59 Weergaven
0 Downloads
Lees verder

VOGEL

De bomen kregen een betekenis

die zij nog zacht gebarend wilden weren,

maar ’t noodlot was niet meer te keren:

een vogel streek klapwiekend in de wildernis

van takken neer en nu hij roerloos zit

(het licht wordt zo benauwend wit)

denk ik aan dood, verrotte geur van blaren,

hetzelfde zijn op steeds dezelfde plaats…

Hoe komt wie vliegt ooit tot bedaren,

en wie niet vliegt ooit van zijn plaats?

 

 

Jan Emmens

Uit: Gedichten en aforismen, Verzameld werk  (1980).  Amsterdam: Van Oorschot.

 

De keuze voor het gedicht in Gerōn wordt -tenzij anders vermeld- verzorgd door Aafke de Groot, specialist ouderengeneeskunde in Naarden en docent/onderzoeker Geriatrische Revalidatie, VUmc Amsterdam. Zie ook: www.dichterbijdezorg.nl