629 Weergaven
14 Downloads
Lees verder
Het zorg- en welzijnslandschap staat door de vergrijzing en verzilvering voor grote uitdagingen. Om hierop een antwoord te bieden, is een vergaande samenwerking tussen formele zorg- en welzijnsactoren in de buurt belangrijk. Dit artikel omschrijft een aanpak om deze breinbreker het hoofd te bieden. Het doel? Zorg bieden op maat en volgens de wensen van de oudere zorgvrager.

Wie zijn de professionals?

Het zorg- en welzijnslandschap staat voor uitdagingen, waaronder de ondersteuning van ouderen om zo lang mogelijk in hun vertrouwde omgeving te kunnen blijven en hen toegang te garanderen tot de eerstelijnszorg. Hiervoor is een vergaande samenwerking tussen de vele formele zorg- en welzijnsactoren in de buurt belangrijk. De Vlaamse regering heeft zich geëngageerd om dit te ondersteunen door de oprichting van eerstelijnszorgzones (ELZ). Hun opdracht is onder meer om de diverse professionals op buurtniveau beter te laten samenwerken, zodat buurtbewoners zo lang mogelijk in hun vertrouwde omgeving kunnen vertoeven en laagdrempelige toegang hebben tot zorg en ondersteuning.

Om de Vlaamse beleidsvisie in werkelijkheid om te zetten, is een vergaande samenwerking tussen formele actoren in de wijk belangrijk. De grote uitdaging hierbij is om de veelheid aan professionals die elkaar niet of nauwelijks kennen samen te brengen rond het gemeenschappelijke doel: zorg bieden op maat en volgens de doelen van de oudere zorgvrager. Gedurende twee jaar is er in een interdisciplinair onderzoek van de onderzoekscentra Zorg in Connectie en Sociale Inclusie van de Karel de Grote Hogeschool gezocht naar een antwoord op de vraag: Hoe kunnen zorg- en welzijnsprofessionals een gedragen, interprofessionele samenwerking opstarten binnen de specifieke context van een (zorg)buurt in Antwerpen Zuid?

Wat is ‘de buurt?’

Een buurt omschrijven is niet zo eenvoudig als het lijkt. Buurtbewoners bakenen hun buurt af vanuit medisch of functioneel perspectief of naar bestuurlijke afbakeningen zoals omringende straten. Professionals hanteren eerder de grote verkeersassen om een grens aan te geven van een buurt, waar zij niet aan voorbij gaan om hulp te verlenen. Hierdoor ontstaat er al een discrepantie tussen vraag en aanbod. Omdat we de focus op de professionals hebben gelegd, wordt in dit onderzoek een buurt gedefinieerd als ‘een gebied dat zich bevindt tussen de drie grote verkeersassen’.

Actie!

Actieonderzoek is een methode die zich er goed toe leent om een antwoord te formuleren op de onderzoeksvraag. We gebruikten de methodiek van innovatielabs, creatieve platforms waarbij de verschillende deelnemers samenkomen en stap voor stap samen werken aan de oplossing van een probleem. Vijf professionals uit verschillende organisaties in zorg- en welzijnswerk binnen de pilotbuurt in Antwerpen Zuid namen deel. Zij vertegenwoordigen de ELZ, maatschappelijk werk, ouderenzorg en huisartsenpraktijken. Samen gingen ze op zoek naar initiatieven die communicatie en samenwerking kunnen faciliteren of verbeteren. Om dit op een bottom up en toch gestructureerde manier te doen, hebben we de innovatielabs vormgegeven door het design thinking model van Stanford University door Plattner, Meinel en Leifer (2012) toe te passen. Er zijn zes co-creatieve sessies georganiseerd, waarbij de deelnemers telkens de leiding hebben over de invulling. Deze sessies doorlopen de verschillende fasen van het design thinking model, namelijk:

  1. de empathise fase, waarbij de deelnemers met elkaar kennismaken en het begrip ‘buurt’ definiëren;
  2. de define fase, waarbij de drempels en bevorderende factoren in interprofessionele samenwerking worden blootgelegd;
  3. de ideate fase, waarin het plan van aanpak wordt ontworpen om daarna het prototype vorm te geven (2 sessies);
  4. de testfase, waarin het uitgewerkte prototype uitgevoerd en geëvalueerd wordt.

Er werd naast deze fasen ook een focusgroep gehouden om het doorlopen proces te evalueren.

Het verloop

Door de verschillende Covid-19 golven die ons land teisterden op het moment van het onderzoek, moest er op zeer korte tijd geschakeld worden naar alternatieve werkvormen en ontmoetingsmomenten. De vijf deelnemers waren telkens aanwezig doorheen de online en fysieke sessies. Gedurende maximaal twee uur werd er telkens rond een fase gewerkt (voor details zie KdG Hogeschool, 2023).

Tijdens de eerste fysieke bijeenkomst lag de nadruk op kennismaking en het ontwikkelen van een gemeenschappelijk begrip van ‘de buurt’ aan de hand van de vooraf uitgevoerde buurtanalyse. Hieruit bleek dat er nog behoorlijk wat vooroordelen leven ten aanzien van de verschillende professionals die aan tafel zaten. Dit speelt volgens de deelnemers ook mee in het feit dat ze onvoldoende samenwerken. Ze weten immers niet rond welke thema’s er zou kunnen samengewerkt worden met de andere professionals. Deze bijeenkomst werd als zeer waardevol beschouwd en, achteraf bekeken, misschien wel de belangrijkste fase van het hele innovatielab.

De volgende bijeenkomsten verliepen omwille van lockdowns online. Zelfs via deze weg werd er constructief verder gebouwd aan de interprofessionele samenwerking. Aan de hand van concrete cases die werden voorgelegd door de professionals – zowel individueel als in groep – werd hun samenwerking geanalyseerd en kwamen de deelnemers tot gezamenlijke prioriteiten die ze verder wilden aanpakken. Deze werden in de volgende online sessie weer verder uitgediept. Om interprofessionele samenwerking een kans op slagen te geven, werden naast de nodige veranderingen ook de mechanismen die hiermee gepaard gaan meegenomen in het uitwerken van de ideeën voor mogelijke oplossingen. Hieronder vallen bijvoorbeeld de manier waarop de organisatie werkt, tijd die kan vrijgemaakt worden om aan netwerking te doen en welke invloed ze hebben op het al dan niet interprofessioneel werken.

Naderhand werd de haalbaarheid van het plan bekeken. De deelnemers gingen actief op zoek naar een ‘prototype’ waarmee ze naar buiten kunnen treden. Het prototype zou een antwoord bieden op de vraag “Hoe kunnen we de verschillende professionals van de buurt aantrekken om met elkaar in gesprek te gaan?”

Het idee van quick wins sloeg aan, bijvoorbeeld in de vorm van een ‘zorgcafé’. Hieraan kunnen de verschillende spelers uit de wijk deelnemen. In deze fase van het onderzoek was het duidelijk dat er een ‘leidersfiguur’ moet aangeduid worden binnen de groep van professionals en dat er een gedragen engagement moet zijn om deel te nemen aan de innovatielabs. Zo niet, dan komt de effectieve uitvoering van ‘het prototype van de oplossing’ in het gedrang. Dit was ook het punt waarop het onderzoek anders liep dan verwacht. Door de nasleep van de Covid-19 pandemie, de vluchtelingencrisis en massale uitval van zorg- en welzijnspersoneel, was het zeer moeilijk om de deelnemers nog op eenzelfde moment bij elkaar te brengen. De prioriteiten van de organisaties werden elders gelegd dan op het interprofessionele samenwerken. Ondanks deze tegenslag werd er tijdens de reflectie op het gehele proces toch waardevolle informatie weergegeven door de deelnemers.

De bevindingen op een rij

Bij aanvang van het onderzoeksproject was de interprofessionele samenwerking in de buurt zeer beperkt. Er werd vastgesteld dat de deelnemers weinig inzicht hadden in elkaars taken en manier van werken. De methode van innovatielabs bleek een goede manier om interprofessionele samenwerking uit te bouwen of te verbeteren. De structuur van deze methode werd ervaren als een duidelijke en eenvoudige vorm om bottom-up initiatieven te vergemakkelijken. Doorheen het project ervaarden de deelnemers een toegenomen onderlinge communicatie. De meest belemmerende factoren met betrekking tot interprofessionele samenwerking in de buurt waren volgens de deelnemers: een tekort aan personeel, de vrijblijvendheid van interprofessionele samenwerking, grote tijdsinvestering en een grote turnover van mensen op cruciale posities in het verwezenlijken van interprofessionele samenwerking.

Wat leerden we hier uit?

Allereerst suggereren de resultaten dat de invullingen en ervaringen over hoe de buurt wordt afgebakend afhankelijk zijn van de professional. Een strikte interpretatie of invulling van het concept buurt leidt tot bepaalde blindspots in interprofessionele samenwerking in de buurt.

De deelnemers gaven aan dat hun kennis over het lokale zorglandschap heel versnipperd is. Signalen worden wel opgepikt maar niemand verzamelt ze. Met andere woorden, er is geen coördinatie om het opgepikte probleem en de buurtbewoner naar de best mogelijke ondersteuning te leiden.

De verschillende zorgprofessionals gaven aan dat het noodzakelijk is om elkaar te leren kennen. Een naam en een gezicht kunnen koppelen aan een bepaalde professie, maar ook aan een organisatie. Dit heeft ertoe geleid dat ze tijdens het onderzoek en na afloop nog steeds met elkaar in contact staan. Zo werd aangegeven dat er veel sneller contact met elkaar wordt opgenomen om bepaalde problematieken interprofessioneel te bespreken en ook daadwerkelijk op te lossen.

In de naweeën van de Covid-19 pandemie hebben organisaties nog steeds te maken met personeelsuitval. De perceptie leeft dat er wel middelen zijn om mensen aan te werven maar dat de juiste persoon met de juiste kwalificaties vinden vaak hét grote probleem is. De gepercipieerde druk en het vaak in firefighter-mode werken, zorgt ervoor dat professionals geen extra tijd kunnen vrijmaken aan interprofessionele samenwerking.

Als bijkomend probleem werd er gesteld dat er te weinig tijd is effectief de brug te slagen over de organisaties heen. Als er dan wel tijd is, dan speelt onderlinge concurrentie tussen de verschillende organisaties een rol. Organisaties worden door de overheid gefinancierd per persoon die geholpen wordt, verblijft, enzovoort. Deze personen dan doorverwijzen naar een andere organisatie wil zeggen dat je zelf financieel verlies hebt. Het belang van organisaties om klanten bij te houden komt hierdoor rechtstreeks in het gedrang. Omwille van de ervaren tijdsdruk, personeelstekort (met name grote turnover van personeel) en concurrentie in de buurt is het belangrijk om ook op beleidsniveau stil te staan bij de hiaten die er momenteel zijn rond interprofessionele samenwerking. Werken met een forfaitair systeem zou hier mogelijk een oplossing kunnen bieden.

Hoe verder?

Om tegemoet te komen aan de blootgelegde noden, zijn concrete tools uitgewerkt voor ondersteuning van interprofessionele samenwerking. De online bevraging “Hoe buurtgericht en interprofessioneel werk je binnen jouw organisatie?” kan aangewend worden om een aanknopingspunt te hebben om met de verschillende actoren in een buurt interprofessionele samenwerking op te starten. De te doorlopen methodiek van het onderzoek werd in een gratis e-book ‘Buurtconnect’ gepubliceerd en kan als een roadmap gebruikt worden door andere buurten die interprofessionele samenwerking willen opstarten of verbeteren. Deze output wordt mee opgenomen in de leerstoel  Provincie Antwerpen Leerstoel Zorgberoepen in Evolutie (PAZOE) aan de Universiteit Antwerpen, waar samen wordt bekeken hoe het interprofessioneel samenwerken in de buurt kan meegenomen worden in vervolgonderzoek.

Literatuurlijst

  1. KdG Hogeschool (2023). Interprofessioneel samenwerken in wijken doe je zo. E-book. Beschikbaar op aanvraag via https://www.kdg.be/onderzoek/onderzoekscentra/zorg-connectie/interprofessioneel-samenwerken-wijken-doe-je-zo
  2. Plattner, H., Meinel, C., & Leifer, L. (2016, Eds.). Design Thinking Research: Making Design Thinking Foundational. Cham, Springer International Publishing Switzerland.