Klinisch ouderenpsycholoog Luc Van de Ven – verbonden aan het Universitair Psychiatrisch Centrum KU Leuven en onder andere auteur van het Handboek Klinische Ouderenpsychologie – schreef een pleidooi voor het welzijn van ‘de verborgen patiënten’. Daarmee bedoelt hij hoe belangrijk het is om werkelijk oog te hebben voor alle leden van een familie waarbinnen een oudere hulpbehoevend wordt. Dus om niet alleen voor de oudere zelf zorg te hebben. Door het onbevooroordeeld luisteren naar het verhaal van familieleden kunnen zij beter hun eigen rol vinden en hun taak in de ondersteuning van hun ouders volhouden.

Doorheen het boek laat hij de lezer ervaren hoe de perspectieven van elk van de oudere partners en elk van de kinderen in dezelfde familiesituatie verschillen en zo illustreert hij mooi de persoonsgebondenheid van ieders positie. Daarmee worden de relaties tussen de gezinsleden geportretteerd in een zich verder uitbreidende en verdiepende casus. Dit familiale relatienetwerk geeft veel inzicht in het proces dat ieder lid ervaart.
Gaandeweg beschrijft hij een aantal in de hulpverlening aan ouderen veelgebruikte concepten en breekt ook enkele vooroordelen af, zoals de overtuiging dat opname in een zorginstelling altijd vreselijk is en thuiszorg voor iedereen altijd beter. De ondersteuning door professionals wordt in de beschreven voorbeelden consequent als helpend ervaren.
Het boek heeft zes hoofdstukken. Allereerst wordt aandacht besteed aan het verhaal en de belevingswereld van de ouder geworden ‘patiënt’ of ‘zorgvrager’. Vanuit dit perspectief worden betekenisvolle thema’s zoals pensionering, lichamelijke veranderingen en bijvoorbeeld ‘spijt’ uitgelicht. In het volgende hoofdstuk wordt dit verbreed naar de ‘familiale geschiedenis’. Hoe wordt die ervaren vanuit de verschillende gezinsleden? Het thema ‘finishing well’ komt naar voren. Vervolgens verbreedt hij de beschouwing door het stress verhogende proces dat de ‘zorgdragers’ doormaken meer naar voren te halen. Verhelderend zijn daarin de begrippen ‘zorgstress’ en ‘netwerkstress’. Schuldgevoelens en gevoelens van machteloosheid, woede of jaloezie worden besproken. Deze onderlinge spanningen kunnen een rol spelen tussen de familieleden, maar ook in het persoonlijke netwerk van zorgdragers, tussen kinderen en hun partners.
Hierna volgt een hoofdstuk over het omgaan met de hulpbehoevende ouder, te beginnen met het thema ‘het moeilijke gesprek’, waarin kinderen beslissingen moeten overnemen van ouders. Hoe pak je dat aan, zo’n gesprek? Wat gebeurt er eigenlijk?
Twee kortere hoofdstukken bevatten dan nog tips voor zelfzorg, waarbij de auteur zelf al het gevaar voor ‘goedkope raad’ signaleert, zoals in het advies ‘zorg goed voor jezelf’. Ook wordt opnieuw benadrukt hoe cruciaal open, duidelijke gesprekken zijn. Die kunnen er voor zorgen dat de zorgdragers niet met te hoge spanning blijven rondlopen. Het laatste hoofdstuk gaat over formele ondersteuning die praktisch, psychologisch of ook juridisch kan zijn, met name wanneer wilsverklaringen aan de orde komen. Mooi wordt de ‘meerzijdige partijdigheid’ van de therapeut benoemd, deze ‘zorgt’ in gelijke mate en onbevooroordeeld voor alle leden van de familie.
Het hele boek leest gemakkelijk en bevat tal van herkenningspunten voor wat Van de Ven zo mooi ‘zorgdragers’ noemt. Hij stipt thema’s aan, die zich altijd wel voordoen in een traject van toenemende zorgbehoevendheid van ouders. De toon van het boek is steeds respectvol naar alle betrokkenen en ‘onbevooroordeeld’ luisterend. Dit wordt versterkt door de rustige verteltrant en de persoonlijke verhalen van de betrokken familieleden. In die grondtoon is de positie en wijsheid van iemand met veel ervaring in het systeemgericht benaderen van ouderenzorgproblemen herkenbaar. Het boek zet daarmee een betekenisvol kader neer en bevat waardevolle boodschappen voor families met zorgstress. Eigenlijk klinkt doorheen het gehele betoog de boodschap aan zorgdragers om tolerant met zichzelf en met familieleden om te gaan. Mensen mogen van elkaar verschillen in opvattingen en in gedrag. En vooral raadt de auteur aan niet te schromen om professionele hulp te vragen, juist als de mantelzorger toenemende spanning bij zichzelf ervaart. Verder bekritiseert de auteur de ‘goedkope’ adviezen die vaak klinken, zoals ‘bewaak je eigen grenzen’. Want hoe doe je dat in het spitsuur van de mantelzorg? Zeker in het licht van de schaarste aan werkers in de zorg is dit dan vooral een extra opdracht erbij.
Er zijn ook wel enkele zwakkere punten in het boek. Het bevat soms nogal uitgebreide en academische begripsomschrijvingen die ertoe kunnen leiden dat de primaire doelgroep van lezers, namelijk mensen die voor hun ouders zorgen, zou kunnen vervreemden en afhaken. Een voorbeeld is het begrip ‘filiale en paternale maturiteit’ op blz 108. Deze definities lijken dan meer voor therapeuten bedoeld. Het boek is niettemin voor zorgprofessionals die met ouderen werken zeker ook lezenswaardig. Zij zijn in hun zorgverlening immers primair georiënteerd op de patiënt zelf.
In het vierde hoofdstuk over de uitdagingen in het omgaan met de zorgbehoevende ouder worden een aantal meer ‘medische’ problemen betrekkelijk kort behandeld. Dit is uitdagend, omdat het complexe en zeer verschillende problemen betreft, zoals levensmoeheid, dementie, seksualiteit. De auteur slaagt er niet helemaal in dit bevredigend te volbrengen. Hierbij gebruikt hij ook weer verhalen van mantelzorgers, maar ze overtuigen minder dan de familiecasus in de eerste hoofdstukken, omdat ze enigszins bij de thema’s gezocht lijken. Eenzelfde bezwaar lijkt ook te gelden voor hoofdstuk vijf (zelfzorg) en zes (professionele hulpverlening). Het gaat daar over onderwerpen met veel deelthema’s die ook exploratie en ruimte vergen en nu noodgedwongen kort behandeld worden. De aanpak van juridische aspecten in de zorg rondom het levenseinde kan bovendien sterk verschillen tussen landen, ook binnen het Nederlandse taalgebied.
Tenslotte leek na lezing van het gehele boek de titel minder passend dan de ondertitel over emotionele en praktische uitdagingen. Zorgdrager worden gebeurt eigenlijk niet plotseling, het is juist een geleidelijk proces van jaren en geworteld in de familiale geschiedenis met haar normen en waarden. Toch is dit een relatief bezwaar, want in eerste instantie kan het zeker zo voelen dat je ‘ineens’ voor je ouders moet gaan zorgen.
Temidden van de vele boeken die over mantelzorg verschijnen biedt dit boek verdieping in het persoonlijke verhaal en de ervaringen van families die zorg dragen. Het geeft daarmee structuur aan zowel het ‘moeilijke’ als het goede gesprek tussen kinderen en ouders. Aanbevolen dus als je zoekt naar handvatten om eigen of andermans zorgstress te begrijpen.