10 Weergaven
0 Downloads
Lees verder
Als gevolg van overheidsbeleid en hun eigen wens om zelfstandig te blijven, wonen veel ouderen steeds langer thuis. Maar wat hebben zij nodig om dat te kunnen doen met het oog op een optimale kwaliteit van leven? Dat vraagt een scherp en genuanceerd inzicht in hun perspectieven die in dit artikel aan de hand van vijf hoofdthema’s worden uitgewerkt. Op basis hiervan formuleren we handvatten en adviezen voor professionals en beleidsmakers om ouderen te ondersteunen bij het goed ouder worden in de thuisomgeving.

Thuis gezond ouder worden

Het aantal ouderen (≥ 65 jaar) groeit snel: van 12,8% in 1990 naar 21,1% in 2026 (CBS, z.d.). Met de leeftijd neemt ook de multimorbiditeit toe: 87% van de 75-plussers heeft meer dan één chronische aandoening (Vzinfo.nl, 2026). Van de ouderen woont 95% vaak al tientallen jaren (Pani-Harreman e.a., 2021) zelfstandig in hun eigen huis, deels door veranderingen in het zorgbeleid (Rechel e.a., 2013) en deels doordat veel ouderen zo lang mogelijk thuis willen blijven wonen, ook bij een toenemende zorgbehoefte (Bosch-Farré e.a., 2020). Hun leefomgeving is dan ook een belangrijk aspect voor hun kwaliteit van leven en sociale betrokkenheid.

Wanneer ouderen gezond blijven en in een ondersteunende omgeving leven, kunnen zij de dingen blijven doen die zij belangrijk vinden. Het is daarbij essentieel om niet alleen aandacht te besteden aan ziekte en functieverlies, maar ook aan het creëren van omgevingen die herstel, aanpassing en welzijn ondersteunen (World Health Organization, 2024). Dat vraagt om flexibelere sociale- en zorgsystemen, die aansluiten bij de leefwereld van ouderen (Menassa e.a., 2023). De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) benadrukt daarbij ook het belang van een ondersteunende sociale en fysieke leefomgeving, onder meer via leeftijdsvriendelijke steden en gemeenschappen, en via een breder kader voor gezond ouder worden (World Health Organization, 2017; 2024). Volgens de WHO staat bij gezond ouder worden het behoud van functionele vermogens centraal. Deze functionele vermogens worden bepaald door de wisselwerking tussen iemands intrinsieke capaciteiten en de fysieke en sociale omgeving, waardoor ouderen kunnen blijven doen wat zij belangrijk vinden (Nishio e.a., 2024; World Health Organization, 2017). Kortom, een focus op gezond ouder worden en op wat ouderen zelf kunnen – in samenspel met hun omgeving – kan bijdragen aan het beperken van de zorgvraag en het langer zelfstandig thuis wonen van ouderen (Integraal Zorgakkoord, 2022; Rechel e.a., 2013).

Het perspectief van ouderen op thuis gezond ouder worden is belangrijk

Om leeftijdsvriendelijke gemeenschappen, passende preventie en wijkgerichte ondersteuning te ontwikkelen, is inzicht nodig in hoe ouderen zelf het gezond ouder worden in hun eigen leefomgeving ervaren en vormgeven (Bigonnesse e.a., 2024; Bosch-Farré e.a., 2020). Daarom voerden we een kwalitatief onderzoek uit naar de ervaringen, mogelijkheden en behoeften van ouderen in relatie tot thuis gezond ouder worden.

Eerst hebben we individuele diepte-interviews afgenomen bij tien ouderen in de leeftijd van 66 tot 94 jaar (vier mannen en zes vrouwen) uit de Utrechtse wijken Leidsche Rijn en Noordwest. De deelnemers zijn geworven via twee wijkzorgteams. De interviews richtten zich voornamelijk op het dagelijks leven van de ouderen, hun woning en de directe leefomgeving. Er werd een semigestructureerde interviewguide gebruikt, gebaseerd op de Activity Card Sort (Nederlandse versie) (ACS-NL) fotokaarten over instrumentele, sociale en vrijetijdsactiviteiten. De interviews duurden 60–90 minuten en werden afgesloten met gevalideerde vragenlijsten over demografische kenmerken, levenstevredenheid, gezondheid, chronische aandoeningen en functionele vaardigheden.

Vervolgens vonden twee focusgroepen plaats met respectievelijk zeventien en zeven deelnemers (71% vrouw, gemiddelde leeftijd van 81 jaar). De focusgroepen vonden plaats tijdens de wekelijkse inloopochtend in twee buurthuizen in Utrecht Noordwest, georganiseerd door ‘Oog voor Utrecht’. Via een aselecte steekproef werden alle aanwezige ouderen een week vooraf geïnformeerd en uitgenodigd tot deelname. Tijdens de focusgroepen werden eerst de thema’s die uit de interviews kwamen gevalideerd, door stellingen daarover voor te leggen en aanvullingen daarop te vragen. Daarna bespraken ouderen wat zij belangrijk vinden in hun buurt en welke verbeteringen gewenst zijn. De focusgroepen duurden ongeveer een uur.

De interviews werden verbatim getranscribeerd en thematisch geanalyseerd (Braun en Clarke, 2006). Twee onderzoekers codeerden onafhankelijk en stelden thema’s vast via consensusbijeenkomsten. De focusgroepen werden geanalyseerd aan de hand van gespreksnotities en flip-overaantekeningen, waarbij nieuwe inzichten werden toegevoegd aan de thema’s uit de interviews. De analyse verliep iteratief totdat datasaturatie was bereikt en werd ondersteund door drie aanvullende consensusbijeenkomsten met twee experts.

Kernbehoeften: autonomie, competentie en verbondenheid

Uit de interviews kwamen vijf thema’s naar voren die zijn gevalideerd in de focusgroepen:

1) De belangrijkste behoeften van de ouderen sluiten aan bij de basisbehoeften autonomie, competentie en verbondenheid (zie Ryan en Deci, 2017). Ouderen benoemden dat het zelfstandig kunnen uitvoeren van dagelijkse activiteiten, zoals huishoudelijke taken en het uitoefenen van hobby’s, bijdraagt aan hun gevoel van autonomie, waardigheid en eigenwaarde, waarbij zij anderen zo min mogelijk tot last willen zijn. De ouderen benadrukten het belang van sociale contacten, bijvoorbeeld met familie, buren of via verenigingen. Deze contacten geven volgens hen betekenis aan het dagelijks leven en helpen eenzaamheid te voorkomen, al ervaren sommige ouderen juist een gebrek aan contact. Ook gaven de ouderen aan dat mentale en fysieke activiteiten, zoals mobiel blijven en de hersenen blijven gebruiken, bijdragen aan hun zelfstandigheid en motivatie. Wanneer deze mogelijkheden achteruitgaan, beschreven sommige ouderen gevoelens van afhankelijkheid en kwetsbaarheid.

2) Een tweede belangrijk thema is het verlies van gezondheid en van hun dierbaren. Ouderen zeiden dat gezondheidsproblemen, zoals pijn, weinig energie en mobiliteitsbeperkingen, hun zelfstandigheid beperken en dat zij activiteiten moeten opgeven, zoals het huishouden doen of fietsen. Daarnaast gaven ouderen aan dat hun sociale netwerk kleiner wordt doordat naasten wegvallen of minder mobiel worden. Hierdoor nemen ook gezamenlijke activiteiten en familiebijeenkomsten af. Ook benoemden ouderen dat de eindigheid van het leven dichterbij komt en dat eenzaamheid zwaar weegt, vooral door het wegvallen van contact met dierbaren. De behoeften die ouderen beschrijven en de manier waarop zij omgaan met verlies en verandering sluiten aan bij de capabilities-benadering (Bigonnesse e.a., 2024) en ondersteunen de idee dat het kunnen vervullen van belangrijke psychologische behoeften samenhangt met motivatie en welzijn (Grove, 2025; Meijering e.a., 2019).

3) Ouderen gebruiken verschillende coping strategieën om met verlies om te gaan en zo hun autonomie, sociale contacten en gevoel van competentie te behouden. Ze passen hun activiteiten aan hun mogelijkheden aan, bijvoorbeeld door zittend te koken of een scootmobiel te gebruiken in plaats van te fietsen. Ook gaven ze aan bewuste keuzes te maken in sociale activiteiten, afhankelijk van hun energie en motivatie. Daarnaast motiveren zij zichzelf door structuur en vaste routines, zoals dagelijks wandelen, bewegen, puzzelen of vaste momenten voor koffie of een hobby. Tot slot gaven zij aan te proberen om veranderingen te accepteren, zich te richten op wat nog wél mogelijk is en gevoelens van verlies en eenzaamheid niet te laten overheersen, hetgeen aansluit bij andere studies (Buitendijk e.a., 2025).

4) Ouderen zeiden veel gebruik te maken van hun (sociale) netwerk om zelfstandig te blijven. Zij ontvangen ondersteuning van huishoudelijke hulp, wijkverpleging, partners, kinderen, buren, vrienden, vrijwilligers of het sociaal wijkteam. Tegelijkertijd willen ouderen hun netwerk niet overbelasten en denken zorgvuldig na over wie zij om hulp vragen en waarvoor. Zo vragen zij kinderen vaak om praktische of financiële zaken, terwijl persoonlijke verzorging eerder aan professionals wordt overgelaten.

5) Ouderen verschilden sterk in hun ervaren gezondheid en functioneren. De meeste ouderen gaven aan dat gezond ouder worden voor hen niet betekent dat zij geen aandoeningen hebben, maar dat zij kunnen blijven doen wat zij belangrijk vinden, met zo min mogelijk beperkingen en pijn. Zij benadrukten het belang van een goed functionerend brein, mobiliteit, en focus op wat nog wél mogelijk is. Dit sluit aan bij onderzoek waaruit blijkt dat ervaren gezondheid op latere leeftijd vooral wordt bepaald door ervaren vitaliteit (de Klerk e.a., 2019; Verkooijen, 2020) en dat goed ouder worden afhangt van de mate waarin ouderen kunnen doen wat zij waardevol vinden (Bigonnesse e.a., 2021).

Tijdens de focusgroepen benoemden ouderen sterke punten en verbeterpunten in hun leefomgeving. Daarnaast brachten zij verschillende aandachtspunten naar voren op het gebied van mobiliteit, sociale contacten, de buurt, voorzieningen en wonen. Zo waardeerden zij onder andere de buurtmobiel, nabijgelegen bushaltes en het groen in de wijk. Tegelijkertijd zagen zij mogelijkheden voor verbetering, zoals meer verkeersveiligheid, rollatorvriendelijke stoepen, levensloopbestendige woningen en een schone en veilige leefomgeving. Ook benadrukten zij het belang van laagdrempelig toegankelijke activiteiten, toegankelijke winkels, horeca, openbare toiletten en duidelijke informatie over beschikbare ondersteuning.

Investeer in regie, relaties en voorzieningen voor ouderen om thuis goed ouder te worden

Ons onderzoek laat zien dat ouderen vooral waarde hechten aan zelfstandigheid, betekenisvolle sociale contacten en het kunnen blijven doen van wat zij belangrijk vinden in het dagelijks leven. Hoewel onze deelnemers een relatief selecte groep vormen, was er grote variatie in gezondheid, functioneren, behoeften en de manieren waarop ouderen omgaan met ouder worden. Dit benadrukt dat er niet één manier is waarop mensen goed ouder worden.

Een kernconclusie is dat goed ouder worden thuis een dynamisch en complex proces is. De capabilities – de vermogens om te doen wat ouderen waardevol vinden – ontstaan uit de wisselwerking tussen hun persoonlijke capaciteiten en de sociale, fysieke en maatschappelijke omgeving. Deze vermogens veranderen in de loop van de tijd en worden mede beïnvloed door de fysieke leefomgeving, de sociale infrastructuur en de mate van emotionele veerkracht en eigen regie. Bovendien bestaan er aanzienlijke verschillen tussen ouderen, mede door verschillen in sociale en economische omstandigheden gedurende de levensloop (Beard e.a., 2016; Vonk e.a., 2022). Ook wanneer de intrinsieke capaciteiten afnemen, kunnen ondersteunende omgevingsfactoren bijdragen aan het behoud van zelfstandigheid en de mogelijkheid om te blijven doen wat iemand waardevol vindt.

Deze bevindingen hebben twee belangrijke implicaties. Ten eerste is het essentieel om het perspectief van ouderen centraal te stellen bij beleid, ondersteuning en interventies. Omdat behoeften, waarden, mogelijkheden en voorkeuren verschillen en met de tijd veranderen, is maatwerk nodig, met aandacht voor autonomie, eigen regie en wat ouderen zelf belangrijk vinden.

Ten tweede vraagt goed ouder worden thuis om een interprofessionele en multisectorale aanpak met samenwerking tussen zorg, het sociaal domein, wonen, mobiliteit en de inrichting van de leefomgeving. Alleen door beleid en interventies in samenhang te ontwikkelen en uit te voeren, kan een omgeving worden gecreëerd die ouderen ondersteunt om te blijven doen wat zij waardevol vinden (Bigonnesse e.a., 2021).

Om deze implicaties concreet te maken, geven we tot slot vijf adviezen voor professionals en beleidsmakers:

1. Ken de individuele oudere

Ouderen hechten aan autonomie, competentie en verbondenheid. Aangezien behoeften en vermogens per persoon verschillen en in de loop van de tijd veranderen, zijn tijdige en terugkerende (preventieve) gesprekken van belang. Door regelmatig in gesprek te gaan over wat iemand belangrijk vindt en nodig heeft, kunnen passende ondersteuning, activiteiten en preventieve interventies tijdig worden ingezet. Dit kan bijdragen aan het behoud van autonomie, eigen regie en kwaliteit van leven en kan zwaardere zorg helpen voorkomen.

2. Laat ouderen in hun waarde én van waarde zijn

Ouderen weten dat ouderdom met verlies gepaard gaat, maar het gaat hen vooral om te kunnen doen wat ze belangrijk vinden. Autonomie, mobiliteit en sociale contacten staan centraal. Respecteer dit en sluit daarbij aan. Ga in gesprek over wat iemand belangrijk vindt en hoe de impact van achteruitgang kan worden verminderd en opgevangen.

3. Investeer in het (in)formele netwerk

Het (sociale) netwerk is belangrijk, maar kwetsbaar. Breng de sociale kaart in beeld en onderhoud contact met partners in de wijk. Stimuleer en ondersteun ouderen om ook zelf te investeren in hun netwerk, bijvoorbeeld door contact met familie of buren te versterken of deel te nemen aan buurtactiviteiten.

4. Zorg voor passende wijkvoorzieningen

Ondersteun en maak werk van activiteiten en voorzieningen die ontmoeting, beweging en eigen regie bevorderen. Stem het aanbod af op de specifieke wensen en behoeften van ouderen in de buurt of wijk, zodat voorzieningen écht aansluiten bij de doelgroep.

5. Ken en betrek de buurt of wijk

Ken de buurt of wijk waarin ouderen wonen en betrek ouderen zelf, zodat lokale netwerken, voorzieningen en de perspectieven van ouderen worden meegenomen en hun mogelijkheden om goed ouder te worden in de eigen leefomgeving optimaal worden ondersteund. Richt beleid en ondersteuning niet alleen op individuele factoren zoals chronische ziekten of leefstijl, maar pak ook de sociale, economische en fysieke leefomgeving van ouderen aan.

Literatuurlijst

Bigonnesse, C. & Chaudhury, H. (2021). Ageing in place processes in the neighbourhood environment: a proposed conceptual framework from a capability approach. European Journal of Ageing, 19(1),63–74. DOI: 10.1007/s10433-020-00599-y

Bosch-Farré, C., Malagón-Aguilera, M. C., Ballester-Ferrando, D., Bertran-Noguer, C., Bonmatí-Tomàs, A., … & Juvinyà-Canal, D. (2020). Healthy Ageing in Place: Enablers and Barriers from the Perspective of the Elderly. A Qualitative Study. International journal of environmental research and public health17(18), 6451. https://doi.org/10.3390/ijerph17186451

Integraal Zorgakkoord. (2022). Integraal Zorgakkoord, samen werken aan gezonde zorg. Integraal Zorgakkoord.

de Klerk, M., Verbeek-Oudijk, D., Plaisier, I. & den Draak, M. (2019). Zorgen voor thuiswonende ouderen: Kennissynthese over de zorg voor zelfstandig wonende 75-plussers, knelpunten en toekomstige ontwikkelingen. Den Haag: Sociaal Cultureel Planbureau.

Pani-Harreman, K.E., Bours, G.J.J.W., Zander, I., Kempen, G.I.J.M. & van Duren J.M.A. (2021). Definitions, key themes and aspects of ‘ageing in place’: a scoping review. Ageing & Society, 41(9),2026–2059. DOI:10.1017/S0144686X20000094

De volledige literatuurlijst is op te vragen bij k.m.coppens@umcutrecht.nl.