Vanuit het kind perspectief bezien hadden in 2022 1,65 miljoen Nederlanders een of twee ouders van 80 jaar of ouder. De meeste van deze ‘kinderen’ zijn tussen de 50 en 65 jaar oud. Tien procent heeft twee ouders van 80-plus, 33 procent heeft er één (bij 3 procent is de andere ouder jonger dan 80, bij 29 procent is de andere ouder overleden).
In 2022 hadden 250 duizend Nederlanders een of twee ouders van 80-plus die in een instelling woonden. Dat is 15 procent van de personen met 80-plus-ouders. In 2012 was dat nog 22 procent. Dit is een uitvloeisel van het Nederlandse overheidsbeleid gericht op het zo lang mogelijk zelfstandig wonen van ouderen.
In de figuur zijn deze cijfers nader uitgesplitst naar de leeftijd van het kind. De figuur maakt twee zaken duidelijk. Allereerst zien we dat het merendeel van de 80-plus ouders van zowel de jongste als de oudste ‘kinderen’ zelfstandig thuis woont (oranje en gele balken). Dat aandeel is tussen 2012 en 2022 flink toegenomen. Verder zien we dat oudere ‘kinderen’ veel vaker een ouder hebben die in een instelling woont. Bij kinderen in de leeftijd van 60 tot 65 jaar gaat het relatief vaak om situaties waarbij er één ouder in een instelling woont en één nog zelfstandig (de groene balken). Bij de oudste groep gaat het merendeels om een alleenstaande ouder in een instelling (paarse balken).
