Partnerpensioen in transitie
Er is weinig twijfel over de toegevoegde waarde van een partnerpensioen dat uitkeert bij overlijden aan de partner. Toch staat dit partnerpensioen onder druk door de ingrijpende hervormingen bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel (Wet toekomst pensioenen, Wtp). Uiterlijk 1 januari 2028 moeten alle pensioenregelingen de overstap naar de Wtp hebben gemaakt. Doorgaans gaat daarbij de aandacht uit naar de veranderingen voor het ouderdomspensioen, maar het partnerpensioen ondergaat grotere wijzigingen.
Tot de overgang naar de Wtp vallen de meeste regelingen onder het Financieel toetsingskader (Ftk) en is het partnerpensioen gekoppeld aan het (verwachte, ‘te bereiken’) ouderdomspensioen. Ingelegde premies en daarop behaalde beleggingsrendementen bepalen de hoogte van zowel het ouderdoms- als partnerpensioen. In de Wtp verandert dit doordat het partnerpensioen bij overlijden vóór pensioendatum afhangt van het laatstverdiende loon, en niet meer van het ouderdomspensioen. Dit beoogt eenvoud, duidelijkheid en zekerheid te creëren. Hoewel deze aanpassing misschien helpt om verschillen in partnerpensioenen tussen verschillende pensioenregelingen te verkleinen, leidt dit binnen pensioenregelingen tot nieuwe verschillen.
In het nieuwe stelsel kan de nabestaande soms na tientallen jaren pensioenopbouw zonder partnerpensioen komen te staan. Voorbeelden zijn mensen die vrijwillig stoppen als werknemer en vervolgens als zelfstandige gaan werken, in het buitenland gaan werken bij een buitenlandse werkgever of interen op hun vermogen. Ook kan eerder of later laten ingaan van het ouderdomspensioen onbedoeld vergaande gevolgen hebben voor de partner, omdat hierdoor kan veranderen of iemand voor of na pensioendatum overlijdt. Deze voorbeelden wringen met het doel van eenvoud, duidelijkheid en zekerheid dat juist van het partnerpensioen wordt verwacht.
In dit artikel reflecteren we op de belangrijkste inzichten uit recent onderzoek naar het partnerpensioen in de Wtp en met restitutie. Voor meer details zie Muns, Nijman en Werker (2026). We bespreken hier achtereenvolgens: knelpunten in het Wtp‑partnerpensioen, restitutie als potentiële oplossing, en beleidsimplicaties.
Knelpunten in het Wtp‑partnerpensioen
Dienstverband als harde scheidslijn
Het Wtp‑partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum kent als strikte voorwaarde dat deze alleen uitkeert wanneer iemand is verzekerd (en dus premiebetaler was) op de overlijdensdatum. Drie tot zes maanden na beëindiging van een dienstverband vervalt de automatische voortzetting van de dekking van het partnerpensioen. Vaak is dan geen dekking meer van een partnerpensioen, tenzij diegene zelf een verzekering afsluit, reeds een nieuw dienstverband heeft (met dekking van partnerpensioen), een bepaalde uitkering ontvangt (met premievrije voortzetting) of gepensioneerd is.1
Voor velen is het voor het partnerpensioen dus van belang of er een dienstverband is. Het achterliggende idee is dat inkomensvervanging in de vorm van partnerpensioen alleen nodig is als door het overlijden een inkomen wegvalt. Na beëindiging van een dienstverband valt er bij overlijden vaak geen inkomen meer weg, en is er dan geen recht op partnerpensioen. Hoewel dit overzichtelijk lijkt, schuurt dit met de huidige arbeidsmarkt.
De hedendaagse loopbaan kenmerkt zich door toegenomen flexibiliteit en verschillende arbeidsvormen: tijdelijke contracten, periodes van zelfstandigheid, sabbaticals en carrièreswitches. Hierdoor ontstaan situaties waarin de aan- of afwezigheid van een dienstverband meer toeval is dan planning. Voor partners kan dit toeval grote financiële implicaties hebben in geval van overlijden. Hoewel inmiddels wordt nagedacht over coulanceregelingen waarbij er een tegemoetkoming is voor de meest schrijnende gevallen, lijkt enige willekeur onvermijdelijk voor wie daarvoor in aanmerking komt. Coulanceregelingen geven dus geen rechtszekerheid, verminderen de beoogde eenvoud, en bemoeilijken communicatie over de werkelijke dekking.
Timinggevoeligheid bij keuze pensioendatum
Een tweede aandachtspunt van het Wtp-partnerpensioen is de timinggevoeligheid van het partnerpensioen rond de pensioendatum. Er gelden andere regels bij overlijden vlak vóór pensionering, dan bij overlijden direct na pensionering. Als gevolg hiervan kan het verschil in dekking bij een gemiddeld inkomen oplopen tot duizenden euro’s aan jaarlijkse uitkeringen voor de partner.
Stel dat iemand tot zijn 46e als werknemer werkzaam was voor een brutoloon van 50 duizend euro per jaar en daarna als zelfstandige aan de slag is gegaan. In de Wtp is er bij overlijden voor pensionering geen partnerpensioen, terwijl dit bij overlijden na pensionering circa 10 duizend euro per jaar is (bij fiscaal maximale premie en jaarlijks 1,5 procent beleggingsrendement boven inflatie). In beide situaties is evenveel pensioenpremie ingelegd. Het enige verschil is of de voormalig werknemer de pensioenleeftijd bereikt.
Dit grote verschil tussen ogenschijnlijk vrijwel identieke deelnemers is moeilijk uitlegbaar. Weliswaar is de pensioendatum in de meeste regelingen vrij te kiezen (in tegenstelling tot de AOW-leeftijd), zodat deelnemers hun pensioeningangsdatum mede op basis van hun eigen levensverwachting kunnen kiezen. Die keuze is echter complex vanwege tegengestelde gevolgen voor het ouderdomspensioen en het partnerpensioen. Een complicerende factor hierbij is dat deze gevolgen nog moeilijker zijn te overzien door het complexe belasting- en toeslagenstelsel.
Bij het kiezen van de pensioendatum kan dus ook de dekking voor het partnerpensioen een belangrijke financiële rol spelen, naast het ontvangen van een ouderdomspensioen. Dit geldt in het bijzonder als er een verhoogd risico is op voortijdig overlijden. Erop vertrouwen dat het partnerpensioen vanzelf goed is geregeld kan verkeerd uitpakken en de ervaren rechtvaardigheid van het pensioenstelsel ondermijnen.
Gedragsrisico’s bij zelf bijverzekeren
Een van de aannames van de Wtp is dat mensen zich bijverzekeren als zij hun dekking van partnerpensioen verliezen nadat zij zijn gestopt als werknemer. Maar onderzoek naar financieel gedrag laat zien dat mensen vaak moeite hebben om complexe financiële risico’s te overzien (WRR, 2017). Verzekeringsbehoeften worden onderschat, beslissingen worden uitgesteld en urgentie ontstaat vaak pas wanneer het te laat is. Het resultaat is dat mensen met een minder goede financiële geletterdheid vaker onverzekerd zijn, en juist die groep kan vaker te maken hebben met overlijden op jongere leeftijd.
Herverdeling tussen generaties
In het Wtp-stelsel hangt het partnerpensioen van een overleden werknemer uitsluitend af van het laatstverdiende loon. Omdat leeftijdsonafhankelijke premies het uitgangspunt blijven, betalen jonge en oude werknemers dus dezelfde premie ondanks de grote verschillen in sterftekansen. Het Wtp-partnerpensioen leidt hierdoor tot een herverdeling tussen leeftijdsgroepen. Jongere werknemers betalen voor een groot deel mee aan het hogere sterfterisico van oudere werknemers. In figuur 1 is dit te zien doordat dezelfde pensioendekking voor jongeren aanzienlijk goedkoper is dan voor oudere werknemers (lijn ‘Wtp-variant’). Ondanks dit aanzienlijke verschil in kostprijs betalen alle leeftijdsgroepen hetzelfde premiepercentage, wat een herverdeling impliceert. In het Wtp‑stelsel is deze herverdeling aanzienlijk groter dan bij een systeem waarin de hoogte van het partnerpensioen is gebaseerd op opbouw (lijn ‘restitutievariant’).

Bron: Muns e.a., 2026
Hoewel intergenerationele solidariteit een waardevol element kan zijn, moet deze wel uitlegbaar en proportioneel zijn. De genoemde herverdeling in het huidige Wtp‑partnerpensioen is een onbedoeld bijproduct en geen bewuste beleidskeuze. In het Ftk-stelsel leidde de doorsneesystematiek van het ouderdomspensioen overigens tot een nog sterkere herverdeling. Afschaffing van deze herverdeling was een belangrijke reden voor invoering van de Wtp, maar via het partnerpensioen is daar dus een andere herverdeling voor teruggekomen.
Restitutie als robuust alternatief
In de voorgaande paragraaf is beschreven dat het voor het Wtp-partnerpensioen veel kan uitmaken of op het moment van overlijden (1) er een dienstverband is, (2) de pensioendatum is bereikt, en (3) of men zelf het nodige bijverzekert. Bovendien is er een herverdeling van jonge naar oude leeftijdsgroepen. In deze paragraaf laten we zien in hoeverre deze knelpunten zijn op te lossen door een restitutiemogelijkheid aan het Wtp-partnerpensioen toe te voegen.
Opgebouwd vermogen centraal
Met een restitutiemogelijkheid wordt ook bij overlijden vóór pensioendatum het opgebouwde vermogen (of wellicht een deel daarvan, zoals voorheen 70% van het ouderdomspensioen) ingezet voor een partnerpensioenuitkering. Daarmee biedt het opgebouwde pensioen zekerheid op een partnerpensioen, ongeacht of er een dienstverband is op het moment van overlijden en of de pensioendatum is bereikt.
Deze door ons voorgestelde benadering van partnerpensioen sluit ook aan bij de opzet van het ouderdomspensioen in het Wtp-pensioenstelsel waarin individuele vermogensopbouw centraler staat. Het voorkomt dat waardevolle opbouw ‘verdwijnt’ zodra iemand uit dienst treedt en maakt bescherming consistenter.
Geen timinggevoeligheid
Doordat restitutie uitgaat van opgebouwd vermogen, verdwijnt de abrupte overgang rond de uitdiensttredingsdatum (waaronder de pensioendatum). De uitkomst wordt vloeiend, omdat de hoogte van het partnerpensioen in alle gevallen afhangt van het opgebouwde pensioen, en niet van de uitdiensttredingsdatum en de pensioendatum (in veel gevallen de AOW-leeftijd). Voor uitvoerders maakt dit de regeling eenvoudiger uitlegbaar.
Aansluiting bij menselijk gedrag
Een ander belangrijk voordeel van restitutie is dat het niet afhangt van actieve keuzes van deelnemers. Omdat het partnerpensioen automatisch meeloopt met het opgebouwde vermogen, hoeven veel mensen geen complexe beslissingen te nemen over aanvullende verzekeringen. Dat sluit beter aan bij werkelijke financiële gedragingen.
Beperkte herverdeling tussen generaties
Restitutie beperkt de herverdeling tussen leeftijdsgroepen (figuur 1). Het partnerpensioen wordt dan immers gefinancierd vanuit het pensioenvermogen dat een deelnemer zelf heeft opgebouwd. In tijden waarin intergenerationele rechtvaardigheid een nadrukkelijk onderwerp van maatschappelijk debat is, draagt restitutie bij aan het draagvlak en is consistent met de systematiek van het Wtp-pensioenstelsel.
Beperkte extra premie
Restitutie gaat schrijnende gevallen tegen. Om deze extra dekking te financieren is een beperkte premieopslag nodig van naar schatting één procentpunt van de pensioengrondslag (het bruto jaarloon met aftrek van de voltijdfranchise van circa 19 duizend euro).2 Kort gezegd financiert de premieopslag de dekking van toekomstige overlijdens van onverzekerde deelnemers.
Uitkering in enkel geval lager
Sommige werknemers hebben periodes gehad waarin zij geen pensioen opbouwden, zoals immigranten en voormalige zelfstandigen. Als zij in dienst zijn op overlijdensdatum, dan is bij uitzondering hun partnerpensioen juist lager met restitutie dan in de huidige Wtp. Daartegenover staat dat deze groepen weinig premie hebben betaald. Dit neemt niet weg dat in sommige gevallen bijverzekeren en voorlichting daarover wenselijk kan zijn, zoals dat voorheen ook het geval was.
Beleidsimplicaties
Consistent met Wtp-kader
Restitutie is nog niet geregeld in de Wtp, maar past binnen de systematiek van het Wtp‑kader van het ouderdomspensioen vanwege de inzet op individuele vermogensopbouw en transparantie. Door het partnerpensioen te koppelen aan diezelfde vermogensopbouw, ontstaat een stelsel dat samenhangt en begrijpelijk blijft.
Eenvoudiger communicatie
Een van de uitdagingen van de Wtp is de uitlegbaarheid aan deelnemers. De dienstverband‑afhankelijke dekking van het partnerpensioen lijkt simpel uitlegbaar, maar kan leiden tot teleurstellingen als men zich onvoldoende realiseert dat uitdiensttreding grote gevolgen heeft. Eventuele coulanceregelingen kunnen weliswaar helpen om de schrijnendste gevallen te voorkomen, maar maken het Wtp-partnerpensioen complexer en minder goed uitlegbaar. Restitutie is eenvoudig uitlegbaar, namelijk dat pensioenopbouw zowel helpt voor het ouderdomspensioen als het partnerpensioen. Dit vergemakkelijkt communicatie, en kan daarmee het vertrouwen in het pensioenstelsel vergroten.
Robuust voor veranderende arbeidsmarkt
Het huidige kabinet Jetten zet eerder ingezette beleidsvoornemens voort door in te zetten op (1) toenemende arbeidsmobiliteit om werkzekerheid op langer termijn te vergroten en (2) meer sociale zekerheid voor zelfstandigen om concurrentieverschillen tussen verschillende arbeidsvormen te verkleinen. Restitutie is in lijn met deze beleidsvoornemens, omdat het partnerpensioen dan niet meer afhangt van het hebben van een dienstverband op overlijdendatum. Restitutie zou daarmee bijdragen aan het verkleinen van verschillen tussen arbeidsvormen, wat de arbeidsmobiliteit kan bevorderen.
Uitvoerbaarheid
Hoewel restitutie een wetswijziging vergt, lijken de vereiste aanpassingen goed uitvoerbaar. De belangrijkste aanpassing is dat nieuwe pensioenopbouw ook aan de partner uitkeert bij overlijden voor pensionering, en dus niet alleen na pensionering. Het vervallen van de afhankelijkheid van de pensioendatum maakt het partnerpensioen juist eenvoudiger. Bovendien was dit voorheen al het geval in het Ftk-stelsel en bij zogenoemde premiepensioeninstellingen (ppi’s).
Uitkeringshoogte
De meeste partnerpensioenen zijn hoger met restitutie dan met Wtp, waardoor de premie circa één procentpunt hoger zal zijn. Niettemin kan voor degenen die in het verleden weinig pensioenpremies hebben betaald (zoals sommige zelfstandigen en immigranten) het partnerpensioen met restitutie lager uitvallen dan het Wtp-partnerpensioen. Voorheen was het partnerpensioen van deze groepen ook lager. Mogelijke denkrichtingen om deze groepen te helpen zijn (1) bijverzekeren en voorlichting hierover vanuit pensioenfondsen, -verzekeraars en de overheid, (2) een hoger, maar tijdelijk partnerpensioen (in plaats van het huidige levenslange partnerpensioen), (3) een pensioenplicht voor alle werkenden om dit op lange termijn tegen te gaan en die verschillen tussen arbeidsvormen verder verkleint (terugdringen van aantal werkenden zonder pensioenregeling, de zogenoemde witte vlek).
Conclusie
Het partnerpensioen in de Wtp heeft een nobel doel, maar bevat kwetsbaarheden die kunnen leiden tot moeilijk uitlegbare uitkomsten. Belangrijke aandachtspunten zijn afhankelijkheid van dienstverband, timing van zelfgekozen pensioendatum, gedragsrisico’s en herverdeling.
Partnerpensioen met restitutie kan een alternatief bieden. Het gebruikt opgebouwd vermogen als fundament, is beter uitlegbaar aan deelnemers, beperkt herverdeling, en sluit beter aan op reeds bestaand arbeidsmarkt- en pensioenbeleid. Restitutie kan daarmee niet alleen de financiële positie van vele toekomstige nabestaanden versterken, maar ook het draagvlak van het Nederlandse pensioenstelsel. De beperkte meerkosten maken het naar onze mening een wenselijke optie die nader verkend zou moeten worden.
Dit onderzoek is mede mogelijk gemaakt door financiering van Instituut Gak.
Verklaring gebruik generatieve AI
Een eerste versie van deze samenvatting van Muns, Nijman en Werker (2026) is gegenereerd door Microsoft Copilot. Vervolgens is deze versie door de auteur substantieel bewerkt.
1 De oorspronkelijke dekking blijft bestaan in geval van automatische voortzetting van drie tot zes maanden, als ontvanger van een uitkering door de werkloosheidswet (WW) of Ziektewet (ZW), of van een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA) mits sociale partners daarvoor hebben gekozen. Daarnaast is in de eerste jaren na de overgang naar het Wtp in veel gevallen nog een ruime eerbiedigende werking waarbij partnerpensioen dat reeds was opgebouwd voorafgaand aan de overgang naar Wtp behouden blijft. Deze eerbiedigende werking zal geleidelijk voor steeds minder mensen van toepassing zijn door het uitfaseren van eerder opgebouwd partnerpensioen.
2 Hierbij is aangenomen dat de Wtp-risicoverzekering is vervangen door een restitutiemogelijkheid en een risicoverzekering die aanvult naar het verwachte pensioen (inclusief zogenoemde Algemene nabestaandenwet (Anw)-hiaatverzekering). De vervangende risicoverzekering voorkomt dat jongeren erop achteruit gaan. Meer details in Muns, Nijman en Werker (2026).