84 Weergaven
14 Downloads
Lees verder

De schrijfster Josepha Mendels (1902 – 1995) vertelde ooit hoe zij als tachtigjarige, feestelijk opgedoft, haar Parijse appartement verliet om uit te gaan en dan van haar eveneens bejaarde medebewoonsters onder aan de trap te horen kreeg: ‘Ah Madame, vous voulez plaire encore?’ En van Bertold Brecht (1898 – 1956) is het verhaal van zijn grootmoeder die, nadat ze op twee-en-zeventigjarige leeftijd weduwe werd, uit de knellende band van de sociale verwachtingen sprong. In plaats van langzaam af te sterven als respectabel oudje gaat ze naar de bioscoop, bezoekt vreemde mannen, gaat uit eten, speelt kaart met vriendinnen, geniet van paardenrennen, en amuseert zich kostelijk. Haar eigen kinderen gaan er schande van spreken. ‘Die Unwürdige Greisin’ is de titel die Brecht aan haar verhaal meegeeft: foei, wat zal de buurt er wel van zeggen!

Heerlijk, zulke mensen op leeftijd die geen last hadden van self-ageism: de verinnerlijking van laatdunkende stereotypen over ouderen in de samenleving, zo geruisloos dat ze er ook zelf in zijn gaan geloven. “Daar ben ik te oud voor, hoor!” In die ene zin laat self-ageism zich vangen: de gedachte dat je er niet meer toe doet omdat je je tijd gehad hebt. Oude mensen dansen, flirten en vrijen niet meer, gebruiken geen make up en hullen zich allemaal in dezelfde vormloze beige zakken. Hoezo, daar ben ik te oud voor? Je bent nooit te oud om te leren dat je nergens ooit te oud voor bent.

Nu ja, behalve…… Laat mij hier ook een goed woordje doen voor self-ageism. Je kunt je ouderdom immers ook gebruiken als een legitiem excuus om geen dingen te doen waar je absoluut geen zin meer in hebt of die je bent ontgroeid. Social talk op feestjes en recepties? Daar ben ik te oud voor, hoor! Likes op Facebook verzamelen? Daar ben ik te oud voor, hoor! De schijn ophouden voor de buren? Daar ben ik te oud voor, hoor!

De filosoof Gilles Deleuze (1925 – 1995) was hier een kei in. Intens leven en er onvoorwaardelijk ja tegen zeggen, daar draait het om in zijn werk. Hij zou Brechts grootmoeder een prachtvrouw vinden. Hij verdedigde een vitalistische ethiek, maar leidde zelf een burgermansbestaan. Hij was chronisch ziek en uitgeput door zijn COPD benam hij zichzelf, zeventig jaar oud, het leven door uit het raam van zijn Parijse appartement te springen.

Hij voelde zich al vroeg oud. Toch vond hij oud zijn geweldig, erkende hij kort voor zijn dood. “Werkelijk schitterend! Natuurlijk, er zijn wat ongemakken. Pijn en ellende te moeten ondergaan als je oud bent, dat is vreselijk. Maar dat is geen ouderdom, dat is ziekte.” 

Die ziekte is hem tot last, maar Deleuze verlustigt zich in het oud zijn. “Het ergste is als iemand je op wil vrolijken en tegen je zegt: nee hoor, je bent helemaal niet zo oud. Dan ben ik geneigd hem een mep met m’n wandelstok te geven!” Waarom wil de filosoof zo graag oud zijn? Nou, nu kan hij met goed fatsoen interviews weigeren en hoeft hij geen lezingen meer te geven. Hij had altijd al een bloedhekel aan reizen gehad. Hij geniet van de ouderdom als de levensfase waarin je niet meer iets hoeft voor te stellen of te hebben, maar alleen maar te zijn. “Niet meer dit of dat te zijn, maar simpelweg zijn… De oudere is iemand die alleen er is, punt uit.”

Deleuze nestelt zich comfortabel in zijn ouderdom. Het geeft hem een ultiem gevoel van vrijheid: hij is eindelijk aan de knellende tentakels van de samenleving ontsnapt. Hij hoeft niks meer, hij mag. Hij beoordeelt mensen nu ook niet meer op hun status of om wat ze presteren. Hij beoordeelt hen liever op wie ze zijn.

Zijn verhaal overtuigt me van het goed recht van een welbegrepen vorm van self-ageism. De ouderdom heeft zo z’n jaloersmakende privileges, die je iemand niet moet afnemen door hem of haar z’n ouderdom te ontzeggen. Voor sommige dingen mag je echt te oud willen zijn, hoor!