van deze geestelijke ontwikkeling, kunnen zij ouderen daarin ondersteunen (Machielse e.a., 2022). Met het huidige onderzoek is geprobeerd een nieuw perspectief te openen op geestelijke en spirituele ontwikkeling bij mensen op zeer hoge leeftijd die afhankelijk zijn van intensieve 24-uurs zorg. Herkennen bewoners van een verpleeghuis kenmerken van gerotranscendentie? Daarbij is in het bijzonder gelet op kunnen relativeren (als kerncompetentie), humor als coping (als teken op een wijze manier te kunnen omgaan met tegenslag) en ‘loslaten’ (als teken de dingen te kunnen accepteren zoals ze zijn).

Twintig bewoners van een verpleeghuis

Voor dit kwalitatieve onderzoek zijn twintig bewoners van een verpleeghuis geïnterviewd over gerotranscendentie. De respondenten zijn semigestructureerd geïnterviewd aan de hand van de vragen in Tabel 1, zoals gebruikt in de onderzoeken van Tornstam (2011) en Braam e.a. (1998, 2006, 2016). De vragenlijst is in 1998 zorgvuldig naar het Nederlands vertaald als onderdeel van de Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA; Braam e.a., 1998). Deze gesloten vragen zijn omgezet naar open vragen op B1-niveau1. Echter, in de praktijk bleek dat de gesloten vragen beter werkten omdat dit de respondenten enig houvast gaf. Zo konden ze de stelling ‘vandaag de dag hebben materiële dingen minder betekenis’ beamen of ontkennen, om er vervolgens over uit te weiden. Bij de open vraag ‘hoe belangrijk is het hebben van bezittingen voor u’ bleef het stil. Kennelijk is deze vraag te groot en richtingloos. Al snel zijn de gesloten vragen weer in gebruik genomen.

Dicht naast de respondent

Er is veel aandacht besteed aan de techniek van het interviewen en het interactionele aspect bij deze respondenten met hun hoge leeftijd (77 tot 105 jaar oud, gemiddeld: 90). Bijna alle respondenten hoorden slecht – ook met gehoorapparaat – en er speelden allerlei gezondheidsproblemen. De interviewer zat in de meeste gevallen dicht naast de respondent om vlak bij het oor te kunnen spreken. Dit schiep een vertrouwelijke sfeer, wat ongetwijfeld van invloed was op de interviews (maar op welke manier, valt buiten de scope van dit onderzoek). Sommige respondenten hadden beginnende of gevorderde dementie, waarbij de desoriëntatie en het (korte termijn) geheugenverlies soms in de antwoorden naar voren kwamen, maar tegelijkertijd hadden ze wel antwoorden op de abstracte, spirituele vragen en wilden ze vertellen over hun kijk op het leven. De duur van het interview was afhankelijk van het energieniveau van de respondent en daar werd met zorgzaamheid op gelet. De interviews zijn gehouden in april 2023, zijn opgenomen, getranscribeerd en, onder andere met het programma Atlas.ti, gecodeerd en gecategoriseerd. Dit is gedaan in meerdere analyseronden. Daarbij is deductief, inductief en narratief-hermeneutisch geanalyseerd, dat wil respectievelijk zeggen: er is vanuit de gerotranscendentie-theorie gedacht en geanalyseerd om de theorie te toetsen, er is van buitenaf gekeken en geanalyseerd om eventueel tot nieuwe inzichten te komen, en de vertelde verhalen zijn geanalyseerd en geïnterpreteerd.

Materiële dingen loslaten

Uit het onderzoek komt naar voren dat alle respondenten in elk geval enkele, en vaak meerdere, kenmerken van gerotranscendentie bij zichzelf herkennen (zie kader). Negentien van de twintig respondenten antwoordden bevestigend op het kenmerk ‘minder waarde hechten aan materiële dingen’. Dat correspondeert ook nauw met het thema ‘loslaten’. Wie naar een verpleeghuis verhuist, moet veel spullen achterlaten; het is een verhuizing van een eigen woonruimte naar een kamer. Een respondent verwoordt het zo: “Ik heb van zoveel dingen afscheid moeten nemen, wat wel pijn deed, wat ik nog wel mis, maar waar ik niet wakker van lig.” De ene respondent die aangeeft wel waarde te hechten aan materiële dingen heeft het daarbij specifiek over het hebben van een notebook of smartphone, om bij te blijven en contact te houden met dierbaren: “Je kunt tegenwoordig niet zonder.”

Maar ook bij de wat abstractere kosmische transcendentie is er herkenning, zoals bij de stelling ‘vandaag de dag voel ik sterke saamhorigheid met zowel vorige als volgende generaties’. Voor veel respondenten is die verbinding vanzelfsprekend: “Hoe moet ik dat nou uitleggen? Of ik een band had met mijn ouders? Ja, die had ik natuurlijk. Ik heb een band met mijn kind, ik heb een band met mijn kleinkinderen en met mijn achterkleinkinderen (…).” Ontkennende antwoorden gaan over de voorouders: “(…) die heb ik nooit gekend natuurlijk, nee.” Of: “Dat is zo lang geleden.”

Tabel 1: herkenning kenmerken van gerotranscendentie

Kenmerk, interviewvraagDeels tot veel herkenningWeinig tot geen herkenningAmbivalent/
zowel niet als wel
Ego-transcendentie:   
Materiële dingen hebben tegenwoordig minder betekenis.182 
Tegenwoordig geniet ik meer van mijn innerlijke wereld, dat wil zeggen van denken en peinzen.173 
Tegenwoordig ben ik minder geïnteresseerd in oppervlakkige sociale contacten.1171
Vandaag neem ik mezelf minder serieus.27 
Kosmische transcendentie:   
Tegenwoordig voel ik een grotere saamhorigheid met zowel vorige als toekomstige generaties.1012
Tegenwoordig ervaar ik aanwezigheid van dierbaren, ook al zijn ze fysiek op een andere plek.95 
Tegenwoordig is het soms alsof ik tegelijkertijd in het verleden en heden leef.97 
Tegenwoordig voel ik dat de grens tussen leven en dood minder scherp is.752
Tegenwoordig heb ik het gevoel dat ik deel uitmaak van alles wat leeft.66 
Tegenwoordig voel ik een grotere eenheid met het universum.583
Tegenwoordig ervaar ik in grotere mate hoe klein het belang van het individuele menselijke leven is vergeleken met het leven dat voortduurt.443
Noot: Per vraag/kenmerk: het aantal respondenten naar drie categorieën van herkenning, en op volgorde van kenmerken met de meeste tot minste herkenning. Het totaal aantal respondenten is twintig, maar niet elke respondent heeft elke vraag beantwoord.

Ruime spreiding op de gerotranscendentie-schaal

De respondenten zijn op basis van hun antwoorden op de kenmerken van gerotranscendentie ingedeeld op een schaal van geen tot veel herkenning. Tot de indeling is gekomen door het aantal positieve antwoorden te tellen en een correctie toe te passen afhankelijk van het aantal beantwoorde vragen. De vragen waren soms met een duidelijk ja of nee beantwoord. Vaak ook waren de antwoorden op de abstracte vragen minder absoluut, en is geïnterpreteerd of er meer wel of niet herkenning was. Vanwege deze noodzaak een inschatting te moeten maken, is voor een wat grove schaalindeling gekozen. Daarop is een ruime spreiding zichtbaar (figuur 1).

Figuur 1: Schatting van de mate van herkenning van gerotranscendentie

Nuchtere middengroep

Op deze schaal (figuur 1) is een clustering in het midden te zien. In hoeverre lijken deze zes respondenten op elkaar? Een nadere beschouwing brengt aan het licht dat vier van de zes respondenten zichzelf als nuchter omschrijven. Zij reageren met name ontkennend op de abstractere vragen, zoals over saamhorigheid ervaren in het universum en het vervagen van de grens tussen leven en dood. Je zou kunnen zeggen dat deze respondenten letterlijk en figuurlijk down to earth zijn. Zo antwoordt een respondent op de vraag over eenheidservaring met het universum kort en bondig: “Nou, het universum niet.” Een andere respondent zegt over het vervagen van de grens tussen leven en dood: “Zo ver denk ik niet, want dat heb je toch niet in de hand; dan is het flauwekul om erover na te denken.” Weer een andere respondent reageert slechts kort: “Hoe bedoelt u?”

Een van deze nuchtere mensen haalt af en toe haar (katholieke) geloof aan. Ze antwoordt beamend op abstractere vragen waarin ménsen een rol spelen. Ze zegt: “Elke generatie, wie er ook geboren wordt, wordt er geboren, ze hebben allemaal hun zeggenschap.” Haar eigen bestaan leeft hierin voort: “Dat alles wat ik verteld heb, dat blijft bestaan. Dat weet ik zeker.” Twee van deze zes noemen zich ‘geen denkers’. De vraag naar meer behoefte te hebben aan verinnerlijking, beantwoorden ze ontkennend. Twee anderen scoren hier wel op, maar zij geven aan vooral te piekeren. Kortom, deze middengroep is redelijk divers. Laag uitgekomen op de schaal staan vier respondenten van wie twee vooral een kritische, of zelfs wat cynische of misschien gedesillusioneerde, houding hebben ten opzichte van de wereld en het leven. De andere twee beschouwen zichzelf als praktische doeners. Ze zijn vrolijk, kijken met een luchtige blik naar de wereld en verklaarden niet te diep na te denken over betekenisgeving en het leven.

De charme van eindigheid

Hoog op de gerotranscendentie-schaal staan vijf respondenten die zichzelf beschouwen als religieus (kerkgangers) of humanistisch en contemplatief. Ze zijn reflectief, communicatief en tijdens de interviews gingen ze al filosoferend met de vragen aan de slag. Enkele respondenten lijken op sommige aspecten nog verder (voorbij gerotranscendentie?) te zijn, al is het zoeken wat dit precies kan inhouden. Het lijkt voorbij een zoekende houding te zijn naar hoe om te gaan met het leven. Wellicht is het een verzoening met het lot. Ze verdragen, soms, de ambiguïteit en de onkenbaarheid van het leven. Over het leven zegt bijvoorbeeld een respondent: “Je maakt wat mee. Prachtige dingen misschien, maar ook heel erge, droevige, en nare; ja, dat hoort waarschijnlijk dichtbij elkaar.” Over de onkenbaarheid van het leven en de dood zegt deze respondent: “Eindig, dat kun je je niet voorstellen; dat is in nevelen gehuld, en misschien is dat de charme ervan.” De oudste respondent van bijna 105 jaar – ze praat zachtjes, vaak niet meer in volzinnen, en uit regelmatig haar dankbaarheid aan God – zegt: “Ik verwacht niks, maar ik heb altijd iets gedaan, en ik wil het altijd blijven doen, God help me. Want mensen…, ik zeg het ook tegen mijn kinderen, nooit als jullie arme kinderen zien, laat ze [aan hun lot over, maar] help ze, met wat jullie hebben. Het hoeft niet veel [te zijn], maar als je wat hebt, [geef aan/om] een ander.”

Relativeren en ‘loslaten’

Hoe relativeren deze respondenten? Kunnen ze ‘loslaten’ en gebruiken ze humor als coping? Wat vooral opvalt, is dat bijna alle respondenten een goed relativeringsvermogen hebben, met name rondom de dood. Zo zegt een respondent: “Mijn vrouw is vorige zomer overleden. Daarna ben ik hier komen wonen. Ja, ik mis haar, ja natuurlijk. Maar ik wil er niet te veel aan denken, het verandert toch niets. Ze komt er niet mee terug.”

De dood maakt het leven waardevol en zinvol: “Het leven heeft meer waarde. Je weet dat je nog een heel klein beetje over hebt van dat leven.” Bij dit thema speelt het ouder worden zelf een duidelijke rol en dat rechtvaardigt het ‘gero’ in gerotranscendentie. Een respondent zegt over ‘dat materiële dingen minder belangrijk worden’: “Dat krijg je wel vanzelf, denk ik, als je ouder wordt. Ja, alles is eerst héél belangrijk, maar dat zwakt af.” Waarom? De respondent antwoordt ad rem: “Slijtage!”

Bijna alle respondenten hebben zich erop ingesteld te moeten loslaten. Dat gaat makkelijk met materiële dingen – “je staat uiteindelijk met lege handen” -, maar moeilijk bij mensen en bij je autonomie. Een respondent vertelt: ‘‘Dat is belangrijker geworden dan vroeger. De dood. En het overlijden. En het weggaan. En het elkaar loslaten. Het loslaten van elkaar, dat is moeilijk.” Een andere respondent zegt: “Soms, ja, als je er goed over nadenkt, is het wel heel zwaar om zomaar dag te zeggen tegen elkaar.”

Loslaten gaat makkelijker bij geloof in een hoger plan: “Het is niet in onze handen.” Ook een hoge leeftijd zorgt voor acceptatie en kunnen loslaten. Er komt een vorm van berusting. Een respondent zegt: “Ik zit vlak naast de dood. Eerlijk is eerlijk. Als ik november haal, dan mag ik niet mopperen, dan ben ik honderd.”

Humor als het om te huilen is

Sommige respondenten zetten – bewust of onbewust – humor in om met tragiek en tegenslag om te gaan; humor als vorm van coping. Regelmatig worden er grapjes gemaakt tijdens het interview. Die zijn echter niet allemaal helpend of relativerend. Soms is de humor agressief en zelfdestructief. Opvallend is dat de respondenten die op de gerotranscendentie-schaal uitkomen bij ‘veel gerotranscendentie’, ook wat betreft humor goed uit de bus komen, en wel van de goede soort, namelijk verbindend en zelf-bekrachtigend.

Beperkingen van het onderzoek

Met twintig respondenten is dit onderzoek te klein om tot heel stellige conclusies te komen. Bovendien zijn tijdens de interviews niet altijd alle vragen aan de orde geweest. De duur van het interview was namelijk afhankelijk van het energieniveau van de respondent. Het interviewen van deze oudste ouderen die afhankelijk zijn van 24-uurs verpleegzorg, bleek een uitdaging. Meer kennis van wat een optimale methode kan zijn om oudste ouderen te interviewen, zal de kwaliteit van data verbeteren. Het gaat om allerlei aspecten zoals de juiste setting – hoe zit je bij elkaar en in welke ruimte -, werkende gehoorapparaten die ook correct gedragen worden, het juiste moment van de dag, en medische aspecten zoals kennis van het betreffende ziektebeeld, bijvoorbeeld communicatie bij dementie. Respondenten vonden bovendien de vragen soms moeilijk. Sommige kenmerken bleken bij sommige respondenten meer een karaktereigenschap te zijn, zeiden ze, dan een spirituele ontwikkeling.

Gerotranscendentie: een haalbare manier van positief ouder worden

Wat opvalt is dat er binnen deze gerotranscendentie-theorie ruimte is voor een grote verscheidenheid aan antwoorden en levensvisies. Alle respondenten herkenden zich in enkele en vaak meerdere kenmerken van gerotranscendentie. Bijna alle respondenten zeggen met het ouder worden minder materialistisch te zijn geworden. Ook verinnerlijking is herkenbaar, hoewel sommigen dan vooral piekeren. Er is een grotere middengroep waarbinnen allerlei verschillen zijn. Er zijn respondenten met een down to earth levenshouding, die zichzelf vooral herkennen in de concretere, mensgerichte elementen. De meer contemplatieve respondenten lijken daarbij meer vertrouwd te zijn met kosmische kenmerken en deze spirituele taal. Gerotranscendentie als levensperspectief lijkt een fenomeen te zijn waarbinnen een oudere zich op allerlei manieren, vrij en wellicht grenzeloos, kan ontwikkelen. Bovendien lijkt gerotranscendentie op elementen bereikbaar en aansprekend te zijn voor een breed publiek.

Internationaal is er daarom nog steeds interesse dit verder te onderzoeken. Meer inzicht in deze psychische ontwikkeling op late leeftijd kan voordelen opleveren. Op maatschappelijk en beleidsniveau kan herwaardering hierdoor voor het ouder worden verdere marginalisering tegengaan. Op professioneel vlak geeft dit verpleegkundigen en verzorgenden een beter beeld van wat nodig is voor goede zorg. Op persoonlijk vlak is het ontwikkelen van gerotranscendentie een haalbare manier van positief ouder worden, waarin iedere oudere, bewust of onbewust, zelf verder kan groeien.

Noten

  1. Er zijn zes taalniveaus, van A1 tot C2. Taalniveau B1 betekent eenvoudige taal, in korte zinnen, en met makkelijke woorden die bijna iedereen herkent en gebruikt.

Literatuurlijst

  1. Braam, A. W., Deeg, D. J. H., van Tilburg, T. G., Beekman, A. T. F., & van Tilburg, W. (1998). Gerotranscendentie als levensperspectief: Een eerste empirische benadering bij ouderen in Nederland. Tijdschrift voor Gerontologie en Geriatrie, 29, 24-32.
  2. Braam, A. W., Bramsen, I., van Tilburg, T. G., van der Ploeg, H. M., & Deeg, D. J. H. (2006). Cosmic transcendence and framework of meaning in life: Patterns among older
    adults in the Netherlands. Journal of Gerontology, Social Sciences, 61, 121–128. doi:10.1093/geronb/61.3.s121
  3. Braam, A., Galenkamp, H., Derkx, P., Aartsen, M., & Deeg, D. (2016) Ten-Year Course of Cosmic Transcendence in Older Adults in the Netherlands. In: International Journal of Aging and Human Development, 84(1):44-65. doi:10.1177/0091415016668354
  4. Derkx, P. H. J. M., Bos, P., Laceulle, H., & Machielse, J. E. M. (2020). Meaning in life and the experience of older people. International Journal of Ageing and Later Life, 14(1), 37-66.
  5. Gondo, Y., Nakagawa, T., & Masui, Y. (2013). A new concept of successful aging in the oldest old: Development of gerotranscendence and its influence on the psychological well-being. Annual Review of Gerontology and Geriatrics, 33, 109–132.
  6. Machielse, A., Vaart, van der, W., Laceulle, H., & Klaassens, J. (2022). See me: Social inclusion through Meaningful Ageing. Social and meaning needs, talents and dreams of older adults receiving (informal) care. European research report 1. See me: social inclusion through meaningful ageing.
  7. Rajani F., & Jawaid H. (2015). Gerotranscendence: A Critical Review. Journal of Psychology & Clinical Psychiatry, 4(1): 00184.
  8. Tornstam, L. (1989). Gero-transcendence; A meta-theoretical reformulation of the disengagement theory. Aging (Milano/Italy), 1(1), 55-63. doi:10.1007/BF03323876
  9. Tornstam, L. (2011). Maturing into gerotranscendance. In: The Journal of Transpersonal Psychology, 43(2).
  10. Wadensten, B. (2005). Introducing older people to the theory of gerotranscendence. Journal of Advanced Nursing, 52(4): 381-388.